De Levende die mij ziet

2014-01-25
  • Jaargang 58
  • nummer 2
Als je Hagar ziet, voel je dan ook die mengeling van sympathie én afkeer? Ze is een underdog, weggepest door haar jaloerse meesteres, moederziel alleen in de woestijn. Dat maakt haar sympathiek. Maar ze is ook de zwangere vrouw die vervelend doet tegen Saraï. Haar meesteres is onvruchtbaar, zij niet.
Hagar kwam uit Egypte. Haar naam heeft te maken met ‘migrante zijn’. Waarschijnlijk werd ze door Abram en Saraï meegenomen uit Egypte – na het avontuur dat ze daar beleefden met de farao – als lijfeigene van Saraï.

Pijnlijk
Saraï was een kinderloze vrouw. En geen kinderen betekende dat de ‘ketting’ die jouw voorouders verbond met je nageslacht zou breken. Bij jouw ‘schakeltje’ stopte het. En dus komt Saraï in actie.
Ongebruikelijk was Saraï’s maatregel niet in die tijd. Let op de formulering: ‘misschien zal ik uit haar gebouwd worden’ (Genesis 16:2, NBG). ‘Gebouwd worden’ wil zeggen: een zoon krijgen. Het Hebreeuwse ‘bana’ (bouwen) is verwant aan ‘ben’ (zoon). Saraï zelf zegt tot Abram: ga toch tot mijn slavin. ‘Mijn slavin’, want de naam Hagar krijgt ze niet over haar lippen.

Hagar raakt zwanger en dat laat ze haar meesteres pijnlijk merken (vers 5). Woedend doet Saraï haar beklag bij Abram. Maar Abram trekt zijn handen ervanaf. ‘Het is jouw slavin, doe met haar wat jou goeddunkt’ (vers 6, NBV). Saraï laat Hagar dan merken dat zij de baas is en vernedert haar slavin. Wat ze precies deed, weten we niet, maar we weten wel dat Hagar het niet meer uithield. Ze vlucht. Einde van de eerste episode.

Misère
We zoomen nog eens in op de drie personen in de tent van Abram. Saraï mokt: ‘De HERE heeft me niet vergund te baren.’ Ze kiest haar eigen weg. Hagar, de mindere, voelt zich de meerdere zodra ze een zoon heeft en veracht Saraï. Abram reageert passief en lijkt onverschillig als hij tegen Saraï zegt: doe maar met haar wat je wilt.
Je vraagt je af waar God is. We lezen in die eerste zes verzen niets over het luisteren naar de stem van God.
En Hagar? Die vlucht de woestijn in. Ze is de migrante, de vluchtelinge, met alle misère van dien. Ver van huis. ‘Waar is God?’ heeft ze misschien wel gedacht in haar wanhoop.

God hoort
Juist in dat spoor van Hagar, die migrante, merk je hoe God de Aanwezige is en blijft. Psalm 139: ‘Waar vlucht ik voor uw aangezicht? Al steeg ik op in ’t hemels licht, al daald’ ik tot de doden af. Gij zult er zijn, zelfs in het graf.’ God zoekt haar op, een door en door ontredderde vrouw in de hitte van de woestijn. En let er dan op hoe mooi de HEER haar via zijn engel aanspreekt: ‘Hagar, waar kom je vandaan? En waar ga je heen?’ Het is net als bij de eerste mens die toegesproken werd door God: ‘Adam, waar ben je?’ God hoort en ziet ons en roept ons bij onze naam.
En dan volgen er beloften, zoals eens gedaan aan Saraï, van een rijk nageslacht dat niet te tellen is. Ze is zwanger en zal een zoon baren die ze Ismaël moet noemen: God hoort. Een naam met een belofte. God heeft haar ellende opgemerkt.

Moslims?
Er wordt ook een typering gegeven van het karakter van Ismaël. Hij zal ‘een wilde ezel van een mens’ zijn. Dat klinkt onvriendelijk. Velen hebben daarbij gedacht aan moslims. Zij zijn toch ‘kinderen van Ismaël’? Het vers is gebruikt om over moslims te spreken als mensen van de woestijn(mentaliteit), vechtersbazen (bonkige ezels) met onaangepast gedrag en een de-beuk-erin-mentaliteit. En natuurlijk als de vijanden van Israël…
Er is wel een probleem bij die redenering. De meeste moslims zijn helemaal geen nazaten van Ismaël. Van alle moslims is slechts 20 tot 25 procent Arabier. De meeste moslims zijn Aziaat, Indonesiër, Iraniër... En als het gaat om Arabieren, moeten we niet vergeten dat velen van hen geen moslim maar christen zijn.
Daarbij komt dat dit beeld van de ‘wilde ezel’ voor bedoeïenen in de woestijn juist een positieve lading heeft. Die wilde ezel is de ‘onager’, een dier dat vrij rondloopt. Het is sterk, onafhankelijk en ontembaar. Dat beeld moet Hagar diep aangesproken hebben, als een slavin zonder zelfbeschikking.

Zien
Hagar wordt door de engel teruggestuurd naar haar meesteres om zich te schikken in haar lot. Maar wel met dat vergezicht dat haar zoon een vrij man zal zijn, ontembaar, sterk en onafhankelijk – eigenschappen die onder bedoeïenen zeer gewaardeerd worden.
Hagar is zo geraakt dat zij God een naam geeft: God des aanziens. Het woordje ‘zien’ komt hier in dit gedeelte wel vier keer voor. Verrast roept ze uit (letterlijk): ‘Gij, God die ziet!’ Hoe is het mogelijk dat U mij op het spoor bent gekomen? Dat U naar mij, een door mensen verachte vluchtelinge in de woestijn, omziet? Dat U mij niet aan mijn lot overlaat? God hoort, God ziet. Dat is zijn naam, de God van het zien.
Ook de put krijgt een naam: Lachai-Roï. Dat betekent: de Levende die mij ziet, die naar mij omziet en die voorziet in wat nodig is.

Ga je hierdoor anders kijken naar de Hagars (migranten) die onder ons hun plekje hebben? Mensen zoals wij, ook al zijn ze uit een andere cultuur afkomstig en hebben velen een ander geloof dan wij. Zien wij hen, die vluchtelingen, ontheemden en vreemdelingen? Zien wij naar hen om zoals God omzag naar Hagar? Kijk je met de ogen van Jezus? Zoals onze Heiland de menigte zag, met ontferming bewogen? Zie jij wat Hij ziet?

Herman Takken is werkzaam bij stichting Evangelie & Moslims en lid van OASE, de Arabische-Nederlandse ICF-gemeente in Amersfoort.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief