Wanneer alleen Gods adem rest

2014-06-14
  • Jaargang 58
  • nummer 12
Het citaat waar dit artikel mee begon, komt uit de brief die Margriet Helder schreef voor het boek Leven met zelfdoding, een verzameling van zestig brieven van mensen die een geliefde door zelfdoding verloren (zie het kader). Voor Margriet was het voor het eerst in 32 jaar tijd dat ze openlijk over de zelfdoding van haar broer sprak.
Op een doordeweekse avond in mei praat ze er bij haar thuis in Alphen aan den Rijn over door, samen met echtgenoot Jaap. Op tafel staat een portretfoto van Roel. ‘Hij zou dit jaar 55 zijn geworden’, zegt Margriet.
‘Maar hij werd 22.’

Scherven
Margriet is logopediste in het speciaal onderwijs, Jaap bouwt industriële ovens. Ze kennen elkaar al sinds ze samen op de jeugdvereniging van de NGK Alphen aan den Rijn zaten. Jaap is geboren Amsterdammer, maar verhuisde als jonge tiener naar Alphen.
Margriet arriveerde een paar jaar later, na in Groningen te zijn geboren en daarna in Amstelveen en een paar jaar in de Verenigde Staten te hebben gewoond vanwege het werk van haar vader.
Toen Roel overleed, hadden Margriet en Jaap al een relatie. Jaap was bovendien goed bevriend met Roel. ‘We praatten veel over kunst, toneel, theater’, zegt hij. ‘Hij was heel kunstzinnig en kon geweldig tekenen. Altijd somber, maar heel mooi.’ Roels dood had een enorme impact.
Het brak in zekere zin hun levens, en liet scherven achter waar ze zich nu nog aan kunnen snijden. Vandaar dat het, ook na 32 jaar, zo moeilijk blijft om erover te praten.
‘Ik heb zorgvuldig muren om zijn dood gemetseld’, zegt Margriet.
‘Vooral om de beelden die ik heb. Ik heb hem gevonden, het touw doorgeknipt en hem proberen te reanimeren.
Dat beeld, daar bouw ik muren omheen. Je kunt je dagelijks leven er niet altijd door laten beïnvloeden. Jij moet
door.’

Taboe
Al vanaf het begin ondervonden Margriet en Jaap hoe moeilijk het is om dit verdriet ter sprake te brengen en met anderen te delen. In het bijzonder binnen de kerk, waar het ook gezien de bijbelse vragen rond dit onderwerp ‘een heel lastig verhaal is’, zo meent Jaap. ‘Roel werd in een hele kleine, besloten kring begraven. Was dat niet ook uit een soort schaamtegevoel?
Je sprak er niet over. Niemand wist hoe die ermee om moest gaan. Het was taboe. Het werd bijna niet geaccepteerd.’ ‘Ja, het was taboe’, zegt Margriet.
‘Maar dat kwam zeer zeker ook doordat ik er zelf niet veel over praatte.
Ik had simpelweg niet het idee dat iemand kon begrijpen wat ik doormaakte.
Ik dacht: “Jij snapt toch niet hoe ik me voel.” Ik heb er daarom bewust voor gekozen om het besloten te houden. Wel heb ik er met mijn ouders over gepraat. Die waren heel bezorgd over mij. En ik had natuurlijk Jaap...’ ‘Maar heeft de dominee er in die tijd ooit met je over gepraat?’ vraagt Jaap.
‘Of andere mensen uit de kerk? Hebben die er ooit naar gevraagd?’ ‘Nee. Maar ligt dat aan hen of aan mij?’ ‘Als je broer aan kanker overleden zou zijn, zouden ze je wel aangesproken hebben’, meent Jaap.
‘Ja,’ zegt Margriet, ‘maar dan hadden ze kunnen zeggen: “Mijn oom of tante is ook aan kanker overleden...” Zo is het toch?’ Gevraagd of er in 32 jaar tijd veel veranderd is, moet Jaap bekennen dat het voor hem nog altijd een taboe is.
‘Toen ik op mijn werk vrijnam voor de boekpresentatie van Leven met zelfdoding, had ik echt moeite om aan mijn collega’s te vertellen waar ik naartoe ging’, zegt hij. ‘Het is makkelijker om te vertellen dat je vrouw een brief heeft geschreven over haar moeder die aan hartfalen is overleden.
Maar nu moest ik zeggen: mijn zwager heeft zelfmoord gepleegd.
Dan valt de boel helemaal stil. Mensen hebben daar veel moeite mee. Als je moeder overleden is, kunnen ze reageren met: “Och, wat vervelend, hoe gaat het met je?” Maar als je zegt dat je zwager zich heeft opgehangen, is het in één keer, bam, stil.’ Het blijft dan ook een heftig en lastig onderwerp, denkt Jaap. Binnen families, binnen de kerk en binnen de maatschappij. Terwijl een thema als euthanasie breed uitgemeten wordt in boeken en artikelen, wordt er over zelfdoding vooral gezwegen.

‘Ik merk dat mijn verdriet en boosheid me extra gevoelig hebben gemaakt voor pijn en leed, ook bij anderen’

‘Er is altijd een barrière. Van jou uit en van de andere mensen uit. Dus ik denk ook niet dat je van een kerklid moet verwachten dat die hierover kan praten.’ ‘Dat heb ik ook nooit verwacht’, haakt Margriet aan. ‘Je krijgt toch meestal een schrikreactie als je het vertelt.
Hoe zou een ander zich ook kunnen voorstellen hoe moeilijk het is?’ Jaap: ‘Het heeft daarom denk ik geen zin om te zeggen: er moet meer over gepraat worden. Dat ga je niet redden.
Wat wél helpt, is dit’, zegt hij, terwijl hij zijn vrouw een stevige klop op de schouder geeft.
Dat is ook Margriets ervaring. En gelukkig ervaart ze die kleine bemoedigingen regelmatig in hun NGKgemeente in Alphen, een gemeente waar ze vanaf hun tienertijd lief en leed doorgemaakt hebben. ‘Ik schiet vaak vol bij een mooi lied of een tekst uit de Bijbel. Het is heel fijn dat ik dan gewoon kan huilen, zonder dat iedereen er direct bovenop springt en vraagt wat er aan de hand is. Soms krijg ik een aai – meer is ook niet nodig. En soms zegt iemand dat als ik erover wil doorpraten, dat diegene er dan voor me is of langs kan komen.
Dat geeft mij de vrijheid om er wel of niet op door te gaan.’ ‘In deze gemeente werden we verliefd, deden we samen belijdenis, moesten we mijn broer begraven, trouwden we en doopten we onze kinderen. Dat heeft mij,
achteraf gezien, altijd een sterke verankering gegeven. Ik kan hier gewoon mezelf zijn.’

Gaten
De dood van Roel heeft Margriet voorgoed veranderd. Haar man Jaap heeft dat heel duidelijk ervaren. ‘Voor Roels dood was je oppervlakkiger.
Dat bedoel ik niet op een verkeerde manier, maar sinds zijn dood ben je veel intensiever met leed bezig. Ieder klein ding trek je je zeer aan.’ ‘Dat klinkt alsof ik alles op mijn schouders wil nemen’, zegt Margriet.
‘Nee, zo bedoel ik het niet’, zegt Jaap.
‘Je bent veel troostender geworden.
Je gaat anders met de dingen om. Het heeft simpelweg enorm bepaald hoe je denkt.’ ‘Ja, het klopt dat mijn verdriet en boosheid me extra gevoelig hebben gemaakt voor pijn en leed, ook bij anderen’, zegt Margriet. ‘Leed maakt gaten in de muren die ik gebouwd heb. Dat maakt me kwetsbaar en gevoelig.
En dat laat ik ook toe. Ik wil zo intens met mijn leven omgaan.
Mijn moeder had dat ook, zij was ook heel intensief gericht op het leed van anderen. Ik wil er zijn voor anderen.’ ‘Maar je eigen verdriet laat je niet snel zien...’ zegt Jaap.
‘Maar dat komt omdat ik, wanneer ik over de zelfdood van mijn broer praat, ook moet vertellen hoe het gebeurd is. En dat beeld wil ik niet doorgeven. Het zou mensen kunnen choqueren. Mezelf kan ik daar niet tegen beschermen, maar anderen wel’, zegt Margriet. ‘En misschien is het ook wel omdat ik mijn broer probeer te beschermen.
Margriets familie merkte vroeger wel op dat ze haar verdriet te veel oppotte en dat ze er met iemand over zou moeten praten. Maar ze komt zelf hoe langer hoe meer tot het besef dat ze wel degelijk goed is omgegaan met de situatie. ‘Toen ik de brief schreef, merkte ik dat zeer’, zegt ze. ‘Dit is niet iets wat verwerkt hoeft of kan worden.
Dit is niet iets waar je op een gegeven moment op uitgekauwd raakt en dan ben je er klaar mee. Het blijft in mijn
leven, maar het heeft een plek gekregen.’

Achterhoofd
Ook in haar geloofsleven is Margriet sterk veranderd. ‘Ik verlang nu bijvoorbeeld intens naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en dat had ik daarvoor niet zo’, vertelt ze.
‘Sommige mensen vinden het raar.
Je hebt hier toch een mooi leven, en nog zo veel om voor te leven? Maar ik heb altijd een behoefte aan de voleinding.
Ik verlang naar een leven zonder pijn, ziekte en moeite.’ Tegelijkertijd heeft Margriet hevig geworsteld met diezelfde God die eens alles nieuw zal maken. ‘God heeft mijn broer niet beter kunnen maken. Daar zat mijn grootste geloofsstrijd.
Mijn broer voelde zich zo Godverlaten en zo slecht, dat hij dacht dat hij het niet verdiende om te leven. En mijn gebed dat hij beter zou worden, werd niet verhoord.’ ‘De grootste moeilijkheid in mijn leven werd daarna dan ook dat ik niet meer vertrouwde op gebedsverhoring, voor wat dan ook’, vervolgt Margriet. ‘Ik bad wel, maar altijd met in mijn achterhoofd: het zal wel niet zo mogen zijn... En nog steeds bid ik niet veel. Ik ben veel stil. En hoop dan dat dat ook wat oplevert.’

‘Ik bad wel, maar altijd met in mijn achterhoofd: het zal wel niet zo mogen zijn...’

Pas werd er in de gemeente in Alphen gepreekt over ‘verlangend bidden’, met als strekking dat het erom gaat met welke reden je bidt: of je bidt voor iets ten dienste van God of voor iets voor jezelf. ‘Ik ben heel veel bezig geweest met die preek’, zegt Margriet. ‘Alles komt dan weer boven. Mocht ik dan niet bidden?
Of heb ik verkeerd gebeden? Mijn broers leven had uiteindelijk toch ook ten dienste van God kunnen staan? Wie weet wat voor evangelist hij had kunnen worden?’ Naast die gebedsonzekerheid is ook de onzekerheid over waar haar broer nu is iets wat Margriet bedrukt.
‘Soms hoor je van die prachtige verhalen van mensen die met een gelukzalige blik gestorven zijn. Mijn broer had een zeer ontevreden gelaatsuitdrukking.
Ik weet niet of hij nu in de hemel is, of hij gered is. Ik weet het echt niet. De katholieken hebben een apart plekje
voor mensen als hij...’

Doorademen
Margriet vindt het moeilijk om anderen die met zelfdoding te maken hebben iets vanuit haar ervaring mee te geven. ‘Ik vond het eerst ook heel raar om voor Leven met zelfdoding een brief te schrijven aan iemand die dit proces moet ingaan.
Ik weet niet of ik 32 jaar geleden, of zelfs na een aantal jaren, zo’n boek opgepakt zou hebben. En ook nu heb ik nog maar een paar brieven gelezen. Maar het was heel mooi wat Jacobine Geel bij het ontvangen van het eerste exemplaar zei: “Al is er maar één zin in dit boek waar een nabestaande even mee verder kan, dan is het al goed.” En ik kan me voorstellen dat iemand wel zo’n zinnetje kan vinden in dit boek.’ In het geval van Margriet is de slotzin van haar brief heel waardevol.
Ze schrijft: ‘Laten we elkaar “Ruach” – Gods adem en Heilige Geest – toewensen...’ Margriet heeft altijd veel met adem gehad. ‘Tijdens mijn studie logopedie ben ik er veel mee bezig geweest.
Later ontdekte ik dat de adem van God die in het begin van de Bijbel over de aarde zweeft hetzelfde is als de “adem” die bij Pinksteren over de mensen wordt uitgestort. Het is hetzelfde woord: Ruach. Dat vind ik zo’n mooi concept.

‘Ik verlang naar een leven zonder pijn, ziekte en moeite’

De scheppende adem van God is dezelfde adem die ons helpt om door te gaan in het leven. Daarom kan ik zeggen dat ik toch een stabiel leven leid. Ik heb duidelijk kracht gekregen om “te leven met”. Ik kan letterlijk en figuurlijk blijven doorademen door de kracht van God.’ ‘Heb je ook gebeden om die kracht?’ vraagt Jaap, zich weer in het gesprek mengend.
‘Ik heb erom gezongen met liedjes van Youth for Christ’, zegt Margriet.
‘Maar dat realiseerde ik me pas toen ik de brief schreef. Ik zong vaak liedjes als Want ik ben verzekerd en ook Geef mij kracht. “Geef mij kracht, heel mijn leven Heer...”’ ‘Dus eigenlijk heb je altijd veel gebeden’, zegt Jaap. ‘En je gebed is verhoord.’ ‘Ja’, zegt Margriet. ‘Ja... dat heb je goed gezien.’

Jordi Kooiman is zelfstandig journalist en eindredacteur van Opbouw.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief