Ruimte voor een gesprek

2005-11-04
  • Jaargang 49
  • nummer 21
Een van de aardige dingen van de Nederlands Gereformeerde kerken is dat er binnen de gepredikte orthodoxie (Christus behalve mens en voorbeeld ook werkelijk levend God en Verlosser) altijd ruimte bestaat voor verschillende persoonlijke houdingen en uiteenlopende maatschappelijke opvattingen. Als er iets is wat wij van ‘1967’ hebben geleerd, is het wel dat wij geen Ware Kerk zijn maar dat wij leven in de erkenning van het menselijk tekort. Wij zijn bevrijde zondaars, geen onberispelijke heiligen.

In dit licht is het niet vreemd dat er in onze kerken een bijzonder probleem is ontstaan rond de positie van een homoseksueel samenwonend predikant.
In de Rooms-katholieke kerk zou de zaak duidelijk geweest zijn: iedere priester valt onder het celibaat, homo of niet. Gewone parochianen mogen wel homo zijn maar ‘het niet doen’, zoals Antoine Bodar onlangs in het televisieprogramma Schepper & Co. (NCRV) zei. Rome zou echter Rome niet zijn als de soep van de leer niet zo heet gegeten wordt als hij wordt opgediend en homofilie in de praktijk dus meestal wordt gedoogd. In strengere reformatorische kerken zou de kwestie ook duidelijk geweest zijn.
Homofilie is zondig en in praktijk tuchtwaardig. En nu hangen wij daar gedogend tussenin (wel toegang tot het avondmaal; niet tot de ambten) en krijgen we in al die aardigheid onze eigen streken thuis. Dat is moeilijk en levert vooral verdriet op, zo lijkt het. Existentieel verdriet om de ontkenning van de identiteit van een serieus te nemen groep gelovigen tegenover oprechte zorg om de invulling van de leer en de zuiverheid van ons leven.
Naar aanleiding van het artikel van Sander Klos (Opbouw, 7 oktober jl.) en in de wetenschap dat Ruard Ganzevoort na zijn ontslag te kennen gegeven heeft in beroep te zullen gaan bij de Landelijke Vergadering, wil ik graag wijzen op de diepere vraag die onder dit voor velen moeilijke debat schuil gaat. Hoe staan wij in ons handelen sinds Genesis 3 tegenover onze Heer en Heiland? Als wij voor Gods aangezicht staan in het licht van het offer dat Christus voor ons gebracht heeft, dan besterft ieder moreel oordeel ons op de lippen. Met een beroep op Luthers beroemde ‘Simul peccator et justus’ ligt onze rechtvaardiging enkel in de aanvaarding van de genade (Romeinen 3:21). Er is geen troostvoller leer in het leven denkbaar en wie dit goed tot zich door laat dringen, zal het onderhouden van een serieuze homofiele relatie vervolgens niet gelijk stellen met ‘zondig handelen’ maar relateren aan de gebrokenheid van na de zondeval waaronder wij allemaal leven.
Gezien het feit dat Ganzevoort als predikant nooit verzuimd heeft dit Evangelie te verkondigen, had ik het brede gesprek over homofilie en identiteit binnen onze kerken liever met hem gevoerd dan zonder hem. Ik denk ook dat het gekund had - en misschien zelfs alsnog zou kunnendaar Doorn zich nadrukkelijk niet op de tucht (art. 30 AKS) maar op andere gronden beroepen heeft. Ook het feit dat Ganzevoort vanwege zijn werk aan de VU (Amsterdam) en de THUK (Kampen) niet direct een gemeente dient, zou wat extra ruimte (hebben) kunnen verschaffen rond zijn persoon.

Nu een besluit over zijn definitieve toekomst aan de Landelijke vergadering is voorbehouden, rest het pleidooi om lastige vragen en figuren niet uit de weg te gaan uit angst voor welke onrust dan ook. Dat zou niet goed zijn, dan woekeren de vragen onderhuids en ondergronds door.
Laten wij daarom open, mild en oprecht zijn en in het licht van Gods heilswerk elkaar niet afvallen maar in het gebed nabij zijn.

Peter Sierksma, Utrecht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief