Gesprek over homoseksualiteit (2)

2005-09-23
  • Jaargang 49
  • nummer 18
In zijn boek over homoseksualiteit zet dr. Bert Loonstra helder uiteen hoe hij de vraag wil beantwoorden, of het leven in een homoseksuele relatie naar Gods wil kan zijn. Aan 1 Korintiërs 6:12 en 10:23 ontleent hij het uitgangspunt, dat het evangelie niet werkt met verboden. God vertrouwt het de gelovigen toe om zelf te bepalen – met hulp van de Geestof iets goed is of niet. Daarbij is de maatstaf of iets nuttig is, opbouwend, en niet verslavend.

Gemeten aan die maatstaf is er volgens Loonstra binnen de christelijke gemeente inderdaad ruimte voor ‘een duurzame relatie tussen homoseksueel gerichte mensen in dienende liefde’ (p. 5). Hij beklemtoont daarbij, dat hij het niet zo belangrijk vindt of zijn lezers het met die conclusie eens zijn. Hij wil liever horen of zij zijn argumentatie kunnen volgen. ‘Klopt het verhaal van die maatstaf?’ Daar wil ik dan ook op inzoomen.

Esthetisch accent
Voor mij de vraag, of van Paulus’ motto ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig’ zo maar een algemene stelregel gemaakt kan worden. Het is duidelijk dat dit gezegd wordt in een dialoog met de Corintiërs. Dat betekent niet dat alleen zij er een boodschap aan hadden. Natuurlijk is het zaak, dat wij als lezers proberen om van daaruit lijnen te trekken naar onze eigen situatie. Maar om nu te zeggen dat je aan die drievoudige richtingaanwijzer ‘nuttig-opbouwend-niet verslavend’ genoeg hebt, als het gaat om een universele maatstaf ter bepaling van wat goed en niet goed is, dat lijkt me niet.
Paulus heeft in andere brieven nog wel meer gezegd over dat wat naar Gods wil is. Dat rijke kleurenpalet wordt door Loonstra niet echt benut.
Zo doet hij bijvoorbeeld niets met de maatstaf die in Filippenzen 4:8 genoemd wordt: het ware, edele, rechtvaardige, edele, zuivere, lieflijke, eervolle. Ik ben geneigd te zeggen dat Paulus hier een esthetisch accent plaatst. Dat wil zeggen: hij noemt hier dingen op die ertoe bijdragen dat het leven mooier wordt, gaver, glansvoller, welluidender. Het lijkt me zinvol om ook die maatstaf aan te leggen bij het beoordelen van homoseksualiteit. Kun je zeggen dat die hoort bij de gave, edele, zuivere dingen van het leven?

Het tegennatuurlijke
Het antwoord op die vraag springt bij mij alle kanten op. Er zijn homo’s die choqueren met een levensstijl die in het oog springt door zijn liederlijkheid, vunzigheid en decadentie. Daarvan kan ik alleen maar zeggen: dit is het tegendeel van edel en lieflijk. Maar ik zie ook een ander soort homo’s.
Mensen, die van die vunzigheid niet minder gruwen dan ik, en die er zelf juist voortdurend op uit zijn geen aanstoot te geven. Zij proberen vorm te geven aan een levensstijl die gekenmerkt wordt door tederheid en behoedzaamheid, zo, dat de een het beste bij de ander oproept. Mij ontroert het als ik homoseksuele mensen op die laatste manier bezig zie.
Streven zij, in de heldere keuzes die zij maken, niet metterdaad naar het edele en zuivere? Ik zou het wel denken!
Maar dan is er tegelijk nog weer iets anders dat mijn aandacht trekt. Ik kan er niet aan voorbijgaan, dat hun streven naar het edele en zuivere doorkruist wordt door het feit, dat er in homoseksualiteit als zodanig iets verwrongens zit. Ik doel hier op dat wat Paulus het ‘tegennatuurlijke’ noemt. Heel concreet: wij mensen zijn er niet op gebouwd. De menselijke seksualiteit komt hier niet tot haar recht. Christelijk gesproken: zó heeft God het niet bedoeld. Zo gezien kun je niet zeggen dat homoseksualiteit als zodanig het leven mooi maakt, en stemt het aanleggen van de maatstaf van Filippenzen 4:8 verdrietig. We stuiten hier op een barst in de schepping, en een barst is niet lieflijk, niet mooi.

