Over Asaf, de oersterke Bijbel en natuurlijk Jezus

2014-06-28
  • Jaargang 58
  • nummer 13
Al heel lang benoem ik in mijn preken tamelijk openhartig wat mij aan het twijfelen kan brengen. Want er zijn legio redenen om te twijfelen, zo ervaar ik steeds weer. De dood, de verdeeldheid van Christus’ kerk, onverhoorde gebeden, zinloos lijden, noem maar op. Soms nader je de grens van het ongeloof en denk je: ‘Geloof ik wel?’ Ook ik ken die ervaring. Tegelijk benoem ik in mijn preken óók altijd wat mij helpt om die twijfels te overwinnen. Wat biedt mij houvast?


Voor mij zijn mijn aan de Here en zijn recht en liefde toegewijde broers en zussen een groot houvast. Steeds weer bemoedigen zij me in mijn geloof.
Bij hen hoor ik en met hen wil ik op weg gaan. Ik zeg het weleens tegen de gemeente: ‘U moest eens weten hoeveel u betekent voor mijn geloof...’ Ook bijzondere ervaringen helpen me. Die verplichten me om de Here trouw te blijven. Het zijn soms slechts hele kleine dingen (iemand die precies op de juiste tijd op de juiste plaats is om te helpen), maar toch, alleen al om iets kleins van boven weet ik dat ik de Here trouw zal blijven. Ik ben het Hem verplicht.
Ook heb ik werkelijk wat aan boeken, zoals De stilte van God van Reinier Sonneveld en het verhaal van Jezus, het mooiste wat er is. Die verhalen nemen me op sleeptouw, net als de boeken van C.S Lewis en de preken en lezingen van Henk de Jong dat jarenlang deden en nog altijd doen.
Verreweg het meeste van alles heb ik echter aan de Bijbel. Die neemt me mee, steeds weer. Daarbij is er geen bijbelgedeelte dat mij als dienaar van Gods Woord op dergelijke momenten zo veel houvast geeft als Psalm 73.

Geen mallemoer
Psalm 73 is een psalm van iemand die in een ernstige geloofscrisis is terechtgekomen.
Het is Asaf, de opperzangmeester van de tempel. Iemand dus die heel nauw met de dienst aan de Here verbonden was. Uitgerekend hij is God een tijd lang werkelijk kwijt. In zijn hart broeit een diep verzet tegen God en de enige associatie die hij nog bij God heeft is: het klopt niet. In mijn woorden: ‘God, er klopt niets van! Kijk toch eens naar die wereld van U. Waar is Uw trouw? Waar wordt het recht gehandhaafd? Kijk toch eens hoe volmaakt gelukkig de mensen zijn die niets om uw geboden geven. God, dat is toch onverdraaglijk en unfair?!’ Het leven klopt totaal niet, stelt Asaf vast. Een corrupte staatsman sterft op 90-jarige leeftijd, stikkend in zijn rijkdom, terwijl twee jonge ouders, toegewijde christenen, op jonge leeftijd door een ongeval uit het leven van hun kinderen worden weggerukt.
De voorspoed van de goddelozen schrijnt Asaf des te meer omdat zijn eigen situatie verre van florissant is.
In vers 13-14 zegt hij: ‘Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver en waste ik mijn handen in onschuld! Want ik werd gestraft, dag aan dag, en geslagen, elke morgen weer.’ De opstandigheid vreet dusdanig aan Asaf dat hij iets over zich krijgt van: het maakt eigenlijk geen mallemoer uit hoe je leeft. Altijd moeilijk, maar zeker voor een dominee of een aanbiddingsleider!
Ondertussen blijft Asaf wel gewoon zijn tempeldienst verrichten en trouw leven naar de wet van God. Want hoewel zich in hem een uiterst hevig innerlijk conflict afspeelt, weigert hij in zijn opstandigheid zo ver te gaan dat hij op zijn beurt ook als een goddeloze gaat leven en spreken. Dat doet hij uit liefde voor het volk, Gods
volk: ‘Maar zou ik spreken als zij, ik pleegde verraad aan Gods kinderen!’

