Profeten op eenzame posten
2005-09-23
‘Dan zijn er de twaalf profeten: mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien. Want ze hebben Jakob moed gegeven en het volk door hoop en vertrouwen gered’. Het zijn de woorden van Jezus Sirach, die zo’n 2200 jaar geleden de kleine profeten als één boeketje voor zijn lezers neerzette. Wie er in leest, merkt hoe bont geschakeerd dit bundeltje geschriften is.- Jaargang 49
- nummer 18
Jona is van de twaalf het meest afwijkend. Zijn prediking is niet meer dan één zin en het profetische zit vooral in Jona’s doen en laten. En in de vertelling ervan! Direct al, als Jona weigert om met de woorden van de Heer de grens over te gaan en je hem vervolgens tegenover andersgelovigen hoort over ‘de God die de zee (!) en het land gemaakt heeft’. En dat hij op de vlucht is voor deze God die hijhoe is het mogelijk! - tegelijk vereert. Kortom, een getuigenis dat zo krom is als een hoepel, maar des te verrassender is de respons van de zeelui. En later in Ninevé zal het niet anders gaan.
Trouwe kerkganger
Het boekje eindigt met een open vraag, waarin God zijn verdriet om wereld en mensen legt naast Jona’s teleurstelling over een verloren schaduwplekje. Ontmaskerend tot op vandaag - als geluk heel gewoon is geworden en Gods barmhartigheid ook (4:2). En niet alleen het slot van dit profetische boekje is prikkelend. Het viel Tineke Plooij op, dat Jona biddend niet in de buurt komt van schuld of schuldbelijdenis. Terwijl je in datzelfde gebed wel de ‘trouwe kerkganger’ hoort met zijn offers, gebeden en geloftes (2:5,8,10). Maar wat geloof je nou echt, denk je op zo’n moment. En dat maakt dit profetenboekje zo lezenswaardig voor doorgewinterde kerkgangers.
A-moreel
Diep eenzaam in eigen huis en - sterker nog - diep eenzaam gemáákt door God is de profeet Hosea. Hij werkte rond 740 voor Christus, vlak voor de wegvoering van het tienstammenrijk. Hosea kreeg de ongehoorde opdracht om het leven te gaan delen met een vrouw, die de ontrouw in de genen had. Het moet bizar zijn geweest voor de profeet en wie er van hoorde. Met de vraag of het doel wel zo’n a-moreel middel heiligde. Al zal Hosea ook ervaren hebben hoe bitter God zelf leed aan de ontrouw van zijn volk.
Verloren vrouw
Dit schokkend gebaar moest de woorden van de profeet kracht bijzetten. Want om het hart van het volk te bereiken moest Hosea wel door een muur van godsdienstigheid. Door het hele boek heen proef je: God zoekt het hart van zijn volk en wil geen religie, maar relatie! ‘Liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer’, zo luidt één van de kernteksten (6:6). Met even eerder een beeldend verwijt dat je herkent tot in de nazomer van 2005: ‘Jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ‘s morgens vroeg verdwijnt’. God verlangt dus naar liefde uit één stuk. Apart is dan hoofdstuk 2, waar God terugdenkt aan de eerste liefde voor zijn volk. En je voelt de spanning, die meekomt in de lange weg van herstel. Want wat is dat voor een liefde die God moet afdwingen met een isoleercel (2:8)? En wat is dat voor terugkeer als je de ‘verloren vrouw’ hoort zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu’ (2:9). Dat is het onverteerbare trekje uit de gelijkenis van de verloren zoon (Lucas 15:17)! Maar in een volgend moment dacht ik: is het een schande als de liefde voor God gewekt wordt door het gezegende leven dat Hij voor ons in huis heeft?
Tussen de volken
Heel anders weer was Gods ingreep in het leven van Amos, een tijdgenoot van Hosea. Hij woonde in Juda en moest zijn werk als vijgenteler opgeven, om te gaan preken in het noordrijk. Schokkend is in de openingshoofdstukken, dat Amos Israël (en Juda) aanspreekt in de rij van de volken. Bij die volken van rondom legt Amos de vinger bij de zichtbare kant van de zonde, zoals de schending van de mensenrechten. Zulke kritiek is er richting Israël en Juda zeker ook, maar het profetische woord snijdt daar dieper tot op de vraag wat Gods volk met wet (2:4) en profetie (2:11,12) heeft gedaan. Als geen ander was Amos een profeet in tijden van luxe (6:1-7) en dat wil wel resoneren met de wereld van 2005. De armen van toen zijn nu op wereldschaal niet moeilijk terug te vinden - vooral in Afrika. En de rijken...? Weer veel meer in het literaire ligt de rijkdom aan beelden in de profetische verkondiging, ook bij Amos. Dan denk ik aan de prachtige miniatuurtjes over Gods macht (4:13, 5:8-9, 9:5,6) en de visioenen uit het tweede deel.
Veel met weinig
Joël doet daarin niet voor Amos onder, als hij het heeft over de dag van de Heer. Als in een film zie je een leger voorbijtrekken - aanvankelijk van sprinkhanen (Joël 1) maar vervolgens met de trekken van een huiveringwekkende militaire macht (Joël 2:1-9). En uiteindelijk lijkt het de Heer zelf, met zijn legermacht (2:10,11). Bob Wielenga trekt de lijnen door naar hier en nu: ‘Bij hoofdstuk 1 kunnen we ons wel enige voorstelling maken: totaal verwoeste landen door sprinkhanen en droogten, steeds weer. Bezettingslegers zijn er ook vandaag genoeg om te weten wat die voor schade aanrichten aan mens en dier; denk alleen maar aan Irak of Congo. Punt is dat in het geval van Joël het door God gewild en geleid is als straf. Dat kunnen we vandaag de dag toch niet meer zeggen van landen en volken die de ondergang meer dan voorbij zijn.’ Je zou bij al die donkerte rond de dag van de Heer niet geloven dat de profetie van Joël zijn warme uitstraling heeft tot op vandaag. Zoals met het pinksterwoorden over de uitgieting van de Geest. En in de prachtige zin ‘Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen’. Koos Veefkind heeft over dat laatste woord wel eens pakkend gezegd: ‘Zo weinig, en wat weet de Heilige Geest er veel mee te bereiken’.
Over de grens?
Dat was een handvol kleine profeten op een pinkje na: Obadja. Verwonderlijk dat zo’n boekje de canon heeft gehaald, denk ik dan. Met een profetie die puur afgesteld stond op de hoogmoed van broedervolk Edom. Andries Mak vroeg zich af hoe zo’n profetenwoord ooit de grens is overgekomen. Misschien wel nooit en was het meer voor binnenlands gebruik. Ter bemoediging, zoals Jezus Sirach al aangaf.
Geloven in Babel
We begonnen deze ronde met de laatste van de grote vier: Daniël. Hij was een hoogbegaafde joodse allochtoon, die terecht kwam op een ministerspost in Babel. Zijn geloof leed er niet onder. Frits Bijlenga vond het verrassend om zo’n groot geloof aan te treffen bij iemand uit een volk, dat juist vanwege ontrouw aan God was weggevoerd. De drie gelovige vrienden van Daniël mochten er trouwens ook zijn. Bijzonder is het getuigenis van het drietal, als ze met de dood voor ogen toch hun geloof in God niet afhankelijk maken van de redding uit het vuur. ‘Ook al redt Hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren’ (3:18).
Gebed in ballingschap
Opvallend zijn de gebedsmomenten in het boek Daniël. Zoals het gebedstrio, dat de vrienden spontaan vormen, wanneer Daniël rekent met de mogelijkheid dat hij de herhaling van Nebukadnessar’s droom te zien zal krijgen (2:18). Indruk maakte op ons als leesgroep ook het gebed dat van Daniël zelf is opgetekend. Hoog in rang en dan toch zo solidair met het volk in de schuld (9:4-8)! Het is prikkelend als ik denk aan onze omgang met ruzies en scheuringen uit het kerkelijk verleden, om maar eens wat te noemen. En dan de hoogbejaarde Daniël, die zijn gebeden niet opgeeft ook al moet hij voor de leeuwen.
De verhalen uit dit bijbelboek zijn bekender dan de tweede helft, die (net als bij Amos) rijk is aan visioenen.
Maar in beide gedeelten van het boek Daniël is de boodschap, dat God tegenover de wereldmachten het laatste woord heeft. En dat geeft hoop op een wereld, die komt.
Rooster
Micha - Maleachi: kopijdatum 23-09-05.
Matteüs-Marcus: kopijdatum 07-10-05.
e-mail: f.gerkema@solcon.nl.