Dialoog in Abrahams schoot?
2005-09-23
In de vorige Opbouw pleitte ds. Smit, naar aanleiding van een Persschouw van mij, voor een dialoog tussen de zich op Abraham beroepende religies.- Jaargang 49
- nummer 18
In mijn reactie beperk ik me tot twee vragen aan hem: 1. met wie zou hij deze dialoog willen voeren en;
2. wat zou het doel ervan zijn.
Om met dat laatste te beginnen: terecht stelt Smit dat het gaat om een politiek urgent onderwerp. Maar tegelijk blijkt hij veel meer te willen. De godsdienstdialoog moet zelfs een bijdrage leveren tot het gezondhouden van de eigen religie. Want als de aanhangers van de verschillende godsdiensten eenmaal ontdekt hebben hoezeer ze aan elkaar verwant zijn (blijkbaar weet Smit al tot welke conclusie de dialoog zal leiden; waar en voor wie heb je dan nog een dialoog nodig?), is er geen voedingsbodem meer voor enig fundamentalisme. Ik kan me hier niets bij voorstellen. Ik moet denken aan een gesprek dat ik ooit had met een aantal moslimmannen. Zij bleken een ijzersterk argument te hebben waarom hun godsdienst superieur was aan de mijne: want zij mochten dan toch maar mooi vier vrouwen hebben, en ik maar één. Knockout! Daar ga je met je godsdienstdialoog. Overdreven? Nee, dit is de praktijk! Dat betekent niet dat je dus maar moet afzien van elke vorm van gesprek met elkaar. Het betekent wel:
• dat zo’n gesprek veel moeilijker is dan wij in ons naïeve westerse optimisme denken;
• dat het daarom gevoerd zal moeten worden met een beperkte doelstelling;
• omdat het inderdaad een politiek urgent onderwerp is, en dus, zeker in de vorm waarin Smit ervoor pleitafziend van de waarheidsvraag - geen taak is van de kerk, maar van de overheid.
Concreet: dat iemand die verantwoordelijk is voor openbare orde en veiligheid met het idee komt een gesprek te organiseren tussen leden van verschillende culturen, c.q. godsdiensten, kan ik me goed voorstellen. In Rotterdam hebben een aantal van dergelijke gesprekken plaatsgevonden (dat het resultaat ervan tegenviel zij terzijde gemeld, en kan gelden als een bevestiging van wat ik hieronder nog zal betogen). In dergelijke vanuit de politiek aangezwengelde gesprekken kan de vraag naar de waarheid inderdaad buiten beschouwing blijven. Het doel dat een overheid op zo’n moment heeft, is puur functioneel: als het maar werkt, als orde en rust maar bevorderd worden.
Een dialoog zonder getuigenis levert op z’n best een soort omgangsregeling op; een afspraak over hoe je omgaat met verschillen. Dat is niet niks, laat dat duidelijk zijn. Waar echter een overheid met een dergelijke doelstelling kan volstaan, daar kan en mag de gemeente van Christus dat niet. Hoe ds Smit hierin het nederige begin van het koninkrijk van God weet te ontwaren is mij dan ook een raadsel. Een kerk die in het gesprek met de moskee zwijgt over het evangelie van Jezus als de Christus, doet iets dat haaks staat op haar roeping in deze wereld.
Dialoog met wie?
