De hoop der revolutie

1971-11-19
  • Jaargang 15
  • nummer 32
Revolutie is vandaag "in", op een wijze die velen van ons verbijstert.
Inderdaad wordt in onze dagen revolutie met een vrij groot gemak door menigeen voorgestaan. Met even groot gemak is revolutie vroeger bestreden en afgewezen, en dat is ook vandaag nog vrij algemeen het geval; vooral door christenen.
Om dat "met veel gemak" even duidelijk te maken: velen die het pleit voeren voor revolutionaire omzetting van een bepaalde maatschappij, al of niet met geweld, maar meestal eventueel óók met geweld, vergeten enerzijds dat geweld bepaald niet altijd een creatieve kracht is en anderzijds dat er met "revolutie" meer aan de hand is dan alléén opruiming van onrecht en onderdrukking.
Aan de andere kant zijn heel wat tegenstanders van revoluties er zich niet of onvoldoende van bewust, dat opstanden en revoluties in het algemeen maar al te reële oorzaken hebben, dat datgene waartegen die afwijzing zich richt inderdaad in verreweg de meeste gevallen niet màg bestaan.

Het woord revolutie is momenteel in het Westen sterk in inhoud vervaagd. De geladenheid die het woord vroeger had bij mannen als Robespierre, Marx, Dornela Nieuwenhuis, Lenin en bijvoorbeeld in de socialistische arbeidersbeweging in de 19e eeuw, en die wij thans nog zo duidelijk onderkennen bij Mao Tse-toeng, Fidel Castro, 'Che' Guevara (allen in de "Derde Wereld" l), is bij ons wel zo ongeveer verdwenen.
Revolutie wordt tegenwoordig in de westerse wereld zeer ruim gebruikt voor allerlei diepgaande, radicale veranderingen die zich op allerlei levensterreinen voordoen, politiek en maatschappelijk, technisch en wetenschappelijk, zelfs cultureel en godsdienstig. Omstreeks 1800 was er al de, achteraf zo genoemde, Industriële Revolutie, die een totaal nieuwe wijze van produceren bracht. In deze zin zijn er in de 20e eeuw, en vooral in de laatste decennia, nogal wat "revoluties" geweest: er verandert in onze dagen ontzaglijk veel, met een verbijsterende snelheid: computer, ruimtevaart, kernsplitsing, harttransplantatie, hoe lang zou de opsomming niet worden!
In dit alles zit het element van een totaal anders zijn dan voorheen van een, overigens niet bewust als zodanig bedoelde breuk met hetgeen er vroeger, zelfs tot voor kort, bestond. Anderzijds zit er in dit alles toch ook weer een, zij het buitengewoon versnelde, continuïteit: men bouwt verder op hetgeen reeds vroeger door bijvoorbeeld de wetenschap is gevonden.
Bij deze "revoluties" kunnen wij natuurlijk niet spreken van revolutionairen, die de revoluties maken. Ook niet van een revolutionaire gedachte, of van "Ongeloof en Revolutie". Inderdaad is het niet anders dan een ontzaglijk versneld ontwikkelingsproces.
Over deze 'revoluties' gaat het niet in deze bijdrage, geschreven op uitnodiging van de redactie van "Opbouw". Wel zullen ze straks nog terloops moeten worden aangestipt.

In ons artikel handelen wij, naar de bedoeling van de redactie, over revolutie in de meest gangbare betekenis van onwettig verzet tegen de bestaande politieke of maatschappelijke orde, een verzet dat meestal gepaard gaat met het gebruik van geweld. Bij deze revoluties treden wel "revolutionairen" op anders dan bij de hierboven genoemde. Deze revolutionairen zijn er bewust op uit de bestaande machten omver te werpen.
Revolutie in politieke, weldra ook in maatschappelijke zin, is een verschijnsel en tevens een begrip van de laatste twee eeuwen. Wij kunnen zeggen dat het woord zijn huidige inhoud begint te krijgen in 1789, wanneer in Frankrijk de Revolutie losbarst.
Natuurlijk ontkennen wij niet dat er ook vóór 1789 talloze opstanden zijn geweest, al van het begin der mensheid af. Achteraf zijn sommige van deze opstanden door historici en sociologen wel revoluties genoemd, maar de opstandelingen van toen zagen hun verzetsbeweging allerminst zoals de tegenwoordige revolutionairen de hunne zien.

In de Middeleeuwen, de "christelijke" tijd van de westerse geschiedenis, had men een uitgesproken mening over de vraag naar het gerechtvaardigde van opstand en verzet. Algemeen werden de volksopstanden, met name die Van de veelal in wanhopige omstandigheden verkerende boeren, afgewezen als goddeloos, omdat ze zich richtten tegen het wettige, door God Zelf gestelde overheidsgezag. en daarmee dus tegen God Zelf. Dat de boeren meestal in grote nood en in wanhoop naar de wapenen grepen om zich recht en een beter lot te verschaffen, dat zij als het ware in "noodweer" handelden, ontging vrijwel iedereen in die dagen.

Anderzijds leefde er in de Middeleeuwen wel een bepaalde gedachte aangaande het recht van verzet. Wijdverbreid was de overtuiging dat niet de staat, doch roet recht souverein is. Wanneer nu een vorst de privileges, die hij bij de aanvaarding van zijn gezag had bezworen, schond, was verzet alleszins gerechtvaardigd.
In de middeleeuwse standenstaat was dit recht tot verzet zelfs meermalen neergelegd in het positieve recht. 1) Dit positieve recht legde de uitvoering van het verzet in handen van de vertegenwoordigers der standen, hetgeen later nog terugkomt in de “lagere magistraten" bij Calvijn.
In de 15e en 16e eeuw zien wij allerwege de opkomst van het vorstenabsolutisme; het recht wordt daarbij onder; geschikt gemaakt aan de staat; de vorst kent zichzelf de bevoegdheid toe naar eigen goeddunken over de bestaande privileges te beslissen, ze eventueel ook in te trekken. Dit bracht vooral de adel, tot dusver de geprivilegieerde stand bij uitstek, tot verweer, meermalen ook tot gewapend verzet. Dat verzet ging veelal samen met het in die tijd opkomende godsdienstige verzet van de volgelingen van Luther en Calvijn tegen de geloofsvervolgingen.
Dit samengaan was er vooral in Frankrijk, en in de eerste jaren der Tachtigjarige Oorlog ook in de Nederlanden.
Nu zien we zowel in de volksopstanden, als in de verzetsbewegingen der standen en in de godsdienstoorlogen een duidelijk verlangen, namelijk naar herstel van rechten die men vroeger meende te hebben bezeten en die nu verloren dreigden te gaan of zelfs reeds waren verdwenen. Er is een roep om 'terug', terug naar een verleden dat veel beter heette te zijn dan het heden. Herstel van de oude, nog zuivere kerk der apostelen, herstel van de vroegere sociale toestanden toen er nog geen horigheid bestond, herstel van de oude privileges, wij komen dit steeds weer tegen in de middeleeuwse verzetsbewegingen, in de opstand der Nederlanden tegen Spanje en tegen koning Fi1ips II, bij Cromwell, zelfs tot op zekere hoogte nog in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog tegen het einde van de 18e eeuw, kort voor de Franse Revolutie, Ook thans treffen wij dit teruggrijpen op een geïdealiseerd verleden nog vrij veel aan, De Duitse verzetsbeweging tegen het hitleriaanse nationaal-socialisme wilde in het algemeen beslist geen revolutie heten, betoonde zich veeleer nogal wat verlegen met het gerechtvaardigde van opstand tegen een op zichzelf wettig geacht gezag. Het was juist het streven om de vrijheden en democratie van weleer te herstellen.
Terecht heet het aangrijpende boek van Bonhoeffer "Widerstand und Ergebung", en niet "Revolution und Ergebung"!

