Omgaan met beschadigde emoties
2013-11-01
De kerk is de gemeenschap van heiligen. Maar hoe vaak komen we er niet mensen tegen die elkaar pijn doen, moeilijke mensen die anderen kwetsen? Al deze mensen hebben hun eigen verhaal. Ik zie die verhalen als onderdeel van het verhaal van God met mensen. Daarin is goedheid, maar ook val; vernieuwing, maar ook verwachting.- Jaargang 57
- nummer 21
In de fase van Gods verhaal waarin we nu leven, gaat alles met vallen en opstaan. We worden gekwetst en kwetsen anderen. We zoeken manieren om onszelf te beschermen, harnassen die ons onvrij maken, stekels die anderen verwonden – de een meer dan de ander. In de gemeenschap van heiligen ontmoeten we gewonde heiligen, en angstige, en onuitstaanbare. We zuchten met de schepping (Rom. 8) en we jubelen met de engelen. Gelukkig weten veel mensen goed om te gaan met hun eigen eigenaardigheden en met die van anderen. Maar sommige mensen zijn zo beschadigd dat hun leven ondraaglijk is en relaties onder grote druk komen staan, ook hun relatie met God. Hoe gaan we met hen om? Hoe omarmen we een stekelvarken, een grommende hond of een muisje dat zich telkens verstopt?
Identiteit
De ouders van Jessica en haar zus Ine hebben hun hele huwelijk al veel ruzie. Soms vliegen de borden door de keuken. Ine concentreert zich op school, past op bij een buurkindje en luistert thuis de hele dag muziek. Jessica was een lastig kind en is nu altijd de deur uit, experimenteert met drugs en krijgt dan een vriend die crimineel en gewelddadig is. Haar ouders schrikken wakker en zoeken hulp voor hun dochter. Pas dan vertelt Jessica dat ze altijd het gevoel heeft gehad dat zij de oorzaak is van de ruzies van haar ouders. Als haar vriend zegt dat ze ‘bagger’ is, is ze het daar eigenlijk wel mee eens.
Wat we meemaken in onze jeugd legt de basis voor onze identiteit. Het bepaalt voor een groot deel wie we zijn en wat we doen. Mogen we er zijn? Zijn we veilig? Een kind voelt vaak heel goed aan wat er in zijn omgeving gebeurt, maar trekt soms niet de juiste conclusies. Bovendien reageren kinderen niet automatisch hetzelfde in gelijke omstandigheden. Ze verschillen qua karakter, of vinden andere hulpbronnen in hun omgeving.
Zomaar kan er in het verhaal van een kind iets misgaan. Er ontstaan ongezonde denkpatronen en ongezond gedrag om emotionele pijn te voorkomen en om misschien nog iets goed te maken van wat fout ging. Wie kent ze niet: de mensen die lijken te zuigen, ze krijgen nooit genoeg aandacht. Of de mensen die je nooit dichtbij laten komen. Bij allebei is het natuurlijk de vraag: wie is de mens achter dit gedrag? Wie ziet de mens achter de verdediging?
Waarheid
Ook in de Bijbel komen we gekwetste mensen tegen die hun eigen strategie hebben ontwikkeld om met hun emotionele wonden om te gaan. De Samaritaanse vrouw bij de bron, in Johannes 4, mijdt het gezelschap van haar buren en reageert vijandig op Jezus. Hij vraagt haar om water en gaat in gesprek. Levend water biedt Hij aan dat haar verlangens overvloedig kan stillen. Pas op het moment dat zij er open voor staat, nodigt Hij haar uit iets te zeggen over haar relaties. Als ze daar eerlijk over is, geeft Hij haar een compliment. Hij vertelt haar wat Hij over haar weet – Hij geeft geen oordeel, geen oplossing, maar wel de waarheid. Hij ís de Waarheid en bij Hem is het mogelijk de waarheid onder ogen te zien.
In dit verhaal zie ik hoe Gods goedheid ons tot inkeer brengt (Rom. 2:4). Ik zie ook hoe belangrijk het is dat de waarheid wordt uitgesproken in beschadigde levens. Maar dat is natuurlijk niet gemakkelijk. De waarheid die we onder ogen moeten zien om vrij te worden, is soms zo beangstigend dat die, ook voor onszelf, diep verborgen ligt onder denkpatronen, gedragspatronen of zelfs ziektes. Soms zijn het ervaringen die nooit onder woorden gebracht zijn omdat we nog niet konden praten of omdat het te gek voor woorden was. Wie mag onze wonden zien, aanraken en in het licht van Christus brengen?
Een jonge vrouw vertelt aan twee gebedsmaaatjes over haar leven vol dwanggedachten en dwanghandelingen. Dan gaan ze in gebed en zijn ze stil. Ineens schrikt de vrouw op. In gedachten ziet ze haar moeder.
Moeder gooit een kopje terug dat zij, zes jaar oud, net heeft afgewassen en zegt boos: ‘Dat is niet schoon!’ Moeder was altijd moe en teleurgesteld. ’Jij hebt maar een leuk leven,’ zei ze als het meisje met verhalen thuiskwam. Het kind kon haar moeder niet gelukkig maken. Ook nu kan ze haar man en kinderen niet gelukkig maken. Tegelijk legt een innerlijke slavendrijver de zweep over haar leven. Als de volwassen vrouw zich dat realiseert, komen de tranen en de boosheid. En het schuldgevoel: want hoe kan ze nu boos zijn op haar moeder die het zo moeilijk had?
Soms begrijpen mensen best waar het in hun levensverhaal fout is gegaan. Ze herkennen hun ongezonde gedrag en leren met moeite nieuw gedrag aan. Een ontmoeting met God zelf gaat zelfs nog dieper dan nieuw aangeleerd gedrag. En zoals we in alles in de gemeente op elkaar aangewezen zijn, zo kunnen we elkaar hier ook helpen door samen de Heer te zoeken.
Jezus Christus blijft dezelfde gisteren, vandaag en in alle eeuwigheid (Hebr. 13:8). Hij was er toen het kopje terug werd gegooid. Hij kan het moment weer terugroepen en het meisje, dat nu een vrouw is, helpen er een ander verhaal bij te schrijven. Dan is het niet langer het verhaal van het kind dat het fout deed, maar misschien het verhaal van de moeder die het moeilijk had en haar meisje tekort deed. In dat verhaal is God erbij. In de gemeente kunnen we elkaar helpen door dit verhaal samen in gebed bij God neer te leggen. Waar twee of drie in zijn naam bidden, komt Hij heel dichtbij.
Verantwoordelijkheid
Bart heeft een ellendige jeugd gehad. Zijn ouders scheidden en hij werd een paar keer aan zijn knie geopereerd. Hij onderdrukt later de angst en de pijn van zijn jeugd met alcohol. Die vriend wordt een vijand. ‘Maar,’ zegt Bart, ‘de alcohol is niet het probleem. Mijn ouders en mijn knie zijn het probleem.’ Aan dat probleem kan hij niets meer doen. En dus drinkt hij door en verwoest hij zichzelf en zijn gezin.
Jezus vraagt aan Bartimeüs: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ (Marc. 10:51). Wil hij echt beter worden? Waarschijnlijk zal Bartimeüs dan op een heel andere manier in zijn onderhoud moeten leren voorzien. Veranderen is eng. Bartimeüs verwoordt zijn verlangen (‘Zorg dat ik weer kan zien’) en daarbij het geloof dat Jezus Hem kan láten zien.
Naast het durven benoemen van de waarheid is het ook belangrijk dat beschadigde mensen verantwoordelijkheid durven nemen in hun leven. Iemand met psychische problemen heeft vaak de steun en het geloof van anderen hard nodig. Maar hij zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor zijn handelen en denken. Hij zal de waarheid onder ogen moeten zien en wat fout is, fout noemen. Ook in zijn eigen handelen. Want slachtoffers worden zomaar daders… Het is opvallend hoe mensen veranderen als ze hardop verantwoordelijkheid nemen voor hun gedrag en uit horen speken dat God het vergeeft.
Vergeving
Na waarheid en verantwoordelijkheid noem ik ten slotte nog vergeving. Daarmee doorbreek je de stroom waarin het slachtoffer dader wordt en nieuwe slachtoffers maakt, die mogelijk ook weer dader worden. ‘Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen,’ schrijft Jakobus (5:16). Het is ongelofelijk dat wij elkaar vergeving aan mogen zeggen op grond van het evangelie ( 1 Joh. 1:8,9; 2:1,2; 3:20). In vrijwel elke vorm van pastoraat is vergeving een sleutelwoord, vergeving in die zin dat we het kruis tussen het slachtoffer en de dader zetten: het oordeel is niet meer aan ons, maar aan God. Ook deze stap is niet gemakkelijk.
Annie is als kind veel gepest. Ze heeft een goede opleiding gevolgd, maar is te onzeker om er iets mee te doen. Ze trouwt en krijgt kinderen en alles gaat prima tot één van de kinderen aankondigt dat hij niet meer naar de kerk gaat. Er is zoveel kwaad in de wereld dat hij tot de conclusie is gekomen dat God óf niet bestaat óf onbetrouwbaar is.
Op dat moment knapt er iets in Annie. Huilend vertelt ze aan een vriendin dat zijzelf altijd in de kerk heeft gezeten met het gevoel: ‘Ik hoor er niet bij, ze moeten me hier niet, en God moet me ook niet.’ Als ze er eindelijk over begint te praten, houdt ze niet meer op. Ze schaamt zich dat het pesten van lang geleden nog zo’n rol speelt, terwijl ze toch zo’n leuk gezin heeft… Ze is snel emotioneel en huilt veel.
Tot haar verbazing wordt ze ook boos. Dat kent ze niet van zichzelf. Boos op de pesters, op haar ouders, die vonden dat ze het zich niet aan moest trekken, op de kerk, op God. Ze is volwassen genoeg om te merken wat er gebeurt en gelovig genoeg om te weten dat God niet omvalt door haar boosheid. Eigenlijk heeft ze nu pas echt contact met God. Dan komt ze op het punt dat ze kan vergeven. Ze gaat God zien zoals Hij echt is.
Zonder haar vriendin en zonder haar puberzoon was ze nooit verder gegroeid.
Soms is vergeven moeilijk, omdat ons wel kwaad is aangedaan, maar er geen schuldige meer is; die kan al overleden zijn. Soms lijkt het kwaad te groot om te vergeven. Soms vergeven we liever niet, omdat we dan ons excuus voor bepaald gedrag kwijtraken. Vaak is het ook gemakkelijker om boos te blijven dan het verdriet en de angst te voelen die onder die boosheid verstopt zit. Vergeving betekent niet altijd verzoening. Het is niet verstandig terug te gaan naar een broer die zijn zusje misbruikte en nog altijd vindt dat ze erom vroeg. Vergeving is de schuld en de schuldige bij God brengen en daar laten. Dat lukt vaak niet in één keer. Soms moeten we zeventig maal zeven keer zeggen: ‘God, ik geef die persoon en mijn oordeel aan U, komt U tussen ons in staan.’
Huisgezin
Hoe zou het zijn als je je kindertijd over kon doen, maar dan met het inzicht dat je nu hebt? We krijgen daarvoor de kans in de gemeente, met geestelijk leiders en een grote groep broers en zussen. In de gemeente hebben we natuurlijk zomaar de neiging onze oude patronen te herhalen. Wie vroeger nooit aandacht kreeg van vader klaagt over gebrek aan aandacht van de kerkleiding. Wie nooit nee kon zeggen loopt ook hier te hard. Toch kunnen we beginnen in een kleine, veilige groep. Daar leren we de waarheid te spreken en verantwoordelijkheid te nemen. Daar leren we wat vergeving is. Dat kan als er in die groep mensen zijn die niet bang zijn voor emoties en verhalen, mensen die naast een ander durven staan en ze bij God brengen.
Toch zijn er mensen die zo getekend blijven dat je misschien symptomen kunt bestrijden, maar de handicap blijft, tenzij er een wonder gebeurt. Ik ben ervan overtuigd dat die wonderen gebeuren! Daarom moeten we soms niet bang zijn daken te beschadigen of samenkomsten te verstoren om die ene voor God neer te leggen (Marc. 2:4) omdat God alleen weet wat hem mankeert en hoe hij genezen kan in deze of de toekomende wereld.
| Psalm 139 Hertaald door een meisje van vijftien God, U kent mij, U weet alles van me, U weet alles wat ik heb gedaan. U kent mijn plannen voor de toekomst. Ook al ga ik om met slechte mensen, Ook al doe ik zelf slechte dingen, U ziet het. U grijpt zelfs in. Als ik bang ben, voor de dood bijvoorbeeld, Als ik helemaal alleen ben, God is er. Als ik dingen doe die slecht zijn, God vindt mij niet slecht, Maar Hij laat wel zien wat er niet klopt. Zoals ik van mijn moeder houd, En een hekel heb aan mensen Die haar kwaad willen doen, Zo heb ik een hekel aan mensen die slecht over God praten of die raar kijken als het over God gaat. God, kom dicht bij mij met uw licht Laat me zien wie ik ben en welke mensen en wat goed voor mij is. Help me zo te leven als mijn leven bedoeld is. |
| Eer uw vader en uw moeder Jeannette Westerkamp Nu U mij roept ten leven ontsla ik van hun plicht de ouders, mij gegeven. Ik leef nu in Uw licht. Nu ik tot U nader, laat ik mijn ouders vrij. U bent mijn God, mijn Vader, mijn Moeder allebei. Wat zij van mij verwachtten en wat ik van hen vroeg het werden boze machten, maar U bent ons genoeg. Zo zal ik ze eren. Ik krijg ze van U weer. Help ons in liefde leren, want U alleen bent Heer. |