Geworteld en gegrond

2005-11-04
  • Jaargang 49
  • nummer 21
Wanneer Jeremia tot profeet geroepen en aangesteld wordt krijgt hij van zijn Zender deze opdracht te horen: ‘… Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten’ (Jeremia 1:10).

Behalve dat het in deze instructie om een negatieve en een positieve karakteristiek van Jeremia’s taak gaat – het bestaande moet wijken om plaats te maken voor iets nieuws – worden zowel voor dat negatieve als voor het positieve twee beelden gebruikt: het ene ontleend aan de bouwwereld, namelijk bouwen (en afbreken), en het andere aan de landbouw, te weten planten (en uitrukken).

Gestructureerd leven
Thematisch lopen deze twee termen in letterlijke en in figuurlijke zin naast elkaar door heel Jeremia’s profetie heen: Jeremia 1:10; 18:9; 24:6; 29:5; 29:28; 31:4,5; 31:28; 35:7; 42:10; 45:4. Beide termen brengen ons in de eenvoudige wereld van de Israëlitische samenleving waarin huizen gebouwd, akkers bezaaid en wijngaarden geplant werden (Jeremia 35:7). Als beeldspraak heeft het bouwen iets van structuur aanbrengen, terwijl het planten de groeigedachte tot vooronderstelling heeft. Beide beelden vullen elkaar aan. Dat wat enkel groeit verwordt tot wildgroei en dat wat enkel gebouwd wordt mist leven. Gestructureerd leven – dat is wat door het woordpaar bouwen en planten tot uitdrukking wordt gebracht en in het vooruitzicht wordt gesteld.

Huis en akker
De Jeremiaanse zegswijze heeft in de rest van de bijbel een vervolg gekregen.
Kijken we Jezus’ gelijkenissen erop na dan heeft Hij het niet zelden over de bouw van een huis (op zand of op de rots), over het bezaaien van een akker of over het planten van een wijngaard. Niet vreemd bij de Heiland die zo dicht bij het gewone leven stond. Maar ook Jezus’ apostelen zijn ermee vertrouwd. Paulus noemt zich een kundig bouwmeester die het fundament van de gemeente gelegd heeft. Hij stapt op deze beeldspraak over nadat hij even tevoren zichzelf heeft voorgesteld als planter en Apollos als begieter onder God die de wasdom geeft aan ons (1 Korintiërs 3:10-15 na 3:6-9). Beide beelden van planten en bouwen staan hier opvallend naast elkaar.

Levende stenen
Interessant is dat Petrus beide beeldspraken niet maar naast elkaar plaatst, maar ze zelfs dooreen mengt wanneer hij Christus eerst en de gelovigen vervolgens levende stenen noemt (1 Petrus 2:4,5). Inderdaad is een steen op zichzelf een dood ding.
Vandaar mijn typering van hierboven: ‘dat wat enkel gebouwd wordt mist leven’. Dat vond Petrus ook en vandaar dat hij aan de steen de groeikracht toevoegt: levende steen.
Terwijl hij blijkens het vervolg toch ook weer de bouw van een geestelijk huis voor ogen heeft waar planmatigheid en structuur voor nodig zijn.
De levende steen houdt niet op bouwsteen te zijn. Tot zover een paar duidelijke voorbeelden van het apostolische woordgebruik. Iets minder duidelijk maar toch ook onmiskenbaar verwijst Paulus naar het woordpaar planten en bouwen wanneer hij de gelovigen ‘geworteld en gegrond in de liefde’ noemt (Efeziërs 3:17). Voor ‘gegrond’, een woord dat je op de klank af geneigd bent voor een synoniem van ‘geworteld’ te houden, is namelijk de vertaling ‘gefundeerd’ of (zoals de NBV heeft) ‘gegrondvest’ ook mogelijk en zelfs duidelijker. De verwijzing daarvan naar de bouwwereld is evident. In de ‘paralleltekst’ van Kolossenzen 2:7 staat: ‘geworteld en opgebouwd wordend in Hem’.
Het gaat mij nu in dit artikeltje vooral om de combinatie van de twee beeldspraken. Natuurlijk zijn er voor de beide termen van bouwen en planten afzónderlijk heel wat meer teksten te noemen. Zo is Paulus in zijn woordkeus duidelijk van Jeremia afhankelijk als hij tegen de Korintiërs zegt dat God hem de bevoegdheid gegeven heeft ‘om te bouwen en niet om af te breken’ (2 Korintiërs 13:10).

Gereformeerd en evangelisch
Maar het naast elkaar voorkomen van de twee beeldspraken vind ik opmerkelijk en het geeft mij de volgende gedachte in. Een vrije gedachte, dat geef ik toe, want ik kan mij daarvoor op geen schriftplaats beroepen. Maar toch. Zouden we hier iets mee kunnen bij het nadenken over de verhouding tussen gereformeerd en evangelisch waar we in alle reformatorische kerken en zeker ook wel in onze Nederlands Gereformeerde Kerken mee te maken hebben? Is het gereformeerde niet ten voeten uit getypeerd met het woord bouwen en structuur aanbrengen en is een opvallend kenmerk van het evangelische niet het leven en de groeikracht? En nu ga ik nog eens naar het begin terug: ‘beide beelden vullen elkaar aan. Dat wat enkel groeit verwordt tot wildgroei en dat wat enkel gebouwd wordt mist leven.’ Zijn dat niet precies de gevaren die zowel het evangelische als het gereformeerde bedreigen?
Vormeloze ontplooiing aan de ene en dode orthodoxie aan de andere kant?
Hebben zowel het gereformeerde als het evangelische niet de behoefte aan gestructureerd leven? Waarbij ik wat het gereformeerde betreft aan gestructureerdheid denk en wat betreft het evangelische aan leven. En zou wederzijdse beïnvloeding er niet toe kunnen leiden dat we allebei meer dan tot dusver levende stenen worden?
Voorwaarde hiervoor is dan natuurlijk wel dat elk van beide vrijmoedig met het eigene naar voren komt, want met de moderne ‘verwolliging’ van een verschil als dit is niemand gediend.

Aan elkaar gegeven
Dit zou kunnen betekenen dat wij voorshands niet moeten aansturen op een samengaan van de gereformeerde en de evangelische stroming, maar dat we eerst maar eens leren het eigene kritisch te onderzoeken met de vraag voor ogen wat we, de een van de ander, kunnen leren. Er zou al heel wat gewonnen zijn als wij ophielden elkaar de verschuldigde hoogachting te onthouden. En zou het dan in die zin niet van God kunnen zijn dat wij in deze tijd als gave en opgave aan elkaar gegeven worden en op elkaar aangewezen raken?
Het zou mijns inziens tot aanmerkelijke winst in het geestelijke leven kunnen leiden. Immers: ‘geworteld en gegrond in de liefde zouden (het stellige ‘zullen’ van de tekst vervang ik voorzichtigheidshalve maar door het suggererende ‘zouden’) wij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods’ (Efeziërs 3:17–19).
Die Jeremia toch, met zijn bouwen en planten! Wat een prachtige greep uit het gewone leven!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief