Over jongens en meisjes
2014-05-31
- Jaargang 58
- nummer 11
Sinds de inrichting waar ik werk gefuseerd is met een inrichting die zowel jongens als meisjes opvangt, zijn er ook jongens op ons terrein. Dat was wat in het begin!
Onze inrichting bestaat uit zes groepen van elk negen of tien personen die samen in één huis zitten. Om elk huis staat een heg en binnen die heg staat onder meer een stenen plantenbak. Dat werd een geliefd middel om over de hegjes heen te kunnen kijken. 's Nachts kon geen mens meer slapen door het geroep door de raampjes. De ene dag horen jongens bij de onbereikbare buitenwereld, de volgende dag zitten ze opeens op roepafstand...
Toen in het begin een jongen in de kerkdienst kwam, zong niemand meer: alle aanbidding was voor hem. Ik moest hem daarna uitleggen dat hij niet weer kon komen. Inderdaad: omdat hij te leuk was.
Inmiddels zijn we aan de jongens gewend. We hebben gemengde kerkdiensten en gelukkig gaat dat nu prima. Maar nu komen de verliefdheden. Wat wil je ook, met tieners.
Op school en op het terrein zijn de klassen gemengd.
Anna van de ene groep heeft een oogje (over de heg) op André van de andere groep. Haar groepsgenootje zit bij hem in de klas en vraagt André wat hij van Anna vindt.
André kijkt blij en zegt dat hij haar erg leuk vindt. Die informatie gaat weer naar Anna en zo ontstaat er een verkering, via vluchtige ontmoetingen in de gangen van de school, via de bloembak en via groepsgenoten. En ondertussen heeft iedereen natuurlijk commentaar.
Dan verzint een slimmerik een plan. ‘Jeannette, mag ik eens met u praten, samen met Anna?’ ‘O, waar wil je dan over praten?’ ‘Nou, over belangrijke dingen van het leven. Ik wil graag weten hoe ze daarover denkt.’ Ik ga naar de psychologen die deze jongeren begeleiden en vraag ze wat ze ervan vinden. ‘Tja, waarom niet. We moeten toch verzinnen wat we doen met die verliefdheden.
Maar denk je niet dat het dan alleen nog maar erger wordt?’ ‘Nee’, zeg ik. ‘Als je alleen maar over iemand kunt fantaseren, kun je er de ideale geliefde van maken. Als je gaat praten, kom je elkaar echt tegen, met leuke en minder leuke dingen.’ Het verrast me wat er uit die gesprekken komt. Het gaat werkelijk over belangrijke dingen. Over toekomstdromen, over angsten uit het verleden, over wat wel en niet belangrijk is in een relatie, zelfs over pogingen tot ontsnappen (u mag niks verder vertellen, toch?).
‘Gek’, zegt een jongen op een keer tegen zijn lief. ‘Jij bent het eerste meisje van wie ik zo veel weet. Met alle anderen had ik alleen maar seks.’ Het meisje kijkt verschrikt naar mij. ‘Dat kun je niet zeggen met de dominee erbij’, zegt ze verontschuldigend.
‘Waarom niet?’ zeg ik. ‘Als het waar is... En hoe is dat dan bij jou?’ ‘Gewoon, hetzelfde’, zegt ze. ‘Dat mag zeker niet van uw geloof, hè?’ ‘Wat? Seks niet? Denk je dat?’ En zo hebben we het ook over seks en over praten, wat nog veel enger is, en over vertrouwen en wantrouwen.
‘Jij staat steeds met Piet te praten.’ ‘Piets broer kent jou en hij zegt…’ ‘Piet is geen goeie jongen.’ ‘En jij?’ zeg ik. ‘Ben jij een goeie jongen?’ ‘Als ze Piets meisje was, zou Piet haar verbieden met mij te praten’, zegt hij lachend.
Wat later komt het stel bij elkaar op een gemengde groep.
Elke dag zijn ze samen. Maar ze willen wel samen bij mij blijven komen. ‘Het gaat nergens over als wij samen praten’, zegt Anna.
Een groepsleider vraagt me: ‘Hoort dat nou bij uw baan?’ ‘Ja’, zeg ik, ‘Alles wat met liefde te maken heeft, hoort bij mijn baan.’