‘Middelmatige dingen en andere gebruiken’ in Duitsland
2005-09-09
Het thema van deze serie van drie artikelen komt voort uit artikel 85 uit de Dordtse Kerkenordening (1618-19): ‘In middelmatige dingen zal men de buitenlandse kerken, die een ander gebruik hebben dan wij, niet verwerpen.’ Dit artikel werd vastgelegd in een tijd, waarin buitenlandse kerken voor de meeste kerkleden helemaal niet in beeld waren. We zijn nu echter mobieler geworden - binnen onze grenzen en ver daarbuiten. In deze serie volgen persoonlijke ervaringen in en met kerken buiten onze grenzen; meestal tijdens vakanties, soms op een andere manier.- Jaargang 49
- nummer 17
In het dorp waar ik opgroeide, dichtbij de Duitse grens, was de kerkelijke kaart niet zo ingewikkeld. Je had de mensen van de ‘Grote Kerk’, dat waren de hervormden en je had de ‘fienen’, de gereformeerden, waartoe mijn ouders behoorden. Dan had je nog de roomsen, maar die waren toch niet zo in beeld. De hervormden waren vrijzinnig, dat hoorde je op de catechesatie, al was je niet altijd duidelijk wat dat precies inhield. Ze waren wel meer in getal, ze hadden ook een heel mooie, oude kerk, maar toch… De tucht werd er niet serieus genomen, hoor ik mijn predikant nog zeggen. Je kon er volstrekt vrijblijvend lid van zijn en naar de kerk gingen de meesten alleen op oudejaarsavond of andere feestdagen. Er werd trouwens van hervormde zijde ook neergekeken op de ‘fienen’, die toch maar elke zondag twee keer naar de kerk ‘moesten’. Later leerde je uiteraard wel wat meer nuanceren; er bleken wel terdege heel serieuze hervormden te bestaan.
Over de grens
Omdat we dichtbij de grens woonden waren er over en weer voor de tweede wereldoorlog veel sociale en andere contacten. Het kerkelijk contact was er echter in mijn beleving niet zo, en dat gold zeker voor de gereformeerden.
Immers, het aangrenzende gebied in Duitsland, Westfalen, was voor een groot deel rooms-katholiek.
Toch vormde de tweede wereldoorlog min of meer de aanleiding voor mijn eerste contact met christenen van over de grens. Er waren zeker pogingen vanuit de kerken om met de christenen in het nu verslagen en bezette Duitsland opnieuw in contact te komen. Die behoefte was er ook van Duitse kant. Hoe de contacten ontstonden ging aan ons jongelingen op gereformeerde grondslag voorbij, maar het diende wel bij ons te beginnen, een nieuwe generatie. Zo ontstonden er contacten tussen de gereformeerde jongelingsverenigingwaarvan ik lid was - en een afdeling van de CJMV in Essen in het zwaar verwoeste Ruhrgebied. Deze contacten leidden ertoe, dat we gezamenlijk een Wanderzug maakten in het Eifelgebergte. We gingen uiteraard ook ter kerke, eerst in Essen en later in de Eifel. Er was veel dat ons bekend voorkwam, maar er waren ook verschillen. Wat meer hoog-liturgisch, tenminste zo kwam het op mij over. Je kreeg ook door, dat we wel tot twee heel verschillende kerken behoorden. Wij als gereformeerde jongeren gingen er als vanzelfsprekend vanuit, dat bijna iedereen in de kerk actief mee deed. In de Evangelische Kiche (EKD) - een volkskerkwas het merendeel van de leden niet actief en moest een kleine kern de kar trekken.
Partnergemeente
Ook in latere jaren bezochten we vaak in de vakanties kerkdiensten in Duitsland. In het midden van de zeventiger jaren waren we in het Wittgensteiner Land ten oosten van Siegen. Op een zondag zaten we in het witte kerkje van Oberndorf. Hier stond toen een zekere Pfarrer Judt.
Zijn preken waren voluit ‘reformiert’ en bleek vloeiend Nederlands te spreken. Ons land was hem niet vreemd en zelfs onze ingewikkelde kerkelijke kaart had voor hem geen geheimen. Hij ging zelfs voor in Nederlandse kerkdiensten. Door dit contact is vanuit onze gemeente in Heerenveen in 1993 geprobeerd met de gemeente in Oberndorf een relatie op te bouwen.
Het begin was bemoedigend. Rond hemelvaartsdag vertrokken we met een flinke groep gemeenteleden naar Duitsland. Caravans en tenten stonden er rond het kerkje van Oberndorf, anderen verbleven bij gastgezinnen.
Het jaar daarop vond er een tegenbezoek plaats. Later ging het moeizamer en tenslotte moesten we helaas constateren, dat er van wat we ons hadden voorgesteld, weinig overeind kon worden gehouden. Ondanks het feit, dat Pfarrer Judt toch wel een stempel had gedrukt op de gemeente van Oberndorf, was ook wel duidelijk, dat hij het allemaal alleen had moeten doen. In naam behoort vrijwel het hele dorp wel tot de Evangelische kerk, maar de actieve kern is teleurstellend klein. Ook bij de contacten met Heerenveen was maar een zeer klein gedeelte van de gemeente betrokken. Twee of drie ouderlingen waren echt betrokken, en verder moest de dominee het maar uitzoeken, want hij werd er uiteindelijk ook voor betaald!
Gemeinschaft
De wat wijdere omgeving waarin Oberndorf ligt, wordt wel aangeduid als ‘die fromme Gegend’. Dit is geen vroomheid in de zin van een soort Duitse versie van de ‘Bible Belt’. Het gaat hier, afgezien van de Vrije kerken, meestal om mensen die wel lid zijn van de volkskerk (de EKD), maar zich daar eigenlijk niet zo thuis voelen.
Ze hebben een wat pietistische inslag en hebben in bepaalde gemeenten een eigen organisatie, soms zelfs een eigen gebouw, waar ze ook bij elkaar komen. Men spreekt dan van de Gemeinschaft. De ouderling in Oberndorf, waarbij wij logeerden, hoorde ook bij deze groep. ‘s Morgens ging hij naar de kerk en deed daar dienst. Dat deed hij van harte, al had hij er grote moeite mee dat de meeste kerkenraadsleden het wel ‘geloofden’ en er dus niet waren. Hij was loyaal naar de gemeente toe, maar zijn hart was bij de Gemeinschaft, die in het dorp een bescheiden gebouwtje bezat. Nadat hij ons gevraagd had om ook eens een bijeenkomst mee te maken, zaten we op een zondagmiddag samen met nog een paar Heerenveners bij de ‘vromen’ van Oberndorf. En ik bedoel dat niet neerbuigend, want deze mensen keren zich terecht tegen de moderne prediking in de Evangelische kerken in Duitsland. Prediking waarbij je je afvraagt: waar gaat dit over, of soms ook: gaat het eigenlijk wel ergens over?
Gemengde gevoelens
Toch zat ik er met gemengde gevoelens. Het clubje was klein, maar op zich kan het daarom wel goed zijn.
Jongeren ontbraken, maar ze zouden er zich waarschijnlijk ook niet thuis voelen. De voorgangers zijn rondreizende predikanten, meestal zonder eigen gemeente of al met pensioen. Soms treden er ook lekenpredikers op, die uitsluitend in de Gemeinschaften bekend zijn. Iemand uit deze laatste categorie ging voor op deze middag: een bejaarde man, die de kleine schare moed trachtte in te spreken. Het zingen bij een aftands orgeltje inspireerde ook al niet erg, maar de goede man zorgde aan het eind toch nog voor een verrassing. Na de preek verliet hij de ‘houten broek’, rommelde wat achter het preekgestoelte en haalde een gitaar tevoorschijn. Vervolgens zong hij geheel solo een aantal Johannes de Heer-achtige liederen, wat zeer werd gewaardeerd. Een halve eeuw geleden was dit misschien een gedurfd initiatief, maar toch bekroop me het gevoel, dat de jongeren - als ze al geweest waren zich hierbij beslist niet hadden thuis gevoeld.
Bei uns ist alles besser
Natuurlijk werd ons na afloop gevraagd hoe we het vonden. Je wilt niet aankomen met ‘bei uns ist alles besser’, want dat is niet zo. Toch hebben we wel voorzichtig geprobeerd ons gevoel over te brengen, dat je er met alleen vrome preken niet komt. Zeker niet, als de vorm niet meer eigentijds is. Ook het zweren bij de goede oude tijden brengt je niet altijd verder. Of het echt overkwam? Niet helemaal, had ik het gevoel. Jammer, want de zaak waar het de mensen van de Gemeinschaft om gaat, hoort zeker niet bij de ‘middelmatige’ dingen.