Dubbel
Voor mij is Asaf een identificatiefiguur als ik verstrikt raak in mijn onvermogen en de vele wurgvragen van dit bestaan mijn geloof dreigen te verstikken. Het is zelfs Asaf overkomen.
Capituleer niet voor je twijfel.
Blijf trouw aan je roeping. Maar span je tegelijk tot het uiterste in om niet in de crisis te blijven hangen. Want dat doet Asaf. Hij neemt geen genoegen met de innerlijke spagaat waarin hij zich bevindt: ‘Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten waarom – het was een vraag die mij kwelde…’

Wat een oersterk boek is de Bijbel toch, dat de maar al te herkenbare geloofscrisis van Asaf een plek krijgt

Juist het dubbele in Asaf – zowel opstandig tegen God als hartstochtelijk op zoek naar God – is heel herkenbaar.
Het is als wanneer je ruzie hebt met degene van wie je het meeste houdt. Je voelt je vervreemd van elkaar, maar juist daardoor meer dan ooit op elkaar betrokken. Zo is het met Asaf ook: nog nooit had hij zo veel en zo intens over God nagedacht als nu, zoekend en roepend.
Als je zo in gesprek met God gaat, kan het niet anders of God gaat op een gegeven moment in gesprek met jou. Dat is wat Asaf mocht ervaren.
Uiteindelijk breekt het verlossende moment aan, en wel toen hij Gods heiligdom binnenging en zich hun einde voor ogen bracht.
Dit is overigens een wel heel opmerkelijke ontwikkeling. Asaf zal vanwege zijn functie ontelbare malen de tempel zijn binnengegaan. Hij ontkwam er niet aan om ‘naar de kerk’ te gaan. Maar het zei hem lange tijd niets. Tot in de tempel opeens God tot hem spreekt. Hoe dat kan, is en blijft een geheim. Hij komt de grote tempelruimten binnen en wordt overweldigd. Opeens ziet hij de Here zoals hij Hem niet eerder had gezien.
Hij ziet God in zijn grootheid en almacht en majesteit en wijsheid en komt vervolgens tot rust. De opstandigheid valt van hem af.
In de psalm kan hij daarop terugblikken: ‘Zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en dwaas, was ik bij u als een redeloos dier.
Maar nu weet ik mij altijd bij u, u houdt mij aan de hand en leidt mij volgens uw plan. Dan neemt u mij weg, met eer bekleed.
Wie buiten u heb ik in de hemel?
Naast u wens ik geen ander op aarde.
Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd.’

Willen we in deze wereld met een gerust hart kunnen geloven, dan moet van buitenaf Iets in onze wereld binnenkomen Psalm 73

laat zien dat ook een dienaar van het Woord in een geloofscrisis kan komen, maar ook hoe hij of zij daarmee kan omgaan. Loyaal blijft hij zijn dienst verrichten en tegelijk gaat hij op de meest intense manier het gesprek met God aan. In het vertrouwen dat God met hem het gesprek aangaat, vroeg of laat.
Mijn persoonlijke ervaring is dat dit eigenlijk steeds weer in een kerkdienst gebeurt. In de deelname aan de gemeentezang en de gebeden, het openen van en horen naar Gods Woord komt God naar je toe en word je voorbij je twijfel geholpen.

Orang-oetangs
Wat een oersterk boek is de Bijbel toch, dat deze maar al te herkenbare geloofscrisis van Asaf een plek krijgt!
Dat maakt de Bijbel voor mij een geloofwaardig boek, dat een Asaf en ook een Prediker en Job zich mogen uitspreken. Dat alleen al is een hand die God troostend en kalmerend op mijn schouder legt.
Dat geldt ook voor die ene zin op de eerste bladzijde van de Bijbel, waarmee de mens in zijn diepste wezen getypeerd wordt: ‘God zei: “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.”’ De hele op de evolutie gebaseerde antropologie geef ik cadeau voor deze ene zin. Omdat deze ene zin meer recht doet aan wie wij mensen zijn dan alles wat biologen, sociologen en psychologen over de mens beweren. Ja, dit is de essentie, het geheim van het mens-zijn: wij gaan over de aarde. De orang-oetangs kun je niet verantwoordelijk stellen voor de teloorgang van het regenwoud, de mens wel. Hoe deze zin ook in de Bijbel gekomen is, hij komt van Boven, zo geloof ik.
En zo is er veel meer in de Bijbel waarvan ik met overtuiging kan zeggen: ‘Deus dixit – God heeft gesproken!’

Nooit
Wie hierbij niet kan ontbreken, is natuurlijk Jezus.
Ik heb het wonderlijkerwijze aan niemand anders dan professor Kuitert te danken dat ik er des te meer van overtuigd ben geraakt dat Jezus niet van onderop, maar alleen van bovenaf verklaard kan worden.
Kuitert verklaarde Jezus in een in 1998 verschenen boek helemaal van onderop. Jezus was een Jood, zijn godsdienst was de Joodse religie en Hij geloofde op Joodse wijze in God.
Daardoor zou het volgens Kuitert onmogelijk zijn om Jezus te belijden als de Zoon van God, want een Jood zou zichzelf nooit Zoon van God noemen.
Als je echter op basis van die hypothese het Nieuwe Testament gaat lezen, valt op dat Jezus helemaal niet van a tot z past in het Jodendom van zijn dagen. Jezus doet en zegt namelijk allerlei dingen die Joden in zijn dagen nooit zouden doen of zeggen. Geen rabbi in Jezus’ dagen zou bijvoorbeeld met zo’n autoriteit spreken als Hij. Jezus spreekt niet als een rabbi en zelfs niet als een profeet die zegt: ‘Zo spreekt de Here’. Hij zegt: ‘Voorwaar, ik zeg u.’ Hij spreekt dus niet als de schriftgeleerden en de farizeeën, maar plaatst zijn eigen woord als volstrekt gezaghebbend boven alle andere woorden.
Gelet op wat we over het Jodendom van de eerste eeuw weten, is het ook uiterst onwaarschijnlijk dat een vrome Jood zou menen dat in Hem de eeuwige beslissingen van leven en dood, hemel en hel vallen. En iemand de zonden kwijtschelden behoorde wel tot het laatste wat Joden in de eerste eeuw zouden doen.
Iemand die zonden vergaf, lasterde God, zo dacht men. En terecht. Dan is het veelzeggend dat uitgerekend Jezus zonden vergaf. Wat zegt dit over zijn zelfbeeld? Wat zegt dit over Hem?
Nog iets wat een Jood in die tijd nooit zou doen: de sabbat ontheiligen.
De Joden tilden zeer zwaar aan de meest strikte handhaving van het sabbatsgebod. Een Jood die van a tot z paste in het Jodendom van die dagen zou nooit zo met de sabbat zijn omgegaan zoals Jezus dat deed.
Hij beweerde zelfs dat hij de Heer van de sabbat was.
Het allerlaatste ten slotte wat een Jood in Jezus’ dagen zou doen, is toestaan dat een ander voor hem zou knielen. Toen een Romeinse hoofdman een knieval maakte voor Petrus zei hij: ‘Sta op, ik ben zelf ook een mens.’ Er was er maar Eén voor wie de Joden in Jezus’ tijd neerknielden en dat was God. Het vereren van een mens alsof hij God is en het je laten vereren door een mens alsof je God bent, is vanuit Joods perspectief ondenkbaar.
En terecht.
Dat Jezus het toch toestond dat mensen voor Hem neerbogen, kan mijns inziens daarom maar één ding
betekenen: Hij moet gedacht hebben dat Hij God op aarde was…

Schulp
Hiermee hangt het voor mij onbetwistbare feit samen dat Jezus werkelijk opgestaan is uit de dood.
Er zijn theologen die de opstanding psychologisch verklaren (niet Jezus maar zijn leerlingen ‘stonden op’), maar als de Bijbel ergens geweld wordt aangedaan, dan is het wel in zo’n redenering. Uit elk woord, elke punt en komma die in de Bijbel wordt overgeleverd over de opstanding van Jezus blijkt dat de opstanding als zodanig niet metaforisch of psychologiserend bedoeld is. Het zijn de gebeurtenissen zelf die Jezus’ volgelingen ervan overtuigen dat Hij is opgestaan. Niets geen vrome zingeving, niets geen psychologie, allen zijn volkomen overrompeld door wat hen overkomt.
Dit is voor mij van eminent belang voor het kunnen geloven en het steeds weer overwinnen van mijn twijfels. Stel dat ik alleen op mijn denken en voelen aangewezen zou zijn. Op grond waarvan zou ik mezelf dan kunnen toestaan om in God en de eeuwigheid te geloven? Eerlijk gezegd is er geen argument dat me geheel overtuigt. Want ik kan me God op geen enkele wijze indenken. ‘God, U hebt hemel en aarde gemaakt, maar hoe en wanneer bent U zelf dan ontstaan? O, U bent niet ontstaan, U was er altijd al? U bent er gewoon?
Er is nooit iets voor U geweest en er komt niets na U?’ Hier kan ik met mijn verstand niet bij. En als daarbovenop de vraag gesteld wordt hoe een goede God een wereld heeft kunnen scheppen waarin engelen duivels en mensen beesten zijn geworden, dan heeft mijn op verstand en ‘redelijk denken’ gebaseerde geloof de neiging heel ver in zijn schulp te kruipen. Ik zou wel willen, maar niet kunnen geloven. Laat staan dat het ooit zou komen tot overgave en toewijding, lofprijzing en aanbidding.
Willen we in deze wereld met een gerust hart kunnen geloven, dan moet van buitenaf Iets in onze wereld binnenkomen. Een zichtbaar, hoorbaar, tastbaar blijk van Gods bestaan en van zijn betrokkenheid op deze wereld. Ontbreekt dit, dan blijft de denkende mens te allen tijde gissen.
Dan bestaat er zelfs een grote kans dat geloven niet meer dan projectie is. Dan is er alle reden om geloof te wantrouwen als een vlucht uit het heden of als een middel in de handen van machthebbers om mensen onder de duim te houden.
Maar alles wordt anders doordat er een uiterst goed gedocumenteerd en breed onderbouwd getuigenis over Jezus Christus tot ons komt. Een bericht van Iemand die zich na zijn dood aan zijn leerlingen openbaarde en sprak: ‘Kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof ’ (Johannes 20:27).
Later kan Johannes niet ophouden dit zintuiglijk waarneembare karakter van zijn ontmoeting met Jezus Christus te benadrukken: ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is.’ (1 Johannes 1:1-2).

Lamp
Voor mij persoonlijk rust het geloof in God op een gebeurtenis die onbetwistbaar is: de opstanding van Jezus Christus uit de dood. Je geloof dreigt soms te stikken in de wurgvragen, maar dan is daar altijd weer een stem die roept: ‘De Heer is werkelijk opgestaan, de Heer is werkelijk opgestaan!’ En voor dit argument moeten mijn vragen eerbiedig wijken.
Hierbij wil ik ten slotte nog eens de vinger leggen bij de vraag die ik mijn collega’s voorlegde (zie pagina 6-10 van dit nummer): ‘Hoe overwin jij je twijfels?’ Het antwoord dat veel collega’s gaven komt hierop neer: Jezus alleen.
Voor de kerk en de predikant is dit naar mijn overtuiging inderdaad de aangewezen weg: niet over God in het algemeen spreken, niet te lang blijven hangen in pogingen om van beneden af boven te komen, maar getuigen van God zoals Hij zich in Christus geopenbaard heeft. Mensen (jezelf voorop!) steeds weer naar Jezus brengen, naar zijn woorden, zijn daden, zijn geopende graf. Hen in contact brengen met hetgeen toen en daar heeft plaatsgevonden, en dat plaatsen binnen de context van heel de Schrift. Kom, lees eens mee, denk eens mee! Dan ontdek je steeds weer dat het Woord iets biedt wat niets en niemand anders je biedt: Hij is een lamp voor je voet en een licht op je pad. Alleen zo kunnen onze twijfels overwonnen worden en kunnen we het geloof behouden in een tijd van ongeloof.

Ds. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief