Profeet in de schaduw van de ondergang

2005-08-26
  • Jaargang 49
  • nummer 16
Met een onverschillige blik had hij de onheilsprofetieën aangehoord. Steeds als er weer een stuk uit de boekrol was voorgelezen, sneed de koning eigenhandig een reep van het kostbaar perkament af en mikte het met een achteloze beweging in de open haard. ‘Niemand schrok van wat hij hoorde, niemand scheurde zijn kleren, de koning niet en zijn dienaren evenmin’, zo lees je in Jeremia 36.

Onthutsend, want de boekrol waaruit gelezen werd bevatte de profetieën van Jeremia en de houding van deze koning van Juda (Jojakim) is symptomatisch voor het uiterst geringe gehoor dat de profeet met de donkere boodschap van de Heer onder zijn tijdgenoten vond.

Groeiende spanningen
Het was een tumultueuze tijd die volgde op de lange regering (640-609 v.Chr.) van de vrome koning Josia.
Jeremia’s optreden begon halverwege deze regeringsperiode, maar zijn profetieën hebben vooral betrekking op de twintig jaren, die voorafgingen aan de verwoesting van Jeruzalem (587 v.Chr.). Het was de tijd dat de laatste koningen van Juda regeerden, van wie Jojakim en Sedekia de belangrijkste waren. Verder maakte Jeremia mee dat de Babyloniers de wereldheerschappij overnamen ten koste van Assyrië (606 v Chr.). Een soort eindtijd, schreef Andries Mak en dat is het. In de verhalende gedeelten van het boek Jeremia krijg je veel van deze achtergronden mee.

Tegen de stroom in
En dan de boodschap. Uiterst ongebruikelijk is natuurlijk, dat Jeremia het belegerde Jeruzalem opriep om het verzet tegen de Babylonische machthebber te staken. ‘Wie zich overgeeft zal leven en wie in Jeruzalem blijft zal sterven door de honger, het zwaard of de pest’ (Jeremia 21 en 27). Afgezien van de geur van landverraad, die het in tijden van politieke hoogspanning zo maar heeft, druist deze boodschap in tegen alle nationale sentimenten.
Bovendien moet het de religieuze elite als een vloek in de oren hebben geklonken. Want het land was toch door God gegeven, Jeruzalem de uitverkoren stad en de tempel voor eeuwig Gods woning! Dat de profeet vooral van religieuze en niet van politieke zijde bedreigd werd, zegt ongetwijfeld iets over de onverschilligheid van de Judese machthebbers. En tegelijk laat het zien, dat Jeremia in de ogen van het hof niet meer was dan een machteloze zonderling.

Dubbele breuk
Meer nog raakte Jeremia in het isolement door de boodschap van Gods oordeel over afgoderij en maatschappelijk onrecht. Het één heeft alles met het ander te maken, want wie zich afsluit voor God en zijn gerechtigheid is het kompas kwijt in de verhouding met de naaste. Veelvuldig hoor je Jeremia met zijn vlijmscherpe kritiek op het sociale onrecht - als de verbondsbreuk in het horizontale (hoofdstuk 7,22). Bob Wielenga vertaalt het kort maar krachtig: ‘Waar Mammon, de Vrije Markt, gediend wordt, verdwijnt het sociale geweten van een volk’. En dat geeft te denken voor de orthodoxie, zo voegt hij toe, die volgens hem sociaal-ethisch gezien vaak zo ketters is als het maar zijn kan. Maar ook in de verticaal werd het verbond door Juda met voeten getreden. Van de straten met hun wierookaltaren voor de afgoden (11:13) tot in de tempel toe (Jeremia 7!). Zelfs op de vlucht naar Egypte gaat het mee (44:8).

Verlaten
Aangrijpend is Gods gekwetste liefde, met zijn teleurstelling en woede‘Heeft ooit een volk zijn goden ingeruild’ (2:11). Waarbij de Here God niet bang is om zich te vergelijken met een verlaten echtgenoot. Tegelijk is het verwonderlijk om te zien hoe God steeds weer zoekt naar herstel van de relatie tussen Hem en zijn volk (3:12 etc). Wielenga tekent daarbij aan ‘dat dat moeilijk past in een statisch denken vanuit de eeuwige raad van God, waarin alles vantevoren al muurvast ligt. In de bijbel zien we God veel flexibeler, dynamischer optreden, wat natuurlijk moeilijk in een dogmatisch schema kan worden gebracht.’

Pijn
De vertolking van deze boodschap heeft Jeremia in diepe eenzaamheid gebracht. Daarbij had God de profeet ook nog eens verboden om te trouwen en te rouwen, als teken van de donkere toekomst, die Israël tegemoet ging (16:1-9). Jeremia’s leven als een gelijkenis, schreef Tineke Plooij. Soms krijg je het gevoel dat Jeremia niet ver afzit van een burnout, klemgezet door God en onder zijn tijdgenoten een outcast. Ergens hoor je hem zeggen dat hij God in het hart draagt (12:3), maar tegelijk wordt zijn binnenste verscheurd door de pijn van de dreigende ondergang van zijn volk (8:23, 13:17). En waar is een uitweg als je van je God te horen krijgt dat je maar niet meer moet bidden voor je volk (7:16, 11:14, 14:11)?
Meer dan eens treedt Jeremia God klagend tegemoet. Als een rechtvaardige uit de psalmen (18:19-23) of als Job (‘Vervloekt is de dag van mijn geboorte’, 20:14). Jeremia in de hand van de pottenbakker! Dan brandt de vraag of God het kan maken om een mens zo te laten lijden voor zijn zaak. En tegelijk ligt er een niet te doorgronden verwevenheid van Jeremia’s lijden met Gods eigen pijn en teleurstelling... over zijn bruid, zijn wijnstok, zijn herders, en ga maar door.

Valse profetie
Een netelig punt bij de profetie van alle tijden is de waarheidsvraag. Het is waar als het uitkomt, zo klinkt het charmant eenvoudig in Deuteronomium 18:21. Maar als het in de harde werkelijkheid nog alle kanten uit kan, helpt dit criterium niet veel. Dan krijg je het gevecht tussen ware en valse profetie, zoals Jeremia het heeft moeten voeren (bv 23:16-30). Het speelde zelfs in de correspondentie met ballingen in Babel (29:8). In dat hoofdstuk stuit je op een kenmerkende trek van de valse profetie, als Jeremia aan de ballingen schrijft: ‘ze dromen slechts wat jullie wensen’. Bij Bob Wielenga en anderen riep deze passage associaties op met het ‘health and wealth gospel’ (het welvaartsevangelie) - ‘Je geeft tienden en mag genezing claimen, Praise the Lord!’. En dat komt dichtbij, want het is voor de kerk altijd weer een verleiding om ‘dat te vertellen wat de mensen graag horen, zonder het hele plaatje te laten zien, wat alles zoveel gecompliceerder en moeilijker maakt’. Wielenga ziet dat gepaard gaan aan een selectieve uitleg van de heilsgeschiedenis, waarbij ‘alleen de mooie dingen worden genoemd, maar woorden over oordeel voor het gemak worden vergeten. Het is naar de mens, zou Paulus zeggen (Galaten 1).’

Verwonderlijk
Het boek Jeremia eindigt met de profetieën tegen de volkeren, waar hoofdstuk 25 al op vooruitloopt. Ook hier merk je keer op keer, dat de God van Israël niet aan landsgrenzen gebonden is. Aanklacht, oordeel en genade richting de volken liggen in het verlengde van Gods omgang met Israël. Bijzonder om te horen dat Damascus in Gods oog een schitterende stad was, waarin Hij vreugde vond (49:25) en Egypte een prachtig kalf (46:20). Niet minder verwonderlijk is de keer ten goede, die de God van Israël met de volken in gedachten heeft - ‘eens wordt Egypte weer zoals het vroeger was’ (46:26; zo ook: 48:47, 49:6,39). En dan is er de profetie over het nieuwe hart van vlees en niet van steen. Gelet op alles wat er over het menselijk hart gezegd wordt in dit profetische boek moet dat nieuwe wel helemaal van God komen.
Wanneer je daarover leest vanuit het totaal van het boek is Jeremia 31 nog verrassender en verwonderlijker dan als citaat in het boek, dat de profetie uitlegt tot op Jezus (Hebreeën 8).

Rooster
Ezechiel (kopijdatum 26-8-05)
Daniel - Jona (kopijdatum 09-09-05)
e-mail: f.gerkema@solcon.nl

Treurmuziek is het allermooiste
Ik mocht het van de familie meenemen als vakantie-souvenir uit Vlaanderen: een cd met de Lamentaties voor de stille week van de componist Pedro Rimonte. Nooit eerder van gehoord! Maar hij werkte van 1601-1614 als Spaans musicus aan het hof in Brussel, in een tijd dat de zuidelijke Nederlanden weer keurig katholiek waren. De Lamentaties, fragmenten uit het boek Klaagliederen, werden (en worden?) in de katholieke liturgie gezongen op witte donderdag (1:1-14), goede vrijdag (2:8-15) en stille zaterdag (3:1-9). Het heeft indrukwekkende muziek opgeleverd, van Tallis en Lassus uit de 16e tot Krenek in de 20e eeuw. Rimonte’s vertolking klonk vanaf het zilveren schijfje, toen we de kathedraal van Antwerpen binnenliepen. Ongetwijfeld om de gewijde stilte voor de 21e eeuwse bezoekers wat te breken. Maar mooi was het wel. ‘Echt, de mooiste muziek is treurmuziek, had countertenor René Jacobs al eens gezegd tijdens het Festival Oude Muziek van 1986, als een muzikale variant op Prediker 7:2. Laat nu die Rimonte met zijn Lamentaties te horen zijn in de Utrechtse Janskerk, komende woensdag in de laatste uurtjes van augustus. Live, met Spaanse zangers en een Vlaamse dirigent!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief