‘Zo zijn ze’
2013-07-13
Op de vraag ‘welke gedachten roept het onderwerp slavernij bij je op?’ is het antwoord snel gegeven: ‘Niet veel.’ Om even verder in het gesprek op een moment van onbedachtzaamheid te zeggen: ‘Jullie zijn een walgelijk soort mensen.’ Slavernij is een onderwerp waar je niet vaak over praat, maar het speelt wel degelijk een grote rol. In de Rotterdamse kerkplanting MEER dan BeverWAARD gaat predikant Bas van Zuijlekom in gesprek met twee Surinaamse kerkleden, John Leetz en Audrey Forst.- Jaargang 57
- nummer 14
‘Vroeger werd Suriname gerund door blanken’, zegt John. ‘De blanken organiseerden de handel en de zwarten deden het zware werk. Zo ging dat toen. Het heeft geen zin om nu nog boos op elkaar te zijn.’ Toch is het niet alleen geschiedenis.
John kan ook uit eigen herinneringen putten. ‘De blanke met zijn welvaart, dat was jouw ideaal.
Als neger uit de middenklasse probeerde je daar zo dichtbij mogelijk bij te komen. Naarmate je hoger op de maatschappelijke ladder stond, voelde je meer sympathie met blanken.’ Maar die sympathie had niet iedereen.
De minder welgestelde Surinamer voelde juist weerzin tegen blanken. Audrey: ‘In mijn jeugd zaten op de middelbare school vooral blanken, een zeer kleine minderheid was zwart. De meeste zwarte kinderen kwamen uit de onderklasse. Zij werden ook niet gestimuleerd om hogerop te komen, dat was voor hen niet weggelegd. Verder dan de lagere school kwamen zij niet.’
WK-finale
In de jaren zeventig van de vorige eeuw begon in Suriname een ontwikkeling van emancipatie. Mede door de dichter Robin Raveles groeide het besef dat ‘wij zwarten ook wat kunnen’, dat men voor welvaart en geluk niet ‘van hen’ afh ankelijk was. Status en verantwoordelijkheid waren niet alleen weggelegd voor blanken. Zelfbewustzijn en nationalisme groeiden.
Dit ging gepaard met een hevige strijd, die overigens zonder wapens werd uitgevochten. Een strijd die nog altijd doorgaat. ‘Toen Nederland in 1974 in de WK-fi nale speelde tegen West-Duitsland, waren Surinamers merendeels voor Duitsland. Vier jaar later was Argentinië de favoriet; opnieuw ging de sympathie niet uit naar Nederland. Er is pijn over de manier waarop Seedorf werd aangepakt wanneer hij penalties miste, dat werd door Surinamers als racisme ervaren.’ Zulke pijn is nog altijd voelbaar. Bij de inhuldiging van koning Willem Alexander verbood de Surinaamse minister van Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld zijn ambtenaren om op het feest aanwezig te zijn. Een blijk van een nog altijd diepe aversie bij een deel van de Surinaamse bevolking.
Vrome woorden
‘Zo zijn ze.’ Dit zijn gevleugelde woorden. Surinamers zeggen het onder elkaar over Nederlanders.
Audrey reageert gelijk met herkenning wanneer John de zin uitspreekt.
Zo zijn ze: ze zijn niet te vertrouwen, ze leggen ons dingen op en ze hebben zelf niet eens door hoe dominant ze zijn. Surinamers voelen, ondanks dat ze dat meestal niet willen, een diepe antipathie. En die wordt voortdurend gevoed.
4 en 5 mei worden in Nederland met veel inzet gevierd, maar de dag van de beëindiging van de slavernij (1 juli) gaat bij de meeste Nederlanders onopgemerkt voorbij. Dit irriteert mateloos, want op 1 juli gaat het evengoed ergens over: over het herdenken van ontelbare mensenlevens, over enorm leed, over een stuk gezamenlijke geschiedenis, over pijnlijke herinneringen die deel zijn van het leven van velen. Dat wordt in Nederland simpelweg niet erkend.
Oneindig veel grote en kleine dingen bouwen de pijn van Surinamers op.