Men zou hier onderscheid kunnen maken, en m.i. ook móeten maken tussen enerzijds verzet en zelfs opstand en anderzijds revolutie. Beide hebben gemeen de afwijzing van een bepaalde, op dat moment bestaande politieke of sociale orde, bijna steeds een onrechtvaardige orde.
Maar in opstand zit een historisch element, zit vaak trouw aan oude waarden, die verloren lijken te zijn gegaan.
Verzet bedoelt genezend te werken; als het gezwel is weggenomen, zo denkt men, is de zieke maatschappij genezen.
Een opstand heeft meestal een beperkte en concrete doelstelling en draagt in het algemeen een spontaan karakter ; ze is niet theoretisch voorbereid, maart uit de nood van het moment geboren. Veelal stellen de opstandelingen achteraf, in elk geval niet vóór het begin van hun opstand, pogingen in het werk om hun zaak te rechtvaardigen en in hun hart voelden zij zich daar nogal verlegen mee.
Voor vele opstandelingen van vroeger en later tijd (wij denken daarbij niet aan slechte en kwaadwillende elementen die met graagte meededen) gold de regel: zij móesten wel, maar wilden liever niet! Het geweten sprak ook zijn woordje mee.

In opstand en verzet zit iets van noodweer, iets van door de benauwende situatie tot verzet gedwongen zijn. Dat geldt trouwens ook van de moderne revoluties.
Maar terwijl de verzetsmensen van vroeger en later tijd met de zaak wel enigszins verlegen waren, kent de bewuste revolutionair die verlegenheid ten aanzien van het gerechtvaardigde van zijn opstand in het geheel niet meer. Dat gerechtvaardigde is een vanzelfsprekende zaak. De revolutie wordt bewust geproclameerd en beschouwd als de enige weg niet alleen tot bevrijding uit een concrete verdrukking, maar ook tot algehele redding van alle mensen uit álle onvrijheid en nood.
In de revolutie van vandaag is sprake van theoretische èn practische voorbereiding vooraf, om klaar te zijn op het moment dat men tot de revolutionaire daad kan overgaan. De revolutie is dus, anders dan verreweg de meeste "gewone" opstanden, een bewuste daad tot omverwerping van de bestaande maatschappij; daarbij staat ze (en dat is m.i.
een van de meest wezenlijke trekken van de moderne revoluties) in het teken van de verwachting, van de zekerheid dat een nieuwe, betere orde zal kunnen worden geschapen.

In de Middeleeuwen was er nauwelijks iets van een aardse toekomstverwachting.
De enige toekomst van de mens zag men liggen in het leven na de dood, in de hemel. Men leefde, soms in vrezen en beven, naar de hemel toe en achtte in diepste wezen de aarde en de aardse toekomst als van geen of van weinig betekenis. Het zich terugtrekken uit de wereld, bijv. in het klooster, gold als een van de hoogste uitingen van godsdienstige gezindheid. Om in moderne taal te spreken: men dacht "verticaal" en veronachtzaamde de "horizontale" aspecten van het leven. Ondanks alle bruisende levensvreugde, die ook de Middeleeuwen volop kenden, was de grondtoon, de religieuze grondtoon, wezenlijk pessimistisch; tevens huiverig voor alles wat maar leek op wat dieper gaande verandering in het bestaand!" levenspatroon.
Het bestaande is van God, streven naar verandering is ontevredenheid met wat God ervan heeft gemaakt.
Het zijn vooral de niet-kerkelijke bewegingen van Renaissance en van Humanisme, die - ofschoon vooral in het begin nog in veel opzichten religieus bepaald - het eerherstel prediken van de aarde en van de mens en die, in reactie tegen de verabsolutering van het "verticale", duidelijk accent willen leggen op het "horizontale". Er komt een toekomstverwachting op die steeds meer een uitsluitend aards karakter gaat vertonen.
Deze louter aardse, zich van het woord der kerk en later ook dikwijls van het Woord van God emanciperende, toekomstverwachting bloeit enkele eeuwen later op in de zgn. Verlichting met haar verkondiging van de almacht van de menselijke rede, met haar kritische geest ten aanzien van alle traditie en van alle autoriteitsgeloof, met haar ideaal van de menselijke vrijheid en menselijke autonomie. Hier leeft niet meer het middeleeuws-religieuze gevoel van machteloosheid en afhankelijkheid ten opzichte van de Schepper en van de natuur, maar het trotse bewustzijn van eigen macht, het besef dat men de natuur kan beheersen en zelfs de mens tot de volmaaktheid toe kan verbeteren.
Dit alleszins geseculariseerde vooruitgangsgeloof (inderdaad een geloof!) is m.i. kenmerkend geworden voor de revolutiegedachte sedert 1789. Al in de ,jaren van de Franse Revolutie is het duidelijk te bespeuren. Condorcet, een van de meest typische en meest sympathieke Verlichtingsgelovigen, ziet de revolutie onweerstaanbaar leiden tot "oneindige vooruitgang in de menselijke geschiedenis" en poogt te concretiseren: technische volmaking, verlenging van het mensenleven, uitbanning van de oorlog, een volkenbond, één wereldtaal.
Robespierre ziet als doel van de revolutie "de moraal en de deugd te stellen in plaats van egoïsme en ondeugden".
Wij zien het: dat alles is heel wat meer dan omverwerping van de absolutistische monarchie en van de heerschappij der adellijke grootgrondbezitters. De revolutie brengt een nieuwe aarde, ze vertoont eschatologisch perspectief. Velen hebben aan zo'n perspectief diepe behoefte, want in hun vaak maar al te concrete nood hebben zij niet veel meer.
De Franse Revolutie pretendeert ook op politiek en sociaal terrein iets te realiseren: vrijheid, gelijkheid. Het is triest dat er een tijdperk-Robespierre aanbreekt met zijn guillotine-terreur, gevolgd door de militaire heerschappij van Napoleon. En als de kruitdampen wat zijn opgetrokken, is weliswaar aan de hegemonie van de weleer machtige standen in Frankrijk een einde gekomen, maar krijgt nu een nieuwe stand, de bourgeoisie, de welgestelde burgerij met haar economische belangen, het veelszins voor het zeggen, onder meer door middel van een beperkend kiesstelsel. De zgn. Vierde Stand, de bezitlozen, de "proletariërs", deelt allerminst in de tot stand gebrachte vrijheid en gelijkheid.
De Franse Revolutie kan daarom niet als beëindigd worden beschouwd.

In dit verband komen wij op de naam van Karl Marx, de grote voorvechter van de bevrijding van de arbeidersklasse in de vorige eeuw.
Het is in kort bestek ondoenlijk de vele aspecten van Marx' revolutieleer te bespreken of zelfs maar te noemen.
Het komt mij voor dat vooral twee elementen in het kader van dit artikel de nadruk dienen te verkrijgen.
Marx is niet de eerste, maar wel de meest consequente denker die aan het in die dagen snel opkomende sociale vraagstuk alle aandacht wil schenken. Hij ziet, in vele opzichten terecht, de Franse Revolutie als een primair burgerlijke revolutie, die wel de politieke emancipatie van de bourgeoisie heeft tot stand gebracht, maar het vraagstuk van de sociale gelijkheid heeft laten liggen.
En dat, nu juist in deze zelfde tijd een nieuwe klasse is opgekomen, die in haar totale zelfvervreemding het totale verlies van alle menselijkheid vertegenwoordigt: het proletariaat moet lijden op een welhaast onvoorstelbare wijze; maar juist de volheid van lijden maakt bij Marx de proletariërs tot hèt messiaanse volk, dat plaatsvervangend voor álle mensen zal strijden en de definitieve verlossing zal realiseren in de communistische maatschappij, waar aan elke klassentegenstelling en onderdrukking een definitief einde zal komen, omdat de klassen zelf zullen verdwijnen in de totale gelijkheid van alle mensen.
Maar ook hier brengt de revolutie meer dan alleen concrete lotsverbetering: in de komende maatschappij van het communisme zal niet alleen alle sociale nood verdwijnen, maar zal tevens een nieuw type, een nieuw soort (men lette op, dat "type", "soort"!) mens ontstaan, dat boven alle kwaad en verdrukking en haat zal uitrijzen, een nieuw volmaakt mens-type. Ook hier dus het vooruitgangsgeloof, stammend uit de Verlichting! Marx verwacht dus dat de sociale revolutie het wonder zal realiseren van de totale omzetting niet alleen van de maatschappij, maar ook van de mens.

Er is echter bij Marx een heel ander aspect, vóór hem reeds door enkele zgn. utopistische socialisten geaccentueerd, nl. het aspect van de onvermijdelijkheid, van de onafwendbaarheid van de revolutie, die besloten ligt in de historische ontwikkeling en daarin een positieve rol speelt: "De revoluties zijn de locomotieven van de geschiedenis".
De geschiedenis is eenvoudig ondenkbaar zonder revoluties, en elk verzet tegen revolutie is verzet tegen de loop der geschiedenis zelf.
In wezen is voor Marx niet belangrijk de vraag of revoluties ethisch aanvaardbaar zijn, maar of de omstandigheden er rijp voor zijn; zijn ze dat, dan komt de revolutie zeker. 2) Twee zijden dus bij Marx: de onvermijdelijke revolutie, die zeker zal komen, omdat ze in de loop der historische ontwikkeling besloten ligt: het menselijk handelen is hier dus niet fundamenteel belangrijk meer, maar wordt zelf door die omstandigheden bepaald. Anderzijds Marx' oproep tot menselijke activiteit: Verenigt u! strijdt! verlost uzelf!
Het zal in het latere marxisme een groot probleem worden hoe deze onoverbrugbare kloof toch wél te overbruggen.
De strijd vóór of tegen de revolutie brengt tot radicalisering.
Niet in Europa, waar door wetgeving en toenemende volksinvloed een beter sociaal klimaat wordt tot stand gebracht en een andere weg dan die van revolutie gaandeweg door steeds meer socialisten wordt geprefereerd.
Maar er is meer dan Europa alleen. De revolutiegedachte en -verwachting gaan op weg naar het Oosten. In Rusland komt in 1917 het radicale communisme aan de macht, met een boodschap van heil, die vooral in Azië door menigeen met gespitste oren wordt beluisterd.
Bevrijding van de kapitalistisch-imperialistische overheersing door de westerse volken, een einde maken aan het kolonialisme, het is voor de Aziatische volken concreet belangrijker dan het nieuwe type mens, waar ook Lenin van spreekt.
Maar één man is er in Azië in elk geval die deze gedachte van de nieuwe mens, van de Nieuwe Socialistische Mens, met graagte hanteert: Mao Tse, toeng. Na langdurige revolutionaire activiteit, tenslotte bekroond met een totale overwinning, weet hij in het huidige China zijn ideeën in een deel van zijn volk in te gieten.
Zoals bij Marx, en bijna nog meer dan bij Lenin, is revolutie zijn wachtwoord en zijn verwachting. Dóórgaan moet de revolutie, de revolutie nu in de meest totale zin van algehele breuk met alle traditie, met alle elders bestaande sociale orde, zelfs met de verstarring van het revolutionaire elan in de eigen partij. De revolutie is permanent, ze gaat door, nog steeds door: in voortdurende revolutionaire strijd is de mensheid op weg naar de nieuwe heilmaatschappij, naar het communisme, naar de Nieuwe Socialistische Mens.
Daartoe moet de jeugd worden gemobiliseerd: de Grote Culturele Revolutie brengt in 1966 de jongeren op straat, in de strijd tegen de verstarde bureaucratische kaders, ook in de partij, tegen de geestelijke erfenis van de oude Chinese cultuur, tegen de intellectuelen die nog steeds de neiging hebben zelfstandig te denken. Lin Piao staat Mao trouw ter zijde in diens "tweede revolutie", die stellig het ideologisch element niet mist, maar tevens de machtsstrijd representeert in de hoogste Chinese partijregionen.
Het lijkt in 1966 of Mao Tsetoeng in één grootse poging heel de historische onvermijdelijkheidsleer van Marx de baas wil worden en de communistische revolutionair de geschiedenis wil laten beheersen. De actieve revolutionair, dàt is de mens die de toekomst maakt, die de Nieuwe Socialistische Mens snel naderbij zal brengen!
Marx is de theoreticus, de profeet van de revolutie, maar ook de geschiedfilosoof van het revolutieverschijnsel; Lenin is in de eerste plaats de practicus.
Mao is profeet èn practicus beide.
Vandaag constateren wij dat de revolutieverwachting, min of meer marxistisch gekleurd, zich over de aarde verbreidt, .het duidelijkst naar Latijns-Amerika. Er is maar al te veel reden tot ontevredenheid, de bestaande machten hebben zich ethisch onaanvaardbaar betoond.
Wie ook maar enigszins op de hoogte is van de mensonterende toestanden in grote delen van de wereld en weet dat de daar heersende politieke en economisch-sociale machten opzettelijk en bewust het onrecht continueren, zal geen enkel woord tot excuus kunnen vinden: Ethisch verwerpelijk, dat is ons oordeel over het gewelddadige conservatisme in verscheidene delen van Latijns-Amerika. En voor een christen is het nog meer schrijnend dat deze hele situatie wordt verdedigd met een reeks van argumenten, die voor een deel nog aan een of andere christelijk-lijkende moraal zijn ontleend!
Déze status-quo, déze 'establishment', ' is ten enenmale verwerpelijk.
Maar is dan de revolutie ethisch aanvaardbaar?
Mao Tse-toeng Revolutie is meer dan verzet.
Menig christen erkent in bepaalde gevallen het recht van verzet tegen de overheerser. Weinigen onder ons beschouwen het ondergrondse verzet in Duitsland tegen het God- en mensonterende Hitlerregiem als verwerpelijk. Zou afwijzing van sociale wantoestanden, van de totale ontmenselijking van de massa, in de wereld van Latijns-Amerika en elders (bijv. Griekenland, Spanje, Portugal) dan verwerpelijk zijn? Wij kunnen in Nederland natuurlijk gemakkelijker theoretiseren dan concrete oplossingen aan de hand doen. Maar het lijkt onverantwoordelijk dadelijk een veroordeling uit te spreken over hen die als Camilo Torres, in een afschuwelijke noodsituatie hun toevlucht hebben genomen tot gewelddadig verzet tegen een geweld hanterend bewind dat gevestigd is op belang en op macht.
Ook al is stellig de voorkeur uit de spreken voor het geweldloze Rode Garde In China verzet van een Helder Camera, zoals indertijd van Luther King.
Maar wij weten: de tot verzoening uitgestoken hand van King is weggeslagen, hijzelf heeft een kogel in het lichaam gekregen. Camera is meermalen met de dood bedreigd. Het lijkt een onbegaanbare, zeker toekomstloze weg.
Het is inderdaad waar dat opstand en revolutie worden opgeroepen door de godvergeten regeerders die hun gezag tot een aanfluiting hebben gemaakt in een totaal verzaken van hun plicht, in een volkomen liquidatie van alle ethische waarden.
Is het de lezers wel eens opgevallen dat verreweg de meeste revolutionairen worden gedreven door duidelijk ethische motieven?
Zij willen de armen en verdrukten te hulp komen, als anderen het niet doen; zij wagen hun leven en offeren het hoogste wat zij hebben in dienst van de menselijkheid. 'Che' Guevara is dood, Camilo Torres, de christenrevolutionair, is dood; en wie zal de vele naamlozen tellen die hun leven hebben geofferd in dienst van wat zij zagen als menselijkheid, vrijheid, recht?
Is de revolutie dan toch ethisch aanvaardbaar?

Maar nu grijpen wij nog even terug. Wat is revolutie?
Wij hebben het al gesteld: revolutie is meer dan alleen strijd voor recht en vrijheid. Mogen wij, in aansluiting bij wat wij elders hebben geschreven, 3)


1) Wij komen dat tegen in enkele Spaanse staten, in de Engelse Magna Charta (1215); 00k in de Blijde Inkomste van 1356 in het hertogdom Brabant, waarop men zich nog in 1568 beriep, om de opstand tegen Spanje en tegen Filips II te rechtvaardigen.


2) Het komt ons voor dat in de huidige sociologische beschouwingen over het revolutieverschijnsel, ook (in verband daarmee?) in verscheidene recente "theologieën van de revolutie", dit determinisme dominerend is. Het gevolg is uiteraard dat de mens, als de revoluties toch niet te vermijden zijn, zich slechts daarbij kan neerleggen en met meer een zelfstandige beslissing kan nemen.


3) H. G. Leih, "De Moderne Revolutie", in: Confrontatie met de Revolutie, z.p. en j. (lezing op het Paascongres 1969 voor geref. studenten en academici). Meer historisch in het m.n. voor het middelbaar onderwijs bestemde Revolutie.
Ideaal en verwachting (serie: Dichterbij, Kok, Kampen, z.j.).




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief