Kerkverlating in NGK neemt toe
2013-08-03
De kerkverlating in de NGK neemt toe, terwijl onze missionaire werfkracht klein blijft. In het grensverkeer met andere kerken is in de NGK sprake van een immigratieoverschot, behalve ten opzichte van de evangelische gemeenten. De uitstroom die kant op blijft toenemen. Vergelijkingen van jaar op jaar zijn riskant, maar op wat langere termijn is de trend onmiskenbaar.- Jaargang 57
- nummer 15
Ze liggen me al een tijdje op mijn bureau aan te staren: de jaar-, hand- en informatieboekjes 2013 (jawel, ook in de naamgeving onderscheiden we ons van elkaar) van CGK, GKv en NGK. Ook in deze digitale tijd vormen ze nog steeds een onmisbare informatiebron voor wie, ook als hij of zij geen predikant of preekvoorziener is, verder wil kijken dan de eigen gemeente.
De informatieboekjes (ik volg nu maar even de NGK-benaming) leveren de up-to-date adresgegevens van predikanten, scriba’s, diaconieën, penningmeesters, webmasters en tal van andere plaatselijke functionarissen, en natuurlijk van de vele landelijke instanties. Al is dat up-to-date er natuurlijk wel wat af, wanneer het informatieboekje zoals dat van de NGK pas eind april verschijnt.
De uitgave van 2013 bevat trouwens voor het eerst een lijst van kerkelijk werkers in NGK-gemeenten (voor jeugdwerk, pastoraat, missionair werk en muziek), een lijst die de komende jaren vast wel zal groeien.
Relativeren
Het is echter het cijfermateriaal (de plaatselijke en landelijke ledentallen met alle mutaties daarin) waar de kranten na het verschijnen van de informatieboekjes over schrijven. En dan vooral over de landelijke winsten verliescijfers. Zet de dalende trend bij de GKv zich voort (ja) en wordt het wat meer wisselende beeld van de CGK met het ene jaar een min en het andere jaar een plus bevestigd (jawel, deze keer weer een plusje)? En zet de stijgende trend van de NGK zich voort? Nee, dus.
De NGK telde per 1 januari 2013 96 leden minder dan een jaar eerder: 33087 tegen 33183. Een afname van het ledental dus, terwijl er de tien jaar daarvoor (op een dipje in 2009 na) steeds sprake was van een toename.
Maar wat zegt zo’n daling van het ene op het andere jaar? Volgens mij heel weinig. Het is goed om die vanjaar-
tot-jaarvergelijkingen stevig te relativeren. Allereerst omdat het maar de vraag is hoe betrouwbaar de cijfers zijn.
Elk informatieboekje opnieuw wijkt de beginstand van het voorbije jaar af van de eindstand die een jaar eerder werd gepubliceerd. Zo noemt het Informatieboekje 2013, dat terugkijkt op 2012, als beginstand per 1 januari 2012 33183 kerkleden. Maar het informatieboekje 2012 hanteerde als eindstand voor 1 januari 2012 33165 kerkleden. Een verschil van bijna 20 dus. En zo gaat het ieder jaar.
Steeds weer moeten de uitgevers van de informatieboekjes constateren dat de nieuwe beginstand afwijkt van de vorige eindstand en menigmaal zijn die verschillen groter dan de 20 van dit jaar. Kennelijk is het voor de kerken een hele kunst om hun ledentallen exact op te geven.
Verdwenen
Ook de cijfers over de onderlinge verschuivingen tussen kerken doen twijfelen aan de juistheid van de gepubliceerde ledentallen. Dat is goed te zien aan het grensverkeer tussen CGK, GKv en NGK. Als het goed is, zouden hun kerkelijke informatieboekjes dezelfde aantallen moeten melden van leden die van het ene naar het andere kerkverband zijn overgegaan. Maar dat is nooit het geval.
Het NGK-boekje 2013 geeft aan dat vorig jaar 106 CGK-leden naar de NGK zijn overgestapt en dat 51 leden de omgekeerde beweging maakten. Maar in het CGK-boekje 2013 zijn deze cijfers 96 respectievelijk 31. Kleine verschillen, maar toch.
Voor het kerkelijk grensverkeer in voorgaande jaren geldt hetzelfde en zijn de verschillen soms een stuk groter. Ook tussen NGK en GKv en tussen CGK en GKv zie je dat soort verschillen, al is de vergelijking met de GKv-cijfers lastiger, omdat men daar niet de standen per 1 januari, maar per 1 oktober daaraan voorafgaand vermeldt.
Zelfs binnen het eigen kerkverband blijken de cijfers niet te kloppen. Alle NGK-gemeenten samen melden in het nieuwe informatieboekje dat er in 2012 290 leden met attestatie naar andere NGK-gemeenten zijn vertrokken.
Maar ze melden met zijn allen ook dat er 201 leden uit andere NGKgemeenten zijn binnengekomen. Er zijn dus 89 leden ‘verdwenen’: wel met attestatie vertrokken naar een andere NGK, maar daar nooit als lid geregistreerd.
Het informatieboekje van 2012 meldt dat er in 2011 186 NGK-leden naar een andere NGK zijn vertrokken, maar ook dat er 231 leden uit een andere NGK zijn binnengekomen: een verschil van 45 de andere kant op. Je vraagt je af waar die 45 leden vandaan komen.
Voor de jaren daarvoor zijn vergelijkbare verhalen te houden. Ook hier gaat het niet om grote verschillen, maar juist omdat er uit kleine verschuivingen per jaar soms forse conclusies worden getrokken, is het goed de exactheid van de jaarcijfers flink te relativeren.
Saldo
Er is nog een reden om geen al te zware conclusies te trekken uit de landelijke cijfers. De wijze waarop de kranten in de afgelopen jaren melding maakten van de gestage groei van de NGK gaf de indruk dat het overallbeeld in de NGK is: groei. Nee dus: de landelijke groeicijfers van de afgelopen jaren (508 in de afgelopen vijf jaar) zijn het saldo van ledendaling of stilstand in een groot aantal gemeenten en van ledengroei in een kleiner aantal gemeenten. De landelijke NGK-winst kwam in de afgelopen jaren steeds voor rekening van een klein aantal sterk groeiende gemeenten en maskeerde dat heel wat gemeenten in ledental achteruit boerden.
Dat beeld is niet echt anders nu de NGK in 2012 op landelijke schaal leden hebben verloren.
Stijgers en dalers
Jaar-op-jaarvergelijkingen zijn een hachelijke onderneming dus. Het is beter om cijfers over een wat langere periode, bijvoorbeeld vijf jaar, te bekijken. Een vergelijking tussen de NGK-cijfers van 1 januari 2013 en 1 januari 2008 laat zien dat van de 91 gemeenten van 2008 er 4 nu niet meer bestaan en dat 46 gemeenten in meerdere of mindere mate in ledental achteruit zijn gegaan. Er kwam 2 nieuwe gemeenten bij en 41 gemeenten groeiden in ledental.
Gemeenten waarvan het ledental met 50 of meer terugliep zijn: Assen (-167), Amersfoort-Zuid (-83), Emmeloord (-67), Haarlem (-71), IJsselmuiden (-81), Kampen (-155), Leerdam (-85), Nunspeet (-50), Rotterdam-Overschie (-58), Utrecht (-142), Wapenveld (-50) en Wormer (-69). Een afname van 1078 leden in 12 gemeenten.
Soms weerspiegelen deze cijfers interne moeiten die gemeenten hebben geteisterd, soms zijn ze exponent van de vergrijzing van gemeenten, soms ook valt er vanaf een afstand moeilijk een verklaring te geven voor de forse terugloop.
Tegenover deze grote dalers stonden ook sterke stijgers. Gemeenten waarvan het ledental met 50 of meer groeide, zijn: Apeldoorn (+57), Bunschoten-Spakenburg (+96), Doetinchem/Velp (+137), Ede (+99), Enschede (+90), Houten (+444), Maassluis (+76), Nijmegen (+85), Oegstgeest (+84), Veenendaal (+84), Voorthuizen/Barneveld (+142) en Zeewolde (+143). Een totaalgroei van 1537 leden in 12 gemeenten.
| Tabel 1 Kerkverlating per tijdvak van vijf jaar:
|
| Tabel 2 Kerkverlating per tijdvak van vijf jaar:
|
| Tabel 3 Buitenkerkelijke instroom per tijdvak van vijf jaar:
|
| Tabel 4 Buitenkerkelijke instroom per tijdvak van tien jaar:
|
Kerkverlating
In 2009 heb ik in Opbouw uitvoerig stilgestaan bij de kerkverlating in de NGK, voor zover die blijkt uit de landelijke cijfers van gemeenteleden die zijn afgevoerd van de ledenlijst of die zich hebben onttrokken zonder lid te worden van een andere kerk. Mijn conclusie op basis van de informatieboekjes tot en met 2008 was dat sinds het ontstaan van de NGK circa 7000 leden onze kerken hebben verlaten zonder lid te worden van een andere kerk.
Vier jaar na het maken van deze analyse moet ik constateren dat er sindsdien ruim 1350 kerkverlaters bij zijn gekomen. De cijfers over 2012 laten zelfs de grootste sprong ooit zien in het aantal NGK-leden dat de kerk verliet: van 322 in 2011 naar 445 in 2012. Lange tijd lag het aantal kerkverlaters per jaar onder de 200, sinds 2007 lag het voor het eerst boven de 300 en in 2012 kwam het voor het eerst boven de 400 per jaar uit.
Gedachtig mijn eerdere relativering van forse conclusies op basis van jaarcijfers wil ik ook bij dit cijfer voorzichtig zijn. Want hoe zal het gaan: zet deze sterke stijging uit 2012 zich de komende jaren door of is het een eenmalige uitschieter als gevolg van een actiever kerkenraadsbeleid her en der om al lang niet meelevende kerkleden uit te schrijven uit de ledenregisters? Dat zal in de komende jaren moeten blijken.
Maar kijk ik terug naar de trend van de afgelopen jaren, dan is mijn conclusie dat de kerkverlating in onze kerken toeneemt en sinds ruim tien jaar bezig is te versnellen. Tabel 1 laat zien dat over perioden van vijf jaar gemeten het aantal NGK-leden dat uitgeschreven wordt uit de kerkelijke registers gestaag toeneemt.
Hetzelfde geldt voor de kerkverlating in de CGK, waarbij natuurlijk verdisconteerd moet worden dat de CGK veel meer leden telt dan de NGK: anno 2013 74.000, tegenover 33.000 in de NGK.
Een vergelijking van de eerste kolom (NGK) en de tweede kolom (CGK) in deze tabel geeft de indruk dat de kerkverlating in de NGK sterker toeneemt dan in de CGK. GKv-cijfers over exact dezelfde periode heb ik niet in mijn bezit. Bovendien zijn ze door een andere meetmethode niet altijd goed vergelijkbaar.
Dit beeld van versnelde kerkverlating in de NGK wordt bevestigd als je de cijfers die vanaf 1984 in de NGK-informatieboekjes vermeld worden op een andere manier groepeert. Tabel 2 laat zien dat in de eerste tien jaar van registratie (t/m 1993) 1746 NGK’ers buitenkerkelijk werden. In de laatste tien jaar (2003 t/m 2012) is dat aantal 3064, een toename van bijna 80 procent.
Voor de CGK zijn deze cijfers 4941 respectievelijk 6479, een stijging van ruim 30 procent.
Tegenover deze vertrekkers uit de kerk staan blijkens tabel 3 en 4 maar weinig mensen die ‘vanuit de wereld’ naar de kerk komen. De missionaire werfkracht van onze kerken blijft gering, net als overigens in de CGK.
| Tabel 5 Instroom uit andere kerken naar NGK:
2 In deze cijfers zijn de gemeenten van Haarlem en Westbroek, die in hun geheel (647 leden) vanuit de PKN overkwamen naar de NGK, niet meegenomen. |
| Tabel 6 Uitstroom vanuit NGK naar andere kerken:
|
Grensverkeer
Hoe staat het met het kerkelijk grensverkeer tussen de NGK en andere kerken? Ook hier zien we af van jaar-op-jaarvergelijkingen en kijken we vooral naar het beeld op langere termijn.
Over de afgelopen twintig jaar gerekend is blijkens tabel 5 de instroom in de NGK vanuit de PKN het grootst. Daarna volgt de instroom uit de GKv, daarna die uit de CGK, vervolgens die uit Evangelische en Pinkstergemeenten en ten slotte uit de categorie ‘Andere kerken’.
De instroom uit de PKN fluctueert, als we kijken naar de perioden van vijf jaar. Het aantal binnenkomers uit de CGK blijft ongeveer gelijk, terwijl de instroom uit de GKv en uit Evangelische en Pinkstergemeenten gestaag is toegenomen. Wat er onder de categorie ‘Andere kerken’ valt (in sommige jaren als ‘Diversen’ of ‘Onbekend’ aangeduid), is onduidelijk. In totaal zijn er de afgelopen twintig jaar ruim 13.000 leden van andere kerken lid geworden van de NGK.
Ongeveer 4 op de 10 NGK-leden zijn dus afkomstig uit een andere kerk. Het laat zich raden dat deze instroom vooral heeft plaatsgevonden in gemeenten die de laatste jaren zijn gegroeid. Het aandeel ‘niet-autochtone’ NGK-leden ligt daar dan ook (veel) hoger dan in andere gemeenten.
| Tabel 7 Vertrek naar evangelische gemeenten, per tijdvak van vijf jaar:
|
| Tabel 8 Vertrek naar Andere, Diversen of Onbekend, per tijdvak van vijf jaar:
|
Net als de instroom is blijkens tabel 6 ook de uitstroom van NGK-leden naar andere kerken het grootste richting de PKN. Daarna volgen die naar Evangelische en Pinkstergemeenten en naar de GKv. Bij de uitstroom naar PKN, CGK en GKv zijn er in de afgelopen twintig jaar geen spectaculaire veranderingen te constateren, die naar de Evangelische gemeenten neemt gestaag toe.
Frappant en onverklaarbaar is de sterke toename de laatste tien jaar van de vertrekkers naar de categorie ‘Andere kerken’. Zoals blijkt uit tabel 8 kent de CGK deze stijging niet.
In totaal hebben in de afgelopen twintig jaar meer dan 10.000 leden de NGK verlaten om lid te worden van een andere kerk.
Per saldo komen er uit alle kerken behalve de Evangelische en Pinkstergemeenten meer kerkleden naar de NGK toe dan er vanuit de NGK naar deze kerken vertrekken.
Evangelische zuigkracht
Je komt het in veel gemeenten tegen: kerkleden (actief in de gemeente of juist aan de rand levend) die lid worden van een evangelische, baptisten- of pinkstergemeente in de buurt. De ‘zuigkracht’ van de evangelische beweging werd dat vroeger wel genoemd. Hoe groot is die aantrekkingskracht eigenlijk en hoe ontwikkelt die zich in de loop van de tijd? Neemt die wellicht af, naarmate onze eigen kerkdiensten onmiskenbaar evangelischer worden?
Het antwoord op die laatste vraag is ondubbelzinnig: nee. De uitstroom naar evangelische gemeenten wordt niet kleiner maar groter. Die toename gaat zeker de laatste jaren niet hard, maar is blijkens tabel 6 en 7 wel evident.
In de CGK is sprake van een vergelijkbare ontwikkeling, al lijkt daar de uitstroom naar evangelische gemeenten de laatste jaren kleiner te worden. Vergelijkingen met de GKv kunnen niet gemaakt worden, omdat de registratie van binnenkomers uit of vertrekkers naar andere kerken de categorie ‘evangelisch’ of ‘pinkster’ merkwaardig genoeg niet kennen.
Het is overigens de vraag of deze cijfers het complete verhaal vertellen. Het is aannemelijk dat in de sterk gegroeide categorie ‘Andere kerken’ (zie tabel 6 en tabel 8) ook de nodige overgangen naar gemeenten van evangelische signatuur zitten, bijvoorbeeld naar Rafaëlgemeenten of onafhankelijke gemeenten (De Dageraad, Doorbrekers, Regenboog, Eldad, etc.) die zich niet met label ‘pinkster’ of ‘evangelisch’ tooien en die door scriba’s wellicht om die reden in de restcategorie worden ondergebracht. Ook deze restcategorie neemt in de loop van de jaren sterk in omvang toe.
Tellen
In dit artikel is geplust en gemind, zijn getallen opgeteld en afgetrokken. Dat lijkt een kille en zakelijke exercitie.
Maar het is goed te bedenken dat achter die dode cijfers levende mensen schuilgaan. Mensen die de gemeente van de Heer verlieten en mensen die er een nieuw thuis vonden. Mensen die God kwijtraakten en mensen die Hem vonden. Het is goed te beseffen dat God geen getallen maar mensen ziet. Dat Hij ‘onder al die miljoenen’, zoals een lied zingt, de enkeling op het oog heeft en het hart van die ene mens zoekt. En uiteindelijk zal er niet meer geteld worden. Want dan zal er sprake zijn van een grote schare die niemand tellen kan.
Ad de Boer is lid van de NGK Voorthuizen/ Barneveld en lid van de redactie van Opbouw.