Hierboven sprak ik over ‘een omgangsregeling’. Maar om te komen tot een omgangsregeling is nodig de bereidheid van twee partners om zich daarvoor in te zetten. En daar zit een probleem! Want met wie zou de dialoog gevoerd moeten worden? Aan welke voorwaarden moeten de door ds Smit beoogde gesprekspartners voldoen? Moeten zij, net als hij, de bereidheid hebben om ter wille van het gesprek af te zien van de pretentie de waarheid te kennen? Dan voorzie ik een herhaling van wat zich destijds afspeelde in het OJEC (Overlegorgaan Joden En Christenen). Wie praatte daar met wie? De min of meer vrijzinnige christen en de eveneens min of meer vrijzinnige Jood. En ze vonden elkaar wonderwel! Dat was een typisch voorbeeld van een schijndialoog. Met goede bedoelingen, ongetwijfeld, maar het was géén dialoog. Andere mogelijkheid: wij van onze kant zijn bereid om (op z’n minst tijdelijk) af te zien van de pretentie de waarheid te kennen, maar van onze gesprekspartners verwachten wij niet datzelfde; zij mogen vasthouden aan die pretentie, omdat zij nu eenmaal nog niet in staat zijn onderscheid te maken tussen persoonlijke meningen en datgene wat het algemeen belang raakt en daarmee uitgaat boven individuele overtuigingen. Maar ook in dit tweede geval - dat ongetwijfeld meer recht doet aan de werkelijke verhouding tussen christendom en islam - is van een echte dialoog geen sprake. Integendeel: hier is het de christelijke gespreksdeelnemer die zich neerbuigt tot de ander, en hem minzaam toestaat nog te verwijlen in een ontwikkelingsfase die men zelf inmiddels ruimschoots achter zich heeft gelaten. Kortom: hier spreekt een ergerlijk superioriteitsgevoel. In Leven aan de onderkant van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple kwam ik het punt in geding helder verwoord tegen: ‘Religieuze verdraagzaamheid is geen universeel aanbeden waarde. Ze wordt niet alleen niet nagestreefd of gepraktiseerd, maar de basis ervan, het beschaafde scepticisme, het ontbreken van een absoluut geloof, wordt door velen als taboe beschouwd.’ (p. 54, cursivering van mij, mhtb) Eerder al (p. 48-49) schreef hij over conflicten tussen mensen die er verschillende culturele normen en overtuigingen op na houden: ‘Het idee dat we allemaal wel met elkaar overweg kunnen, zonder dat de wet onderscheid hoeft te maken ten gunste van het ene of het andere stelsel van culturele waarden is erger dan alleen maar onjuist: het slaat helemaal nergens op. (...) Bij ons kunnen die conflicten worden opgelost door een beroep te doen op het diep gewortelde hogere principe - belichaamd in de wet - dat individuen binnen zekere grenzen het recht hebben zelf te bepalen hoe ze willen leven. Maar dit westerse begrip van individualisme en tolerantie is helemaal niet vanzelfsprekend in andere culturen.’ (cursivering opnieuw van mij, mhtb)
Dialoog en getuigenis
Ik zie dus nagenoeg niets in een van de christelijke gemeente uitgaande dialoog, die ontdaan is van iedere vorm van getuigenis. En dan niet alleen omdat de Here Jezus als Redder der wereld me daarvoor te lief is, maar ook omdat zich voor een in déze zin opgevatte dialoog nauwelijks gesprekspartners laten vinden. Dat maakt het artikel van Smit in hoge mate theoretisch: er is domweg geen landingsbaan voor in de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet. Daarvoor is het te westers, te veel gebaseerd op voor ons vanzelfsprekende uitgangspunten. Zoals trouwens het hele concept van een scheiding tussen godsdienstdialoog en verkondiging van het evangelie een westerse constructie is. Ds. Smit lijkt bang te zijn voor een dialoog die alleen maar getuigenis is. Waar ik bang voor ben is een dialoog zónder getuigenis. Daar zie ik niets in!
Ten slotte
Terwijl ik dit schrijf lees ik in het septembernummer van CV-Koers (p. 27) een gesprekje met Aletta Voskamp, die in Den Haag met moslims spreekt over het evangelie. Op de vraag: ‘Hoe moeten christenen in deze tijd met moslims omgaan?’, is haar antwoord: ‘Wees vooral vriendelijk, treed hen niet met vooroordelen tegemoet. Maar wees vooral duidelijk over wat je gelooft. Vertel open over God. Veel moslims zeggen dat ze maar weinig christenen tegenkomen die over hun geloof praten. Dat vinden ze vreemd.’ En gelijk hebben ze!