Verlegenheid
Daarom kom ik niet uit met de stelregel die Loonstra afleidt uit 1 Korintiërs 6 en 10. Het is naar mijn besef niet genoeg om te vragen: ‘Bouwt het op in het geloof en in de liefde, is het nuttig tot het welzijn van mensen, en raken mensen niet gevangen in verkeerde begeerten?’ (p. 44). Er is ook nog de vraag: is het gaaf? Het antwoord op die vraag kan niet onverdeeld bevestigend zijn. Dat heeft te maken met die laatste waarneming: dat homoseksualiteit, hoe je het ook wendt of keert, ‘tegennatuurlijk’ is. Het ingewikkelde is nu, dat Loonstra de maatstaf van het ‘tegennatuurlijke’ tegelijk wel en niet aanlegt.
Aan de ene kant zegt hij, dat de geschapen natuur voor Paulus geen laatste maatstaf is (p. 43). Dat werkt daarin uit, dat hij pastorale verlegenheid ten aanzien van een homorelatie van belijdende christenen ‘niet nodig’ vindt. ‘Op grond van de Schrift mogen wij aan beide partners de ruimte laten om hun relatie in liefde en trouw voor Gods aangezicht te beleven als een verantwoorde weg’ (p.81). Aan de andere kant doet hij juist veel met de notie ‘tegennatuurlijk’.
Zo noemt hij homoseksualiteit ‘zowel op het niveau van gevoelens en verlangens als op het niveau van relaties, een afwijking van de orde die God geschapen heeft.’ Op grond daarvan kan hij concluderen ‘dat een homorelatie, ook al is die levenslang en exclusief, geen gelijkwaardige variant vormt van een heterorelatie’ (p. 62). Elders noemt hij zo’n homorelatie zelfs ‘een noodoplossing’ (p. 77). Ik vind Loonstra hierin niet helder. De twee sporen die hij trekt laat hij te veel onverbonden. Het gegeven, dat homoseksualiteit door God zo niet bedoeld is, kan naar mijn gevoel niet van ondergeschikt belang worden verklaard bij het uitwerken van een evangelisch beoordelingscriterium.
Daarom ook meen ik – anders dan Loonstra – dat we in de kerk reden hebben om zowel in pastoraal als principieel opzicht blijvende verlegenheid te kennen met homorelaties.
Wanneer we bij onze beoordeling daarvan niet meer gehinderd worden door het besef dat hier iets wringt, raken we iets basaals kwijt.


De andere kant
Tegelijk stem ik Loonstra toe, dat er een groot verschil is tussen ‘moedwillige overtreding van de natuurlijke orde’ en ‘een tegennatuurlijke seksuele gerichtheid’ (p. 44). Dat is het ingewikkelde van de thematiek. Sommige mensen hebben als het ware een ‘tegennatuurlijke’ natuur. Over verlegenheid gesproken! Wat moeten zij met zo’n ‘ingebouwde’ tegennatuurlijke seksuele oriëntatie? Indringend beschrijft Loonstra hoezeer hier voor hen de identiteitsproblematiek aan de orde is. Wat betekent voor hen ‘zelfacceptatie’?
‘Hoe kan iemand bij de bestrijding van zijn drang tot homoseksueel gedrag toch zijn homo-zijn aanvaarden als dele van zijn identiteit?’ (p. 68). Het is op dit punt dat de discussie zich toespitst. Maar daarom is het beroep op de teksten niet toereikend. Immers: ‘Paulus geeft er nergens blijk van homoseksualiteit te kennen als persoonlijkheidsprobleem en zeker niet als probleem van dien aard dat zich binnen de gemeente van Christus voordoet.’ (p. 17, vgl. 73).
De morele vragen zijn verstrengeld met de psychologische. Vanwege die verstrengeling gelooft Loonstra niet in de ‘oplossing’: ‘Je mag het wel zijn maar je mag het niet doen.’ (p. 66).
Zo rigoureus kunnen moreel gedrag en seksuele identiteit niet van elkaar gescheiden worden. Loonstra is er duidelijk over: wie A zegt moet B zeggen.
Als het naar het evangelie is dat homo’s zichzelf - inclusief hun seksuele oriëntatie - accepteren, dan is het ook naar het evangelie om te accepteren ‘dat zij onder bepaalde voorwaarden een relatie aangaan.’ (p. 73).
Weiger je die consequentie, dan ondermijn je het evangelie van de zelfacceptatie, met alle rampzalige gevolgen die dat kan hebben. Want als mensen in de kerk om welke reden dan ook niet leren dat zij zichzelf mogen aanvaarden, dan kan hun leven ellendig scheef groeien. Menige pastor weet daarvan mee te praten.
Op dit punt ben ik dan ook bepaald onder de indruk van Loonstra’s argumentatie.
De pastoraal-psychologische delen van zijn boek vind ik de meest overtuigende.

1 (Dr. Bert Loonstra, ‘Hij heeft een vriend’. Homorelaties in de christelijke gemeente. Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer 2005).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief