Geloven in een tijd van ongeloof
2014-06-28
Voor ons als christenen in de westerse samenleving is naar mijn mening geen thema zo belangrijk als ‘geloven in een tijd van ongeloof ’. Het geloof is voor ons het kostbaarste dat we hebben, maar in de cultuur om ons heen is het verre van vanzelfsprekend. Wat doet dat met ons?- Jaargang 58
- nummer 13
Overleeft ons geloof deze tijd van ongeloof ?
Charles Taylor schreef in zijn grootse boekwerk Een seculiere tijd dat onze samenleving verandert in ‘een samenleving waarin geloof zelfs voor de meest overtuigde gelovige één menselijke mogelijkheid is naast andere’.
Hij beschrijft onze situatie zo: ‘Ik mag het dan ondenkbaar vinden dat ik mijn geloof zou prijsgeven, maar er zijn anderen, waaronder mogelijk enkelen die me zeer na staan en wier levenswijze ik in alle oprechtheid niet als verderfelijk, blind of onwaardig van de hand kan wijzen, die niet geloven. (…) Geloof in God is niet vanzelfsprekend meer. Er zijn alternatieven.
En dit betekent waarschijnlijk ook dat het, in ieder geval in bepaalde milieus, moeilijk kan zijn je geloof in stand te houden.’ Deze situatieschets is voor veel christenen in Nederland in hoge mate herkenbaar. Allemaal kennen we in onze nabije omgeving mensen die niet in God geloven. Wat dat met je geloof kan doen, vertelt Reinier Sonneveld in zijn in 2013 verschenen boek De stilte van God. Hoe meer hij als vrijgemaakte jongen in contact kwam met niet- of andersgelovigen, hoe meer twijfels en vragen hij kreeg.
‘Dat vriendinnetje waar ik zo verliefd op was – zou zij werkelijk naar de hel gaan? Was het echt zo onwaar wat de Boeddha had beweerd? Hoe kwamen ze er eigenlijk bij dat de Bijbel betrouwbaar was? En ten slotte kwam natuurlijk de ultieme vraag: Bestaat God eigenlijk wel?’ Menigeen vergaat het zo, soms zelfs op hoge leeftijd. Een ruim 90-jarige vrouw uit één van mijn gemeenten kwam in een hevige geloofscrisis toen ze naar een verzorgingstehuis moest.
Twijfels over datgene wat altijd voor haar had vastgestaan, zoals het leven voorbij de dood, kwelden haar. Haar eigen verklaring: ‘Ik denk dat het komt omdat ik hier samenleef met mensen die niet geloven. En ze zijn best
aardig.’
Word wakker
Nu is het geloof altijd aangevochten geweest en dat zal het blijven tot de dag waarop geloven aanschouwen is geworden. Geloof is nooit een verworvenheid, maar wordt altijd uitgedaagd en aangevochten.
Als er één boek is waaruit dat blijkt, is het de Bijbel wel. Doorlopend komen we in de Bijbel in aanraking met twijfelende en vertwijfelde mensen. Diepgelovige mensen zijn God soms helemaal kwijt en hun
vertwijfelde vragen zijn, met name in het psalmboek, niet van de lucht.
Psalm 10:1: ‘Waarom, HEER, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood?’ Psalm 22:2-3: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit. “Mijn God!” roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.’ In Psalm 44 wordt die waaromvraag misschien wel het allerscherpste gesteld, in dit geval door de tempeldienaren, die zien hoe het door God geschonken land door vijanden verwoest en ontvolkt wordt. ‘Word wakker, Heer, waarom slaapt u?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.
Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood?’ (Psalm 44:24-25).
Deze formulering is extra pijnlijk omdat die overeenkomt met de woorden waarmee de profeet Elia de Baälpriesters sarde op de Karmel: ‘Roep zo hard u kunt! Hij is toch een god?
Hij heeft zeker iets anders te doen.
Ik denk dat hij zich even moest afzonderen.
Is hij soms op reis gegaan?
Misschien slaapt hij, en moet u hem wekken!’ (1 Koningen 18:27).
Nog pijnlijker kan de vertwijfeling worden door de vraag die de vijanden van de vrome hem doorlopend inwrijven: ‘Waar, waar is nu je God?!’ Neem Psalm 42:4: ‘Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht, want heel de dag hoor ik zeggen: “Waar is dan je God?”’ En ook vromen zelf kunnen die vraag naar God roepen. Psalm 89:47-50: ‘Hoe lang nog, HEER? Bent u voor altijd verborgen (…) Waar is uw liefde van vroeger, Heer, hebt u David geen trouw gezworen?’
Vrijbrief
Geloofstwijfels zijn dus van alle tijden, maar de aanvechtingen veranderen in de loop van de tijd wel van karakter. In de psalmen is het vertwijfelde roepen van de vromen als het roepen van een kind om zijn moeder na een nachtmerrie. Vragen als ‘Hoe lang nog?’ of ‘Waarom?’ zijn uitingen van volstrekte verbijstering. Het zijn noodkreten. De vrome twijfelt aan Gods betrokkenheid, bewogenheid en beleid, maar niet aan zijn bestaan.
Dat geldt zelfs voor de ‘goddeloze’ in de Bijbel. Als we in Psalm 14 en 53 lezen dat de dwaas in zijn hart zegt: ‘Er is geen God’, ontkent hij daarmee niet dat God bestaat, maar zegt hij dat van God niets te verwachten valt en dat Hij niet betrokken is op de aarde. Het is een vrijbrief voor het begaan van onrecht, geen blijk van een theoretisch doordacht atheïsme.
Dat is wezenlijk anders in onze cultuur.
Wie tegenwoordig beweert dat er geen God is, ontkent daarmee het bestaan van God zelf (wat overigens
Heel de dag hoor ik zeggen: ‘Waar is dan je God?’
nog niet hoeft te betekenen dat de betrokkene dit als een vrijbrief voor onrecht beschouwt). Velen hebben het geloof in het bestaan van een persoonlijke God losgelaten. Sommigen deden dat in stilte, anderen met luide trom. Sommigen verschafte het een groot gevoel van opluchting en bevrijding, anderen bleven zich verweesd en ontheemd voelen. En niet weinigen zijn er die wel willen, maar niet kunnen geloven.
Kwijt
Hoe groot de macht van de twijfel is in onze tijd, zie je bijvoorbeeld in de ontwikkelingsgang van alleszins redelijke en scherpzinnige mensen die lang in een persoonlijk God geloofden, maar in de loop van hun leven hun geloof verloren.
Een goed voorbeeld is de bekende theoloog Harry Kuitert. In 1964 schreef hij De spelers en het spel, een boekje dat sommige mensen tegenwoordig ‘een heel bijbelgetrouw boek’ zouden noemen. Vele boeken verder is hij, via meerdere tussenstations, zijn geloof in een persoonlijk God helemaal kwijt.
Met het geloof van ‘hofpredikant’ Carel ter Linden is het net zo gegaan.
In een interview met Tijs van den Brink vertelde hij dat zijn twijfel begon toen hij zijn vrouw verloor. ‘Zij stierf onder ondraaglijke pijn en dan denk ik: hoe kan dat eigenlijk? Is dat te verenigen met een God die liefde is en trouw en barmhartig is? Het heeft me een andere blik gegeven op God.’ Deze persoonlijke ervaring, gepaard aan wat de wetenschap hem leerde over het leven en het ontstaan van de Bijbel, heeft hem ertoe gebracht het geloof in een persoonlijke God los te laten. Nog maar vijftien jaar geleden hoopte hij ooit nog God te zullen zien, nu is
die hoop verdwenen. En hij zegt: ‘Ik vind het geen verlies...’
Optie
Een omgekeerde beweging, van ongeloof naar geloof, vindt gelukkig ook plaats! Zelf mocht ik de afgelopen jaren herhaaldelijk meemaken dat mensen op het spoor van het geloof in God kwamen en vervolgens geloofsbelijdenis deden of zich lieten dopen. Dat waren niet zelden al wat oudere mensen. Maar ook jongere mensen maken soms een ontwikkeling door die hen (terug)brengt naar het geloof in God.
Deze ontwikkeling doet niets af aan de analyse van Charles Taylor, maar voegt er wel een nuance aan toe. Ja, het geloof in God spreekt niet vanzelf en het ongeloof is voor menige gelovige een serieus te nemen optie, maar het omgekeerde geldt niet minder: voor degene die niet gelooft, kan het geloof zomaar een optie zijn of worden!
Dat is de situatie waarin kerken en christenen zich bevinden, dat is de cultuur die wij inademen en die ons als het ware in het bloed is gaan zitten.
En dus is de grote vraag, de levensvraag die veel christenen in onze cultuur bezighoudt: Zullen we het geloof behouden? Overleeft ons geloof deze tijd van ongeloof? En zo ja, hoe?
Dit nummer diept die vragen verder uit aan de hand van de ervaringen van Nederlands-gereformeerde predikanten (zie pagina 6-10) en mijn eigen zoektocht naar houvast in tijden van twijfel (zie pagina 16-19).
Ds. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.