DE STEM VAN S. G. DE GRAAF

1971-11-05
  • Jaargang 15
  • nummer 30
Enige tijd geleden maakte ds Amelink op de voorpagina van ons blad de treffende opmerking dat de vandaag vaak gehoorde tegenstelling "horizontalisme-verticalisme" op Bijbelse gronden niet anders dan als een valse tegenstelling mag worden gekwalificeerd.
Graag zou ik deze opmerking willen accentueren.
Laten we oppassen dat we uit reactie op het bovendrijvend "horizontalisme", waartegen het Getuigenis van een aantal vooraanstaande hervormden onlangs terecht protest aantekende, niet vervallen in een evenzeer verwerpelijk "verticalisme", dat men vandaag kan tegenkomen in bijv. de bewering dat de gemeente des Heren haar toekomst heeft in de hemel en niet op de aarde, soms gebaseerd op een vooringenomen exegese van 1 Thess. 4: 17.
Het leek me goed onze lezers in dit verband te confronteren met de stem van S. G. de Graaf in zijn "Verbondsgeschiedenis" (deel I - O.T.).
Verkwikkend is het te mogen constateren hoe het Woord Gods hem uitgetild had bóven het valse dilemma, waarin heden kinderen Gods soms verstrikt raken.

G. van Meerkerk, Sliedrecht

1. In den Christus alleen ligt ons erfdeel onder de geheiligden vast. Ons erfdeel onder de geheiligden is Kanaän. Men bedenke dan echter, dat Kanaän niet is de hemel, maar de nieuwe aarde onder de nieuwe hemel, en in het licht van de nieuwe aarde ook reeds deze aarde en dit tegenwoordig leven. (blz. 51-52).

2. Hij (Christus) is tot en groot volk geworden, een schare, die niemand tellen kan.
Want allen, die in Hem geloven, behoren tot dat volk. En Hij heeft niet slechts dat land Kanaän gekregen, maar Hij heeft voor Zijn volk de ganse aarde gekregen. Hij heerst over al de werken van Gods handen Hij doet Zijn volk op deze aarde wonen, doet hen daarop de Here dienen, en zal hun eens de nieuwe aarde ter woonplaats geven. Hij maakt van deze ganse aarde een Kanaän voor Zijn volk. (blz. 55).

3. Dat Abrahams zaad Kanaän bezitten zou, heeft dan ook de verre strekking, dat de gelovigen het geestelijk Kanaän bezitten zouden. Dat is echter niet de hemel, maar de heerschappij over de aarde, zie Rom. 4: 13: De belofte is aan Abraham of zijn zaad geschiedt, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn. (blz. 72).

4. De Schrift is ten volle het boek voor de aarde, zij het voor de aarde onder het licht van de hemel. De belofte is dat wij eeuwig het gezegend aardrijk erven zullen.
Die eeuwige band aan de aarde wordt door de band Abraham aan Kanaän getypeerd. (blz. 102).

5. Het graf is voor de gelovigen niet slechts het teken van vernedering en ondergang, maar ook het teken van hun deel aan de aarde, waarmede ze straks verheerlijkt zullen worden. (blz. 102).
Begraven worden is wel overgegeven worden ter vertering.
Voor de gelovigen is het echter ook iets anders.
Zij worden in de aarde bewaard tot een teken, dat zij eens met deze aarde zullen verheerlijkt worden. (blz. 104).

6. Het Nieuwe Testament is niet minder voor de aarde dan het Oude Testament. (blz. 116).

7. De gehele aarde moet ons een Beth-El zijn, waarin wij de Heere dienen. Dat kan nu reeds in beginsel, doordat de Heere Zijn Geest heeft uitgestort, door welke Geest wij Hem op de ganse aarde dienen mogen. Na de vernieuwing van hemel en aarde zal in de volle zin des woords de aarde een Beth-El zijn, want dan zal God eeuwig bij de mensen wonen. (blz. 142).

8. Er is nog tegenspoed, er is nog lijden, er is nog strijd, er is nog het lichaam dezes doods.
Daarom zoeken wij nog ons vaderland.
Dat vaderland is naar Hebreeën 11 wel het hemelse. Als men daaronder nu maar niet verstaat de hemel. Het is de nieuwe aarde onder het licht van de nieuwe hemel, het nieuw Jeruzalem, dat van de hemel nederdaalt.

Dan zullen alle dingen transparant zijn, dan komt de toestand van het aanschouwen.
Dat is van het aanschouwen van Gods gunst in alle dingen. (blz. 177).

9. De begrafenis van Jozua wordt verhaald met de plaats, waar ze hem gelegd hebben. En zo ook de begrafenis van de beenderen van Jozef. En de begrafenis van Eleazar. Het gaat in de Schrift om die begrafenis.
Daar werden Jozua en de anderen begraven, ten teken dat zij deel zouden hebben aan de opstanding der doden, en dan in de heilige erve eeuwig hun erfdeel onder de geheiligden bezitten zouden. Door die begrafenissen in het beloofde land werd temeer de band van het volk aan dat land bevestigd.
De Schrift is het boek voor de aarde, natuurlijk voor de aarde onder het licht van de hemel, maar voor de aarde!
Ons deel aan deze aarde in deze tegenwoordige tijd is ons een onderpand van ons deel aan de eens vernieuwde aarde. Zo is ook onze begrafenis. Eens zullen we op de aarde ons erfdeel onder de geheiligden bezitten.
Zo ligt dus ook onze ganse positie op de aarde in deze tijd in het verbond vast. (blz. 313).

10. Men leze de levenswaardering, zoals die uitkomt in de lofzang van Hizkia. (Jesaja 38 : 9-20). Dat is niet slechts de levenswaardering van iemand uit het Oude Testament, die nog geen helder uitzicht heeft op het leven na dit leven. Die zelfde levenswaardering moet er ook in het Nieuwe Testament zijn. We moeten het ook nu zeggen: "De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe, de vader zal de kinderen Uw waarheid bekendmaken". (blz. 590).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief