Gesprek over homoseksualiteit
2005-09-09
‘Iemand komt bij me met de onthulling dat hij homoseksueel is, dat zijn leven heel moeizaam verliep met depressies tot aan zelfmoordgedachten toe, maar dat hij nu iemand heeft ontmoet die soortgelijke gevoelens heeft gekend en die eveneens met het geloof in een crisis is gekomen.- Jaargang 49
- nummer 17
Van toen af aan is de zon in hun leven gaan schijnen. Zij begrijpen elkaar, zijn van elkaar gaan houden, vinden bij elkaar geborgenheid, lezen in en over de Bijbel, en richten zich daarbij eerst vooral op de gedeelten die over homoseksualiteit spreken. Heeft Gods Woord het daar over hen? Zij herkennen zichzelf er niet in.’ (Loonstra, p. 9)
In deze regels wordt treffend aangegeven, waarom de kerk het zo moeilijk heeft met homorelaties. Het lijkt zo eenvoudig. De Bijbel heeft nergens een goed woord voor homoseksualiteit over. ‘Een gruweldaad,’ staat in Leviticus 20:13 (vgl. 18:22 en 29). ‘Onterende verlangens; tegennatuurlijke omgang; ontucht,’ zegt Paulus in Romeinen 1:26,27. Waar praten we dan nog over? Laden christenen die pogen om homoseksuele omgang te vergoelijken, niet de verdenking op zich dat zij onder het gezag van de Bijbel proberen uit te komen? Er is al heel wat keren betoogd dat er in de bewuste teksten iets anders staat dan er staat.
Maar niet zelden bekruipt je bij het kennis nemen daarvan het gevoel, dat de wens de vader van de gedachte is.
Kunnen we daarom, in lijn met de kerkelijke traditie van 19 (!) eeuwen, niet beter volstaan met de erkenning dat God homoseksualiteit niet wil – punt uit? Er is geen andere conclusie mogelijk, zou je zeggen. Totdat daar ineens die christen-homo’s zelf zijn, die zeggen: ‘Ik herken me er niet in, in die teksten.’ Dan komen de vragen. Kan intieme omgang met een mens van hetzelfde geslacht een gruweldaad zijn, als je enkel en alleen dankzij die omgang niet bent omgekomen in een dal van diepe duisternis? Hoe zou het zijn als je, na en ondanks vurig gebed om anders te worden, merkt dat je je onveranderd hevig aangetrokken voelt tot het plegen van die gruweldaden?
Wat gebeurt er eigenlijk, als die teksten onbedoeld de uitwerking hebben dat zulke broeders en zusters aan God gaan wanhopen? En is het niet verwarrend om als kerk christenen, die getuigen dat ze dankzij die intieme relatie het geloof hebben behouden, aan te zeggen dat ze vanwege die relatie het Koninkrijk van God niet kunnen binnengaan? Het zijn deze vragen die het allemaal zo moeilijk maken.
Open gesprek
Daarom is het goed en nodig dat de Christelijke Gereformeerde predikant dr. Bert Loonstra een boekje over dit onderwerp geschreven heeft. Hij begint en eindigt ermee te zeggen, dat het hem gaat om een open gesprek (p. 7, 86). Daarmee bedoelt hij, dat er ruimte moet zijn voor een gedachtewisseling waarin niet bij voorbaat een bepaalde mening wordt afgewezen. Zelf neemt hij het standpunt in, dat homorelaties binnen de kerk in bepaalde situaties geaccepteerd dienen te worden. Als er nu reacties zouden komen waarin die mening bij voorbaat geen kans maakt, zou hij dat jammer vinden. Daarom doet hij het appèl op zijn lezers om naar zijn argumenten te luisteren en er niet op voorhand van uit te gaan dat ze wel ondeugdelijk zullen zijn. Omgekeerd ook trouwens: mensen die het met hem eens zijn vraagt hij, om zijn publicatie niet te gebruiken om zich in hun eigen mening bevestigd te voelen.
Lliever ziet hij dat zij kritisch kijken of het klopt wat hij zegt. Inderdaad zou het wat waard zijn, als het gesprek op deze open wijze gevoerd kan worden.
Het vraagt wel dat een mens bereid is zijn mening eventueel te herzien. Dat is heel wat. Het vraagt ook, dat een mens bereid is om te aanvaarden dat het gesprek nooit af is en misschien in de toekomst heropend moet worden.
Dat lijkt onschuldig, maar ik heb het gevoel dat je op een andere manier aan meningsvorming en besluiten doet als je daarvan doordrongen bent. Ik kom er aan het eind van mijn bespreking op terug.
De teksten
Maar eerst: wat zijn nu die argumenten op grond waarvan Loonstra ruimte binnen de gemeente bepleit voor homorelaties? Hij stelt vast, dat alle bijbelteksten over homoseksualiteit betrekking hebben op ‘moedwillige overtreding van de door God gestelde grenzen’ (p. 17), niet op ‘homoseksualiteit als probleem waaronder christenen gebukt gaan.’ (p. 24). Hij weet, dat in recente studies (zoals die van Robert Gagnon) aannemelijk gemaakt wordt dat Paulus zeker weet kan hebben gehad van duurzame homorelaties.
Zijn verweer is echter, dat dat uit de teksten zelf niet blijkt. Die gaan over ‘verliederlijking en verloedering’ en niet over ‘de zoektocht naar een integere relatie’ (p. 18). Maar als het er zo voor staat, komen we er met die teksten alleen niet uit. Zo gaat Loonstra op zoek naar ‘algemene richtlijnen die wij nodig hebben om op verantwoorde wijze Paulus’ uitspraken over homoseksuele misdragingen toe te passen binnen ons gezichtsveld.’ (p. 26)
Algemene richtlijnen
Hij vindt die in de stelregel van I Korintiërs 6:12 en 10:23: ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig.’ Hij leest daarin aan de ene kant een proclamatie van geestelijke vrijheid. Dat alles geoorloofd is wil zeggen dat er niets ‘moet’, dat niets ‘verboden’ is.
Aan de andere kant vult Paulus die vrijheid in: goed is alleen datgene ‘wat nuttig en opbouwend is’, I Kor.10:23 en wat ‘niet verslavend werkt’, I Kor.6;12. Daarmee wordt een norm aangereikt die een appel doet op de mondigheid van christenen. ‘De gelovigen worden aangesproken op hun onderscheidingsvermogen om te ontdekken wat goed is en wat niet. Als zij voor een bepaald gedrag kiezen, doen ze dat ten laatste niet omdat dat moet (van de apostel, van een voorganger, of zelfs van God), maar omdat het goed is (nuttig, opbouwend, niet verslavend).’ (p. 28) Dat strookt volgens Loonstra met de wijze waarop Paulus over de wet spreekt: die ‘functioneert niet meer verbiedend’, maar wil ‘bijdragen tot het verstaan van wat de eis der liefde is. (p. 39) Toegepast op homoseksualiteit: het gaat er niet om of die ‘mag’ of ‘niet mag’. De vraag is, of homoseksuele contacten in een kader van liefde kunnen staan, dat wil zeggen: nuttig zijn, opbouwend en niet verslavend. In teksten als Leviticus 18 en 20 en Romeinen 1 gaat het over homoseksuele activiteiten ‘die de mens gevangen houden in zijn begeerte en vóór alles gericht zijn op de bevrediging van eigen verlangens. Wanneer er echter integere homoseksuele relaties kunnen bestaan die exclusief en duurzaam zijn en doortrokken van dienende liefde, dan zouden die … beantwoorden aan de
bedoeling van Gods geboden.’ (p. 31)
Tegennatuurlijk
Maar hoe zit het dan met de notie ‘tegennatuurlijk’? Loonstra erkent, dat Paulus voor zijn veroordeling van homoseksuele contacten in Romeinen 1 verwijst naar de natuur. ‘De natuur laat zien dat de seksuele omgang van vrouwen met elkaar en mannen met elkaar verwerpelijk is. Men kan dit afleiden uit de menselijke lichaamsbouw en uit de verbinding tussen seksuele omgang en voortplanting.’ (p.15) Maar is dat een absolute norm die ten allen tijde geldt? Loonstra meent van niet. ‘De geschapen natuur is voor Paulus geen laatste maatstaf.’ (p. 43) Kijk maar naar I Korintiërs 7 (41,42). Daar pleit hij voor de ongehuwde staat, zie vers 1,8,26. Daarmee gaat hij echter in tegen de orde die God in de schepping gelegd heeft door de man en de vrouw aan elkaar toe te wijzen, Genesis 2:18! Zo blijkt dat de hoogste maatstaf is, of het evangelie met iets gediend wordt of niet, I Kor. 7:32. Vaak is de gehoorzaamheid aan dat evangelie in lijn met de scheppingsorde, maar niet altijd. Daarom gaat het niet aan om christenen, ‘die tegen wil en dank homoseksueel georiënteerd zijn,’ de orde van de geschapen natuur voor te houden. ‘Bij homochristenen gaat het erom, dat hun leefwijze zich verdraagt met de regel van het evangelie.’ (pp. 43,44)
Loonstra’s appèl
Op dit punt breek ik af, de lezer verzoekend om gevoelig te zijn voor Loonstra’s appèl om nu niet conclusies te trekken in de zin van ‘mee eens’ of ‘niet mee eens’. Inderdaad: laten we liever de argumenten op hun geldigheid beoordelen.
Over twee weken hoop ik daaraan mijn bijdrage te leveren.
(Naar aanleiding van Dr. Bert Loonstra, ‘Hij heeft een vriend’. Homorelaties in de christelijke gemeente. Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer 2005).