‘Ik ben een onwijs dankbaar mens’
2013-11-01
Arjan vindt het moeilijk precies te omschrijven wat er mis ging in zijn vorige gemeente, maar hij voelde zich er ‘een geval’. Daarom zette hij na jaren nadenken en bidden de stap naar een andere kerk. Zijn familie bleef Gereformeerd-vrijgemaakt. Dat is nu vijf jaar geleden.- Jaargang 57
- nummer 21
Arjan is dertig en woont in een dorp in het westen van het land. Bij onze ontmoeting zit zijn ene arm in een mitella. ‘Hé, je loopt,’ zeg ik als hij de deur opendoet en me voorgaat naar de woonkamer. ‘Ik had gedacht dat je in een rolstoel zat?’ Aan zijn manier van lopen is niets bijzonders te zien. ‘Ja, ik kan nog een paar stappen lopen gelukkig, want het is lastig sturen in die rolstoel met zo’n ingepakte arm!’ Hoor ik het goed en klinkt het een beetje geïrriteerd? Ik noteer het in gedachten. Daar zit iets.
Kanker
‘Ik heb tot mijn achtste een heel normaal leven gehad zoals elk kind,’ begint Arjan. ‘Maar toen kreeg ik kanker. Ik was altijd heel bezig en had overal zin in, maar toen niet. De huisarts probeerde mijn moeder nog gerust te stellen want hij dacht dat het wel meeviel, maar toen de uitslag van de onderzoeken binnenkwam zei hij: ‘Het is heel erg mis,’ en moest ik meteen naar het ziekenhuis. Tot ik tien was, ging ik ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Ik kreeg twee jaar chemotherapie en ik werd dus ook kaal. Mijn ouders kwamen altijd op bezoek, maar mijn zusjes en broer mochten vaak niet mee omdat ik daar te ziek voor was. Maar ik ben er helemaal van genezen.’ Het was een heftige periode voor Arjan en voor het hele gezin. Heeft die kanker dan veroorzaakt dat Arjan van een rolstoel afhankelijk is? ‘Nee, ik ben een paar jaar prima gezond geweest. Maar ik heb door een simpel ongelukje toen ik vijftien was dystrofie aan allebei mijn benen gekregen. Ik slipte van een stoeprand af. Stom. Enkelbanden gescheurd. Na een paar weken begon mijn hele been op te zwellen en te verkleuren. En het is ook in mijn andere been gaan zitten. In het begin toen de genezing niet opschoot, dacht ik nog: O, dat komt wel goed. Ik ben tenslotte ook van kanker genezen. Maar uiteindelijk werd ik naar een revalidatiecentrum gestuurd. Toen begon het tot me door te dringen dat beter worden er niet meer in zat. Ik moest weer leren lopen, maar verder dan een heel klein stukje kan ik dus niet. Mijn benen doen altijd pijn.’
Puber
Bij deze gebeurtenissen was Arjan ook een kind dat een zo gewoon mogelijk leven wilde leiden: naar school dus, en liefst gewoon overgaan met de klas mee. Maar zijn ziekte kost hem toch een schooljaar. In het vervolgonderwijs moet Arjan opnieuw een veer laten. ‘Ik droomde van een baan als fysiotherapeut, want ik moest de HAVO gemakkelijk kunnen halen.’ Maar het blijkt niet te lukken omdat hij toch verzwakt is door de chemotherapie: hij moet een niveau lager gaan zitten. Maar Arjan zou Arjan niet zijn als hij niet een nieuw plan bedacht om zijn doel toch te halen: ‘Via VMBO-MBO zou ik ook naar het HBO kunnen. Dus ik ging er weer voor. Ik was wel een serieuze leerling. Ik kon er ook niet goed tegen als er docenten werden uitgetest, want ik ging heel anders met de leraren om. Ik vond mijn klasgenoten vaak kinderachtig en daar zei ik wat van.’ Toch is Arjan gewoon een puber, en zo wil hij ook behandeld en gezien worden. ‘Maar op een of andere manier deden ze op school, maar ook in de kerk niet meer gewoon tegen mij. Ik had het gevoel dat ze vooral naar me keken als iemand die nu eenmaal altijd ziek was, voor wie gebeden werd in de kerkdienst. Dat bidden was best goed natuurlijk, maar niemand sprak me aan in de zin van: “Hoe gaat het met je?” of “hoe voel jij je?” Ik werd iemand over wie je “iets wist,” zonder dat ik rechtstreeks daarin kon meepraten. Zo voelde dat.’ Arjan lijkt te zoeken naar woorden om aan te geven wat dat precies voor gevoel was. ‘Heel beklemmend,’ zegt hij uiteindelijk.
Pijn
Er gebeurt intussen veel in zijn leven, zoals bij elke jongere. Maar hij krijgt daarbij allerlei tegenslagen te verduren. Hij is afgekeurd voor werk, tot zijn grote spijt. Gelukkig kan hij autorijden, sport hij fanatiek en heeft hij een vriendenkring. Als vrijwilliger blijft hij maatschappelijk actief. Arjan onderneemt van alles en komt bepaald niet zielig over. Hoe kan dat allemaal als hij altijd pijn heeft? ‘Pijn is voor mij vooral een prikkel die mijn energie opslokt. Maar ik laat me er niet erg door afremmen. Soms ben ik gesloopt. Dan lig ik meer op bed en heb ik meer pijnstillers nodig, maar al liggend geniet ik na van wat ik dan toch kon doen.’ Arjan heeft zijn gedroomde baan niet kunnen bereiken en hij mist een eigen gezin. Dat levert een ander soort pijn op. Arjan beseft heel goed dat iemand die met hem in zee zou gaan, ook deel krijgt aan zijn handicap. ‘Maar ik ben wel heel opgewekt en ik ben een doorzetter. Dus waarom zou dat niet een mooie relatie kunnen opleveren? Ik heb heel wat te delen, ik ben een onwijs dankbaar mens!’ Dankbaar? ‘Ja! Ik kan echt blij worden van wat God doet – er is meer dan alleen tegenslag en ziekte.
Elke dag zingen er vogels, gaat de zon op, en als ik ’s morgens aan God vraag om me de dag door te helpen, kan ik ’s avonds altijd danken dat Hij dat gedaan heeft. Hij is echt een Vader voor me, ik vertrouw Hem.’
Loslaten
Intussen zit Arjan wel met zijn arm in een mitella. Het verhaal daarachter is niet bepaald simpel en je wordt er ook niet vrolijk van. ‘Ik ben kortgeleden geopereerd aan een beknelde zenuw in mijn elleboog. En in de afgelopen anderhalf jaar ook al vier keer aan mijn polsen omdat daar ook de zenuw klem zat vanwege het carpale tunnel syndroom. Best lastig ja! De rolstoel rijden, de fiets bedienen die aan de rolstoel vastgemaakt kan worden, autorijden en sporten: het moet met mijn handen gebeuren. En die zenuwen raken juist door het intensieve gebruik van mijn armen bekneld waarschijnlijk.’
Arjan is zich er van bewust dat er opnieuw posttraumatische dystrofie kan ontstaan, nu in zijn armen. ‘Dat zou een regelrechte ramp betekenen.
Het meeste geestelijke huiswerk zit voor mij in loslaten,’ zegt hij. Eerst het loslaten van zijn gedroomde baan, zijn hunkering naar een eigen gezin. En daar komt nu de vrees voor het verlies van de functie van zijn armen en handen nog bij.
Ben je nooit boos op God? ‘Nee, boos ben ik niet. Vragen stel ik wel: God, waarom? U denkt kennelijk dat ik dit aankan, maar zeker nu ook mijn armen en handen al een paar keer geopereerd zijn, vraag ik mij af: is dat wel zo, Vader, dat ik dit aankan? Ik zie het nog niet!’
Etiket
Wat maakte het voor Arjan nu zo moeilijk om zich thuis te voelen in de kerk waar hij opgroeide? Hij heeft een gerijpt geloof en een groot vertrouwen in zijn Vader, daarmee moet hij in de gemeente toch heel welkom zijn?
Het is tasten en zoeken voor Arjan om de juiste woorden te vinden. ‘Er is natuurlijk meegeleefd toen ik ziek was, en ook toen ik gehandicapt raakte. Dat was goed en fijn. Maar ik kreeg ook een stempel: Arjan = kanker = handicap, punt. Mensen in de gemeente vonden het moeilijk om mij te benaderen omdat er altijd ziekte of zorg was en op den duur vroegen ze dan niets meer. Ze wisten het al, of dachten het al te weten. Er werd over mij gepraat, merkte ik. Ze vroegen dan niet: “Hoe gaat het met je?” maar zeiden: “Het gaat goed met je hè? Ik hoorde van die-of-die dat je gisteren zo’n eind gefietst hebt.” Ik had dan gefietst omdat dat op die dag net wel kon. Daar werd door gemeenteleden achter mijn rug om op gereageerd en dat leverde bij mij frustratie op. Ik zeulde gewoon een rugzak mee. Eenmaal een etiket, altijd een etiket. Ik heb dat aan veel mensen gemerkt. Dat deed veel pijn, echt heel veel. Waren die mensen maar op mijzelf afgestapt. Ik kon me niet verdedigen of iets uitleggen aan gemeenteleden die wel een mening over me hadden, maar me nooit aanspraken. En als er dan aandacht voor me was in het gebed tijdens de dienst, dan merkte ik dat kerkgangers er het hunne bij dachten. Er is zelfs weleens tegen me gezegd dat ik te negatief was, omdat ik niet naar genezingsdiensten van Jan Zijlstra wilde. Zo iemand wilde dan dat ik “even” mijn probleem ging oplossen.’ ‘Wat ik dan wel nodig had? Ik verlangde ernaar dat iemand naast me ging staan. Dat er iemand zei: “Ik weet het ook niet Arjan, waarom je dit nu moet meemaken.” Dat is wel een beetje kwetsbaar als je geen oplossing kunt aanbieden. Ik dacht wel eens: zou het misschien typisch vrijgemaakt zijn, die houding van: ik analyseer wat er aan de hand is op grond van bekende gegevens, en dan ontwerp ik een model om het op te lossen?
Zo heb ik dat tenminste ervaren. Ik was niet iemand, ik was een geval. Een oplossing is pas welkom als iemand naast me gaat staan en vanuit mijn perspectief met me meedenkt.’
Bevrijding
‘Mijn advies: als er voor iemand in je gemeente om een bijzondere reden gebeden wordt, spreek die persoon dan aan, of stuur een mailtje of bel even op. Er hoeven geen oplossingen of Bijbelteksten bij. Luisteren en naast iemand gaan staan, dat is de essentie. En die heb ik te vaak gemist, daardoor kon ik niet mezelf zijn. In de kerk waarvan ik nu lid ben, is dat probleem over. Daar ben ik gewoon Arjan. Een bevrijding!’ Die irritatie die ik bij Arjan meende te bespeuren toen ik me erover verbaasde dat hij lopend de deur open deed, kwam daar dus vandaan: ik had al een plaatje in mijn hoofd voordat ik hem ontmoette. Ik neem me voor om dat niet meer te doen, mij van tevoren een beeld vormen van iemand over wie ik informatie heb gekregen. Niet denken of praten over, maar bidden voor iemand, dat is een veel betere regel voor wie het lichaam van Christus wil dienen.
Arjan heet in werkelijkheid anders.