Zo worden in de geschiedenisboeken de slaven die in verzet kwamen tegen de onderdrukking afgeschilderd als slechte mensen. ‘Ze werden neergezet als plunderaars en moordenaars.
Terwijl ze vochten en hun leven riskeerden voor hun en andermans vrijheid. Zij waren vrijheidsstrijders’, zegt John.
Over deze eenzijdige weergave van gebeurtenissen wordt gezwegen – dat is nog het pijnlijkste. ‘Ze verkondigen de Europese waarde dat iedereen gelijkwaardig is, maar ze zien niet onder ogen dat dit in hun eigen geschiedenis helemaal niet zo is. En ook niet in de moderne samenleving.’ Audrey vult aan: ‘Dat is de onbesproken dominantie van de Nederlandse cultuur, een systeem dat we niet eens door hebben met elkaar.’ Dit geldt ook voor godsdienstige kringen. Want de patronen van onderdrukking werden met vrome woorden verdedigd en in stand gehouden.
Zo kan zending vanuit het Westen worden ervaren als een vorm van het uitdragen en versterken van de eigen dominantie. De kerk verkondigde niet dat alle volken één zijn in Christus, men hield bewust segregatie in stand. Onrechtvaardige verhoudingen werden met beroep op de Bijbel verdedigd. Slavernij zou een straf van God zijn voor de nakomelingen van Cham. Over de oneerlijkheid moest niet gepraat worden. ‘Wat God doet, dat is welgedaan.’ En: ‘Wees tevreden met je lot, anders krijg je niks van God.’ Spreek deze zinnen uit in aanwezigheid van een Surinamer en er wordt met veel herkenning gelachen. Met deze waarheden werd je zoet gehouden.
Onderdrukking werd ermee in stand gehouden.
Negers moesten op de achterste rijen in de kerk zitten. De leiding van de kerk was wit. En je keek tegen hen op, zij waren ‘de top’, je had ontzag voor hen, ook al werd je onrechtvaardig behandeld. Je aanvaardde het leven zoals het was. Zo ging dat toen, tot halverwege de twintigste eeuw. En soms gaat het nog zo.
Zo zijn we
Het is duidelijk voelbaar: slavernij is een emotioneel onderwerp. Wat doen we met dit verleden? Dat is een belangrijke vraag in een interculturele kerk als MEER dan BeverWAARD in Rotterdam-Zuid. Hoe kunnen we met verschillende culturen en zo’n gedeelde geschiedenis toch één zijn?
Een gemakkelijke oplossing is er niet. En als plaatselijke kerkelijke gemeente kun je al helemaal niet de wereld veranderen. Liever geen grote woorden, maar kleine daden. Maar welke daden?
Om te beginnen vertellen we elkaar welke pijn, welke herinneringen, welke verhalen er zijn. Erkenning van wat er is gebeurd is wezenlijk.
Het zwijgen moet doorbroken worden.
Juist ook omdat in het verleden christelijke waarden als eerlijkheid en nederigheid met voeten zijn getreden.
Onrecht werd in stand gehouden en Gods Naam werd erbij gebruikt. Er is veel gelogen, er is mishandeld, mensen hebben over elkaar geheerst. Dat strijdt met wat Jezus Christus belangrijk vindt. Daarom gaan we in gebed.
Terug naar wat God zegt over volken en mensen.
‘Zo zijn ze.’ Ooit komt de dag dat we elkaar niet meer vastpinnen op onrecht en andere fouten. Op die dag zien we elkaar niet meer door ons verleden en door onze zonde, maar door Jezus Christus. God doet dat al. En wij mogen dat nu ook al doen in de christelijke gemeente. Gods nieuwe realiteit mag daar zichtbaar worden. In die nieuwe realiteit van Jezus Christus mogen we van vergeving leven, niet heersen maar dienen en leren om elkaar te eren en te waarderen.
Het is een uitdaging voor de kerk om met zonde om te gaan zoals God dat doet. Zodat je tegen elkaar kunt zeggen: zo zijn we, in Jezus Christus.
Bas van Zuijlekom is gemeentepredikant van de Samenwerkingsgemeente Rotterdam-Zuid. Hij is ook actief in de interculturele dochtergemeente MEER dan BeverWAARD.