Gedicht

2013-11-01
  • Jaargang 57
  • nummer 21
Men heeft zijn das de broekband ingestoken.
Hij glimlacht op pantoffels, schuifelt langs de wand.
Hij streelt de stalen klink, voelt met zijn vale hand
de deur op slot. Straks wordt er ingebroken.

Hij wacht, want dat is met hem afgesproken.
Zijn plaats is in de hoek, vlakbij de plastic plant.
Hij weigert de tablet, hier zit hij voor het vaderland
op wacht. Hij weet, straks wordt er ingebroken.

Dan voelen de bewoners aarde trillen.
Vrachtwagens komen aan, of zijn het bussen?
Dit is verzet! Hij roept zijn wapenbroeder,
hij hoort zijn naam. Wat zou hij anders willen
dan nu naar buiten gaan, de zuster kussen,
en dan de stad in, thee drinken bij zijn moeder?

Maarten van Aes

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief