Bij het graf van zelfdoding

2014-06-14
  • Jaargang 58
  • nummer 12
Wat kun je verlangen naar het licht van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, eindelijk is het voorbij.

Een jonge vrouw maakte op de eerste dag van het nieuwe jaar een einde aan haar leven.

Een overdenking vanuit Psalm 139.


Psalm 139 is één van de teerste en liefste psalmen die ik ken. Een psalm die op een heel bijzondere manier spreekt over de wijze waarop de Here God een mens kent. De dichter ervaart het als iets onbegrijpelijks, hoe hij door God gekend is. God kent hem door en door, Hij weet alles van hem. ‘Here, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten… met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.’ God stond aan het begin van zijn leven, had hem geweven in de schoot van zijn moeder.
Maar er zit ook een andere kant aan de psalm. Want hoe goed God hem ook kent en hoe vertrouwd God ook met hem is, de dichter ervaart ook hoe hij van zijn kant God kan kwijtraken, voor God op de vlucht kan zijn en overvallen kan worden door duisternis en donkerheid. Hij ervaart dat je ten einde raad kunt zijn, radeloos van angst.
Zo vertaal ik ook vers 18. In de NBG-vertaling staat: ‘Als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U.’ Maar je kunt dat, aansluitend bij de verzen 7-12, ook heel goed vertalen met: ‘Ook als ik ten einde raad ben, als ik het niet meer
zie zitten, ben ik nog bij U.’

Donker
Je bent een parel in Gods hand. Dat is een bekend liedje van Elly en Rikkert. Je bent een parel in Gods hand. Deze jonge vrouw die zichzelf het leven benam ook. Ook zij was zo’n parel in Gods hand.
God stond aan het begin van haar leven, toen haar moeder haar droeg in haar schoot. God stond aan haar wieg met zijn geweldige beloften, toen ze werd gedoopt. God kende haar als geen ander. Hij had haar lief.
Als kind heeft ze het goed gehad. Ze heeft zich goed gevoeld en heeft genoten van het leven. Ze ging uit met haar vrienden. Ik heb de foto’s gezien van een zeilvakantie een paar jaar geleden; ze was een blije en stralende jonge vrouw.
God kende haar ook in haar ziek-zijn, toen het donker om haar heen werd. Ze was een jonge vrouw met een goed verstand, die nog een hele toekomst voor zich had, maar die ook steeds meer verstrikt raakte in zichzelf. Velen hebben geprobeerd om haar te helpen en te bemoedigen, zoals haar vrienden, die haar opzochten. Maar ze kon het niet vastpakken. De mensen wilden haar helpen, haar liefde en vriendschap geven, maar ze kon het niet aan en vervreemdde hen van zich. Toch heeft ze ook zelf ervoor gevochten, dapper en waardig gestreden. Ze wilde wel, maar zag voor zichzelf geen uitzicht, geen toekomst.
Wat de mensen om haar heen gedaan hebben, hielp misschien maar even. Toch is het van grote waarde geweest.
Denk dus niet alleen: ‘Wij hebben gefaald, waarom hebben wij haar niet kunnen helpen, haar niet kunnen vasthouden.’ Nee, wat voor haar gedaan is, is buitengewoon waardevol geweest. Haar naasten hebben iets van zichzelf aan haar gegeven, waardoor ze het zo lang heeft kunnen volhouden.

Verlichting
Waarom heeft God dit niet kunnen tegenhouden? Waar was Hij?
God wilde graag dat zij leefde. En haar moeder heeft God ook heel dicht bij haar gebracht. Zij heeft haar voortdurend laten weten: ‘Je bent waardevol in de ogen van God.
Hij houdt van je.’ Het was alsof God zelf tot haar sprak door de mond van haar moeder: ‘Je bent een parel in mijn ogen.’

‘Ook als ik ten einde raad ben, als ik het niet meer zie zitten, ben ik nog bij U’

Samen hebben ze geluisterd naar liederen. Ook op die laatste avond van het oude jaar, naar ‘Ik heb je lief met de liefde van de Heer’ en ‘Een rivier vol van vrede’.
God heeft haar niet losgelaten. Hoe moeilijk wij het ook vinden dat een mensenkind het leven loslaat – dat kun je nauwelijks begrijpen – Eén is er die haar ten volle kent en Hij heeft zich in zijn grondeloze barmhartigheid over haar ontfermd.
In zo’n situatie ervaar je de gebrokenheid van het leven aan den lijve. Wat is het leven hard en rauw, wat is er ongelofelijk veel onrecht en wat wordt er veel geleden. Lijden dat zij zich aantrok en waar ze verdrietig van werd.
Wat kun je dan verlangen naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar Johannes van spreekt in het boek Openbaring. ‘En ik zag een nieuwe hemel en nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan.’ Het klinkt als een zucht van verlichting. Eindelijk is het voorbij. Het oude is voorbij gegaan, het nieuwe is gekomen.
En zou je daar ook niet naar verlangen, naar die nieuwe aarde die tegelijk ook de nieuwe hemel is? Want de nieuwe aarde, dat betekent een leven zonder gebrokenheid.
Een leven zonder zonde en zonder dood. Een leven zonder tranen en verdriet. Een leven met God. Hij zelf zal bij ons wonen, zegt Johannes.
Deze jonge vrouw kon daar niet meer op wachten. Het leven was haar te zwaar geworden. Met verdriet in ons hart namen wij afscheid van haar. Een kind te moeten loslaten, dat is alsof je hart verscheurd wordt. Een pijn die nauwelijks te verdragen is, slechts in het geloof, vertrouwend op God. Ze is veilig in Jezus’ armen, veilig aan Jezus’ hart.

Jan Bouma is emeritus predikant van de NGK Kampen.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief