Dwalen in het land van de zelfgekozen dood

2014-06-14
  • Jaargang 58
  • nummer 12
Het thema zelfdoding gaat gebukt onder de last van vele, complexe gevoelens en heel veel verlegenheid, bij betrokkenen en bij hun omgeving. Nog altijd heeft het onderwerp niet uit de taboesfeer weten te geraken. Wel zijn er de afgelopen jaren een paar waardevolle boeken over verschenen. Freddy Gerkema gidst erdoorheen. Door dat verdrietige land van de zelfgekozen dood.


Hou
me
vast

Hou me vast
Je bent zijn vader
hou me vast
En laat je warmte
aan me weten
dat ik leef
dat hij nog leeft
Hier
in ons omhelzen
Dat hij geleefd heeft
nooit verdwijnen zal
uit ons omhelzen
Hou me vast

Conny


Dicht
bij jou

Bij jou
Zo dichtbij
dichtbij je lichaam
bij je dood
Te dichtbij
voor woorden
Hou me vast
in de schok
die ons splijt
in de schok
die ons verbindt

Dirk




‘Zelfdoding is het stiefkindje van de psychiatrie.’ Zomaar een bericht in het Nederlands Dagblad van 22 mei. Twee Nederlandse hoogleraren psychiatrie pleitten in een Brits tijdschrift voor meer onderzoek naar de mechanismen die leiden tot zelfmoordneigingen.
‘Zelfmoord wordt vaak beschouwd als een symptoom van stoornissen als autisme, verslaving of depressie. Maar soms is het ook het gevolg van een stoornis. Bijvoorbeeld omdat mensen niet nog eens zo’n depressieve episode willen doormaken.’ Twee dagen later staat er in een bijlage van Trouw een indringend interview met een vrouw, Christine Hetebrij, die op 30 mei 2012 haar man verloor door zelfdoding. Niemand had het zien aankomen, alleen de machinist van de trein. En dat na 36 jaar in harmonie met vrouw en kinderen en vele anderen te hebben geleefd.
Het was ook nog eens een dag voordat Christines enige broer gecremeerd werd, nadat die zich in die week eveneens van het leven had beroofd. ‘Wie kent de ander werkelijk’, vraagt ze zich in dat interview af. Maar ook: durf je met vragen zonder antwoord te leven?
Ze citeert een prachtzin van de dichter Rilke: ‘Als je de vragen leeft, leef je wellicht ooit, per ongeluk, het antwoord in.’ Voor haar is alles anders na die 30e mei. Ze voelt zich als Job. ‘Alles is me afgenomen.’ En toch gaat het ook weer verder. ‘Deels moet je jezelf herontdekken’, zegt ze. En ze merkte gaandeweg dit jaar ‘dat het leven je toch weer meeneemt’.
De lijdensweek kreeg voor haar een diepere dimensie. Ze stond meer stil bij de betekenis van dood en opstanding.
En terugblikkend op die vreselijke dag zegt ze: ‘De hoogste vorm van houden van is het ultieme nee van de ander te accepteren.’ Veel bijzondere gedachten op twee pagina’s krant.
Het kwam ongetwijfeld door de lezing van Leven met zelfdoding (het boek dat de aanleiding vormt voor dit themanummer en waarvan u op pagina 18-19 een impressie vindt) dat mijn oog op deze beide krantenartikelen viel en dat ik ze vervolgens met meer dan gewone aandacht las. In die twee pagina’s interview proef je hoe extra bitter het afscheid door zelfdoding is.
Wat een eenzaamheid en radeloosheid voelt iemand die de dood verkiest boven het leven. En de achterblijvers delen op hun wijze in dat eenzame en radeloze. De kille cijfers zijn daarbij verontrustend: het aantal zelfdodingen in Nederland is de laatste jaren gestegen tot boven de 1500 per jaar.

Stolp
Het boek Leven met zelfdoding is niet het enige boek dat recent over dit thema verscheen. Vorig jaar kwam in de serie ‘Wat ... met je doet’ een boek uit over suïcidaliteit, geschreven door Henrike Rebel (werkzaam bij de CHE, zoals meer auteurs die aan deze serie meewerken).
In de vijf ervaringsverhalen waar dit boek mee opent, trof me vooral de onmacht die je voelt als iemand die je lief is steeds onbereikbaarder wordt.
Een mens onder de stolp van depressiviteit of een psychotische stoornis ervaart niet meer de liefde en aandacht van mensen, of van God. ‘We leefden letterlijk in twee werelden, we zaten allebei in ons eigen isolement’, zegt een man over zijn suïcidale vrouw.
Na zelfdoding komt die onmacht terug in het grote verdriet van de nabestaanden, die achterblijven met veel onbeantwoorde vragen en een wirwar aan gevoelens. Er is boosheid richting de gestorvene: hoe kon de ander je zo bruut achterlaten? Maar er is ook de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen en wat de rol van de achterblijvers daarin was. Hadden we toch niet meer moeten doen? Hadden we beter moeten opletten? Hadden we niet weg moeten gaan? Schuldgevoelens spelen hier een grote rol, net als schaamte.
Voor kinderen spelen zulke gevoelens van onmacht op een heel eigen manier.
Zeker vroeger, toen ze zo veel mogelijk buiten de problematiek werden gehouden en soms ook de ware toedracht niet te horen kregen.
In het zoeken van een weg om verder te gaan, trof me de verlegenheid die altijd aan het gesprek rond de dood kleeft, maar die bij zelfdoding nog zoveel groter is. Want wat moet je zeggen als je mensen met zo’n schokkend verdriet tegenkomt?
Soms is er ook in de kring van het gezin of de familie (allemaal verliezers) onmacht om goed over het gebeurde door te praten. Dan verzandt dat in onbegrip of een sfeer van verwijten.
Zo zijn er meer factoren die mensen onzeker maken. Bijvoorbeeld de vraag in hoeverre er erfelijke factoren in het geding zijn.

De kille cijfers zijn verontrustend: het aantal zelfdodingen in Nederland is de laatste jaren gestegen tot boven de 1500 per jaar

Niet dat zelfdoding erfelijk is, maar de psychiatrische problematiek kan dat wel zijn. En welke rol speelden de omstandigheden binnen de familie of het gezin? En wat te denken van de vraag of zelfdoding de drempel voor een ander lager maakt?
Alleen al die eerste vijf interviews in het boek van Rebel geven veel inzicht in de complexiteit van zelfdoding.
Het vervolg van het boek is meer analytisch, waarbij de oorzaken van zelfdoding in twee hoofdcategorieën worden opgedeeld: psychiatrische aandoeningen (zoals depressiviteit en schizofrenie) en moeilijke omstandigheden, waarbij relationele of financiële problemen iemand boven het hoofd groeien. Scherp, maar misschien wat te clean, schrijft Rebel bij de tweede categorie dat ‘suïcidale mensen slechte probleemoplossers zijn’.
Rebel gaat in de hoofdstukken die volgen in op de achtergronden en oorzaken van suïcidaal gedrag en factoren die daar een negatieve of juist beschermende invloed op hebben. Met, zoals gezegd, de harde cijfers.
In het vanuit christelijk perspectief geschreven boek ontbreken de geloofsvragen en bijbels-ethische overwegingen niet. Verder biedt het handvatten voor pastoraat. Daarover later in dit artikel meer.

Rouwlandschap
Tot de binnenste cirkel van verliezers bij zelfdoding behoren bijna altijd ook kinderen. Riet Fiddelaers-Jaspers schreef in 2013 een boek over ondersteuning aan kinderen en jongeren na zelfdoding in hun omgeving, met de hartverscheurende titel Kon je dan niet blijven voor mij? In het boek vind je treffende citaten, vaak van jongeren en kinderen, die worden afgewisseld met meer beschouwende gedeelten.
Een eerste gedachte bij zo’n boek kan zijn in hoeverre zelfdoding voor kinderen en jongeren anders is dan voor volwassenen. Bij zelfdoding delen kinderen toch samen met de volwassenen de schokkende werkelijkheid van dat gebeuren? En dan niet alleen in de week van dood en begrafenis/crematie, maar ook in de vaak moeilijke periode die voorafging aan een zelfdoding en in de tijd daarna. Maar hoewel dat alles inderdaad wordt gedeeld, laat het boek zien hoe eigen de beleving van kinderen en jongeren is. ‘Ieder kind en iedere jongere heeft zijn eigen rouwlandschap’, zo las ik ergens.

Hoewel de openheid is gegroeid, is de taboesfeer rond zelfdoding niet verdwenen

Heel goed vind ik dat Fiddelaers-Jaspers in haar boek pleit voor openheid richting kinderen en jongeren.
Vaak willen volwassenen hun kinderen details besparen, en soms zelfs het feit dat het om zelfdoding ging. Maar die ‘beschermende’ aanpak werkt meestal negatief uit. Kinderen voelen vaak wel aan dat er iets bijzonders aan de hand is of horen de werkelijke toedracht en details via-via. Het zal zeker zo zijn dat elke leeftijd en ook elk kind om een eigen benadering vraagt, maar openheid blijft een sleutelwoord.
Fiddelaers-Jaspers wijst verder op de grote rol van internet bij zelfdoding.
Zowel voor de jongere die met suïcidale gedachten leeft als voor kinderen en jongeren die achterblijven. Het is goed om als volwassene met die wereldwijde realiteit te rekenen.
Ten slotte trof me in dit boek dat in het spoor van het verlies door zelfdoding zoveel meer verliezen worden geleden.
Verliezen die niet alleen door volwassenen maar ook door kinderen gevoeld worden. Niet zelden valt een kind door de zelfdoding van een ouder uit zijn kinderrol, om maar wat te noemen.
Maar ook de zorgen over de psychische gezondheid bij de achterblijvers, de conflicten in de familie en de taboesfeer die rond zelfdoding hangt, kunnen veel extra verdriet veroorzaken.

Ondergeschoven
Het in 2012 heruitgegeven boek Loden last van psychiater Bram Bakker en journalist Bram Hulzebos heeft weer een eigen invalshoek, die in de ondertitel (‘het taboe op zelfmoord’) uitkomt. Die subtitel onderstreept de verlegenheid rond zelfdoding. Want hoewel de openheid is gegroeid, is de taboesfeer rond zelfdoding niet verdwenen.
Ook Wouter de Jonge noemt in het nawoord van het boek Leven met zelfdoding nadrukkelijk het taboe als reden om met dat boek te komen. Want taboe betekent isolement en als er iets heilzaam is in het land van de zelfdoding dan is het wel de doorbreking van dat isolement. Dat is voor de samenleving in brede zin belangrijk, maar in het bijzonder ook voor de kerk en de hulpverlening.
Bakker en Hulzebos stellen in hun boek dat in de professionele hulpverlening ‘suïcide nog steeds een ondergeschoven kindje is’ en typeren ‘de hulp en begeleiding van nabestaanden als een restpost op de hulpverleningsbalans’.
Dat raakt dus het bericht uit het ND, waar ik dit artikel mee begon.
Pijnlijk zijn de voorvallen die in het boek beschreven worden, waarbij de samenhang in de hulpverlening ver te zoeken is. Je zou sommige hulpverleners een pastorale training gunnen, gezien hun botheid richting patiënten en families. Dat helpt in ieder geval niet om de taboesfeer te doorbreken. Al zal er over de professionele hulpverlening meer te zeggen zijn dan wat je in dit boek tegenkomt.

Ontkoppeling
Ik sluit af met een paar overwegingen bij de betekenis van Bijbel, geloof en gemeente als het gaat om zelfdoding.
Wat vind je in de Bijbel over zelfdoding, wat betekent je geloof en wat kan de gemeente doen rond dit eenzame sterven?
Henrike Rebel signaleert in haar boek (net als eerdere scribenten uit orthodoxe kring) dat je in de Bijbel weliswaar een aantal gevallen van zelfdoding tegenkomt (onder anderen Saul en Judas), maar dat dat gepaard gaat met opvallend weinig ethisch commentaar. Van meer gewicht lijkt haar de grote lijn van het Evangelie: dat God ons het leven heeft gegeven en het ons in Christus hergeeft. De bijbelse aanwijzingen en geboden staan dan ook in één richting: het is niet aan een mens om het leven van een ander te nemen (Genesis 9). Er is geen reden om te denken dat dat bij het eigen leven anders is.
Hiermee zit Rebel in het spoor van de oudere lectuur uit orthodoxe kring (Douma, Draijer). Dat is gelukkig ook het geval als het gaat om de ontkoppeling van de vragen van eeuwig heil en onheil en de zelfgekozen dood. God ziet het hart en het leven van een mens aan. ‘Het is beter te vallen in de hand van God, dan in die van mensen’, zei David al.

Karakteristiek
In de christelijk kerk van voorbije eeuwen is vaak erg streng gereageerd op zelfdoding. Een gebruikelijke christelijke begrafenis zat er niet in, al waren er ook altijd mensen die er oog voor hadden ‘dat het verstand van een mens verduisterd kan worden’.
De inzichten die in de loop van de vorige eeuw voortkwamen uit de sociologie, psychologie en psychiatrie hebben onder meer de ogen geopend voor de grote nood rond zelfdoding.
Mede daardoor is ook in de christelijke gemeente de benadering veranderd.
Waar in voorbije eeuwen bij zelfdoding het accent lag op zonde, schuld en oordeel is nu veel meer aandacht voor de nood, zowel in oorzaak als gevolgen.
Dat heeft een sfeer van barmhartigheid gebracht die vaak ontbrak in de kerk en misschien nog weleens gemist wordt.

De ogen van de christelijke gemeente zijn te lang gesloten bleven voor de nood rond zelfdoding

Zo’n impuls van buiten is natuurlijk mooi. Maar het is ook wel pijnlijk, omdat ik de aandacht voor de nood van een mens juist zo karakteristiek vind voor het Evangelie. Jezus gaat ons daarin voor, rondtrekkend door Galilea en Judea.
Het is waar dat de opening van het Evangelie (Matteüs 1) ons brengt bij de verlossing van de eerste oorzaak van onze menselijke nood, de zonde (‘want hij is het die zijn volk zal verlossen van zijn zonden’), maar daarna valt des te meer op dat Jezus’ aandacht helemaal uitgaat naar ziekte, dood en isolement, stuk voor stuk gevolgen van de zonde.
En dat alles gaat vooraf aan zijn onnavolgbare lijden, waarin hij de zonde van de wereld wegdraagt.
Met deze opvallende trek in het Evangelie heeft de kerk te weinig gedaan, zodat de ogen van de christelijke gemeente te lang gesloten bleven voor de nood rond zelfdoding.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK
Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.









Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief