Kleed u in de liefde

2013-11-01
  • Jaargang 57
  • nummer 21
Met prachtige woorden beschrijft ds. André F. Troost in een lied de christelijke gemeente. Het opent met de regels:
Dit huis, een herberg onderweg
voor wie verdwaald in heg en steg
geen rust, geen ruimte meer kon vinden,
een toevluchtsoord in de woestijn
voor wie met olie en met wijn
pijnlijke wonden liet verbinden.1

Zijn de beelden die Troost gebruikt herkenbaar? Met andere woorden: beschrijft hij een ideaal of de werkelijkheid?


Het blijft iets om je over te verwonderen: de gemeente van Jezus Christus, zo oud en zo wijd als de wereld, anno 2013 op zondagen te vinden op al die plekken waar mensen bij elkaar komen en het van Hem verwachten – de focus in iedere kerkdienst: onze hulp is in de Naam van de Heer.
De dienst brengt ons bij God, die Zich heeft laten kennen in zijn Zoon, onze Heer, Jezus Christus. Ik sluit me er graag bij aan, want dat is waar ik voor kom. Een plek om op adem te komen bij Hem die mij kent zoals ik ben. Is dat niet wat je als mens ten diepste verlangt: gekend te zijn, van top tot teen, tot in je ziel? Meer nog: aanvaard te zijn, geliefd, niet omdat jij het zo goed doet, maar omdat Hij goed is? Daar kun je dit lied bij aanhalen, maar evengoed al die andere gezangen, psalmen, hymnen en songs die erover gaan. Of sla gewoon de Bijbel open en lees wat er beschreven staat over de gemeente en wat haar bezielt: Gods liefde, waardoor wij elkaar op onze beurt mogen leren kennen en liefhebben. ‘Kleed u in de liefde,’ schrijft Paulus aan de gemeente van Kolosse (3:14). Kernachtiger kun je het niet zeggen. En het lied over de herberg sluit daar helemaal bij aan. Ook de zondagse dienst staat in het teken van die liefde. Daar leren we Hem navolgen, onze Heiland, de enige heelmeester die ons leven maakt tot wat het moet zijn: uit één stuk. Kom, ga met ons, en laat je troosten, bemoedigen, corrigeren en inspireren. Zo vormen we als gemeente een ‘gemeenschap der heiligen’, de verbondenheid van mensen die hun heil zoeken bij God.

Visitekaartje
Het zal je visitekaartje maar zijn. God zet de toon en wij stemmen in. Wat een feest als je het zo kunt uitzingen, met regels uit het laatste couplet van genoemd lied:
Dit huis, met liefde opgebouwd,
dit gastenhuis voor jong en oud,
ligt langs de weg als een oase.

Maar eerlijk is eerlijk, dat is niet altijd het geval. Soms is het eerder een inzingen, een ‘je te binnen zingen’, dan een lofzang: ‘Heer, alstublieft, laat het zo zijn dat ik hier op adem kan komen, dat ik me hier gedragen weet, door U, maar ook door de anderen, mijn broers en zussen in het geloof, tussen wie ik me nu zo eenzaam voel.’ Want er is veel wat de verbondenheid in de weg kan staan. We belijden Gods onvoorwaardelijke liefde voor ons, maar onze liefde voor de ander is minder betrouwbaar en hangt vaak af van wat de ander al dan niet doet of zegt.
We wijzen de zonde af, niet de zondaar, zeggen we. Maar wat is het moeilijk om die twee dingen werkelijk te scheiden. We belijden dat God zal oordelen en dat wij dat gelukkig niet hoeven te doen, maar wat is het lastig om daar ook naar te leven. Wij vinden van alles, vooral van anderen. Er is veel ruis in de gemeente van Christus.
En dan wordt het zondag. We komen naar de dienst zoals we zijn, inclusief onze ‘zonden en wonden’. God zet de toon, maar hoe stemmen we samen in? Hoe zichtbaar is daar zijn liefde? Hoe ziet dat ‘samen’ eruit als er schokkende dingen gebeuren, waar we geen raad mee weten? Kunnen we dan met elkaar de toon nog vinden? Is er wel verbinding mogelijk op zo’n moment?

Wissel
‘Ik heb geen pasklare antwoorden’, zegt een predikant aan wie ik bovenstaande vragen voorleg. ‘Elkaar aanvaarden en elkaar vergeven, dat is lastig in een zaal vol stokken en blokken. Ik denk wel eens: als iedereen alleen al degene naast hem met aandacht begroet, gaat er niemand ongezien de kerk uit.’
‘Ik kan die uitstraling niet organiseren,’ zegt een ander, ‘hooguit erin sturen, door het evangelie dat klinkt tijdens de kerkdiensten: in thema, teksten, liederen, woordkeus, mijn houding; door aan te sluiten bij wat de mensen bezighoudt, ook op dat moment. Als voorganger ben ik in de eerste plaats dienaar. Ik houd mijn ogen en oren dus goed open, ik wil afstemmen op wat er speelt. Maar het zou ook wel eens wat meer van de andere kant mogen komen. Vertel me maar waar de pijnpunten liggen.’ Het is een goed teken als er in de gemeente openheid is, een veilige sfeer waarin mensen elkaar in vertrouwen durven nemen. Maar de zondagse dienst kent zijn eigen dynamiek. Een bericht vanaf de kansel over iets wat gebeurd is, zeker als het om iets ingrijpends gaat, kan een enorme wissel trekken op dat gevoel van veiligheid en saamhorigheid. ‘Maar dan ben je feitelijk ook al te laat,’ meent een volgende predikant. ‘Als zich iets schokkends heeft voorgedaan, moet de hele gemeente daar als het even kan van tevoren al over geïnformeerd zijn.’

Aansluiting
Hij weet waar hij over praat. In zijn gemeente gebeurde jaren geleden een dramatisch ongeval, waarbij een jonge man op een gruwelijke manier om het leven kwam. Omdat de nabestaanden er van meet af aan heel open over waren, en er behoefte aan hadden om hun pijn met veel mensen in de gemeente te delen, besloot deze predikant het bericht op zondag summier te houden. ‘Ik zag de familie zitten, omringd door al degenen die met hen hadden meegeleefd en meegehuild, ikzelf incluis. We waren als gemeente bij wijze van spreken al een eindje met hen op weg. In die stand stond ik dus toen ik na de mededeling voorging in gebed. Er was veel warmte en verbondenheid.
Tegelijk was er ook een andere kant. Want voor sommigen ging het te snel. Er zaten ook mensen in de zaal die het daar voor het eerst hoorden, dat had ik me niet voldoende gerealiseerd.’ Naast het verdriet heersten er op dat moment dus ook andere gevoelens: schrik, boosheid: waarom wist ik dit niet? ‘Op dat moment miste ik bij een deel van de gemeente de aansluiting.’ De herinnering is nog altijd pijnlijk. ‘Als voorganger moet je naast de mensen blijven, niet voor hen uit lopen.’ Maar wat als er niet van tevoren geïnformeerd kán worden? Neem er dan rustig de tijd voor en kies je woorden zorgvuldig, is het devies. Stem met de betrokkenen af wat je er wel en niet over kunt zeggen. Ingeval van ziekte of een sterfgeval zal dat waarschijnlijk iets gemakkelijker liggen dan wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een zonde die aan het licht is gekomen, vooral als dat in de gemeente diepe sporen trekt. Denk aan geweld, seksuele zonden, overspel, misbruik. Daar zul je vaak ook professionele begeleiding bij moeten zoeken.

Less is more
Hoe het ook zij, elk bericht dat moet worden gegeven, wordt gedaan uit zorg voor de gemeente, daarover geen misverstand. Het is geen ‘nieuwtje’ dat bekend moet worden en dat kleurt de toon, de woordkeus, de insteek. Een predikant: ‘Het begint met hartelijke aandacht voor de persoon die getroffen is. Allereerst persoonlijk, onder vier ogen, maar vervolgens moet je dat zien te vertalen naar de gemeente. Vertel iets over iemand op zo’n manier dat je daarmee de persoon in kwestie aanspreekt én de situatie recht doet én het voor de gemeente herkenbaar maakt.’ Waak er daarbij voor, voegt hij eraan toe, dat er geen dubbelheid komt te zitten in wat je daar staat te vertellen. ‘Als iemand iets is overkomen, mag dat natuurlijk nooit worden gebruikt om de gemeente een lesje te leren of om eens haarfijn uit de doeken te doen hoe het zit. Dan wordt de betrokkene een casus.’ Dat geldt uiteraard niet alleen voor een predikant, maar voor ons allemaal. Praat niet óver maar mét de ander. En moet er wel met elkaar over worden gesproken, doe het dan zorgvuldig en sober, zonder verborgen boodschappen. Als er iets verteld moet worden, is dat uit zorg: enerzijds voor het gemeentelid in kwestie en zijn of haar plek in de gemeenschap, anderzijds voor de gemeente: mensen moeten de kans krijgen zich liefdevol tot de betrokkene te (blijven) verhouden. ‘Less is more. Voor je het weet, heb je iemand te kijk gezet, ook al bedoel je het goed.’

Kerfstok
Het is belangrijk om dat ook ter harte te nemen als je voorbede doet. Laat het gebed geen nieuwsbulletin worden of een minipreekje. Wees geen stoorzender maar voorganger: neem de gemeente mee naar de troon van God, laat niemand achter. Als er net iets is voorgevallen of als er sprake is van conflicten, komt het extra aan op presentie, zoals iemand het onlangs treffend uitdrukte. Realiseer je welke verwarring, verontwaardiging, angst er kan heersen. Benoem het, leg het neer voor de Heer. Het kan alleen al genezend werken om die beweging schouder aan schouder te maken: ‘Van U moeten we het hebben, Heer. Als het erop aankomt zijn we gelijk, hoe gekwetst we ook zijn en wat we ook op onze kerfstok hebben.’ Niet om daarmee de zonde die er is te bagatelliseren, maar omdat we allemaal op dezelfde manier voor God staan: levend van zijn aanvaarding en vergeving. Een mens blijft in Gods ogen altijd de moeite waard. Als dát geen oase is.
Het evangelie van Gods liefde blijft iets wat je steeds opnieuw mag ontdekken en ontvangen, en samen leert vormgeven, benadrukt een van de predikanten tot slot. In zijn gemeente ontstond grote verwarring en verdeeldheid, nadat er een ernstig geval van misbruik aan het licht was gekomen. De dader was een jongerenwerker uit hun midden. ‘Het ging er heftig aan toe, vooral onder de jongeren. Sommigen hadden meteen hun oordeel klaar, anderen vergoelijken het. Het dreigde een splijtzwam te worden, dat merkte je ook in de diensten. We hebben daar hulp bij moeten zoeken. Voor die jongens zijn er toen speciale gespreksavonden belegd, waar ze met hun strijd en hun emoties naartoe konden. We hebben er met elkaar expliciet over gesproken en konden daar ten slotte ook bidden. Ja, ook voor de persoon in kwestie. Daarmee is zo’n verschrikkelijke gebeurtenis natuurlijk niet klaar, maar het werkte bevrijdend: in Christus verbonden, op meer dan één manier. Zo konden we met elkaar verder.’

‘Je kon een speld horen vallen. Veel mensen wisten er al van, maar lang niet iedereen. Zoiets hakt erin, je kunt nog zo laagdrempelig zijn, maar dat betekent niet dat zonde er niet toe doet of zo. Onze dominee wond er geen doekjes om, hij vertelde gewoon hoe het zat: X had het gedaan met een vrouw die de zijne niet was. Hij zei het wel in zorgvuldiger woorden dan ik nu doe, en dat maakt ook alles uit natuurlijk. Maar wat me vooral trof was dat hij het meteen herkenbaar maakte, het koppelde aan de zonden van ons allemaal, zoals we daar zaten. ‘Wie zonder zonde is …’ En daarna ging hij voor in gebed, beleed schuld, vroeg om vergeving, maar hij benoemde ook zonder omwegen de losse eindjes: wat kapot gemaakt was, in het huwelijk van deze mensen, in hun gezinnen, maar ook in de gemeente – aan geloofwaardigheid, vertrouwen. Hij kwam ons daarin echt tegemoet, zichzelf incluis. Hij bracht ons echt aan de voeten van Jezus, met alles wat er mis was onder ons, en daarin bracht hij ons heel dicht bij elkaar.’ (Vrouw, 32)

‘Weet je, op zo’n moment gaapt er een afgrond voor je voeten. Ik wist niet meer zo veel, alleen dat ik in de dienst wilde zijn, omdat ik behoefte had aan warmte, van de mensen, ook al hebben ze natuurlijk net zomin antwoorden als ik, en van de woorden van God die daar klinken. Je wilt je ergens aan optrekken. Ik dacht: als ik nu niet ga, ga ik misschien wel nooit meer.’ (Vrouw, 77)

‘Iedereen die er zat, was al op de hoogte, daar was echt werk van gemaakt. Dat was goed, er was grote saamhorigheid.
Onze predikant vertelde meteen aan het begin dat er iets verschrikkelijks was gebeurd en het enige wat hij in die dienst verder nog deed was bidden. O ja, hij las ook nog een psalm, dat had hij zo met de nabestaanden afgestemd, zei hij. Meer gebeurde er niet, wat ik me ervan herinner. Na de dienst – wat zal het geweest zijn, een halfuurtje? – werden we allemaal uitgenodigd om naar een bijzaaltje te komen, om erover te kunnen praten, met elkaar te zijn, elkaar te troosten. Ik vond dat wel oké. Je kreeg de gelegenheid, het hoefde niet. Ik moest erg huilen, weet ik nog, maar op dat moment vond ik de kerk zo tof. Het klopte gewoon, zo moest het.’ (Vrouw, 44)

‘Het was afschuwelijk. Ik zat daar maar en ik kon alleen maar denken aan de sores die we op dat moment hadden. Ik schaamde me, verweet mezelf dingen, was boos om alles wat zo verpest was, maar ik kon het niet delen. Het lukte gewoon niet. Ook al wisten sommige mensen het, ze hadden er blijkbaar geen notie van hoe ze me dat moesten laten merken. Ik had het gevoel dat we werden gemeden. Natuurlijk, het zal onhandigheid zijn geweest, of angst voor mijn part, maar het doet zo zeer. Dat zijn dan je broeders en zusters in Christus.’ (Man, 60)



1 Lied 213 in de bundel Zingende Gezegend.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief