Liturgie
2005-11-18
In het weekblad van de Gereformeerde Gemeenten, De Saambinder, schrijft ds. M. Golverdingen een serie artikelen over ‘Momenten uit de gereformeerde eredienst’.- Jaargang 49
- nummer 22
Hij geeft er blijk van goed op de hoogte te zijn hoe kerkdiensten in het verleden verliepen, in de tijd van de oude kerk en van de Reformatie.
Tegelijk is hij zich ervan bewust dat allerlei zaken in zijn kring heden ten dage evident anders zijn ingericht.
Opvallend is de milde, toegeeflijke wijze waarop hij daarmee omgaat; blijkbaar komt het er in de liturgie toch wat minder op aan dan in de leer.
Ik kies twee gedeelten uit de artikelen van Golverdingen (13 en 20 oktober).
Na eerder al geschreven te hebben over de betekenis van de wet in de kerkdienst, komt hij nu te spreken over de Apostolische Geloofsbelijdenis:
De lezing van de Apostolische Geloofsbelijdenis vindt als regel plaats in de namiddagdienst. Het Credo - het Latijnse woord voor ‘Ik geloof’ - of het Apostolicum heeft een ander karakter dan de lezing van de wet.
Daarin spreekt God tot de gemeente.
Bij het belijden van het geloof gaat het om het antwoorden van de gemeente op de verkondiging van het Evangelie. Ten diepste gaat het om het aanvaarden van de vergeving der zonden met het hele hart.
Oorspronkelijk was de geloofsbelijdenis een persoonlijke aangelegenheid.
In de oudchristelijke kerk spraken de competenten, de doopkandidaten, in de kerk voor de bisschop en het volk de geloofsbelijdenis uit. Tijdens de doop werden drie doopvragen gesteld, die betrekking hadden op het geloof in de drie-enige God. Elke vraag werd beantwoord met het: ‘Ik geloof...’. Na dit persoonlijke antwoord op de doopvragen werden de kandidaten naar het avondmaal geleid, waaraan zij voor de eerste keer mochten deelnemen. Later kreeg de Geloofsbelijdenis een plaats in de Romeinse mis (1014). Daar lag de bedoeling achter dat de gemeente haar geloofbelijdenis vernieuwde vóórdat men deelnam aan de eucharistie.
In dit missaal volgt de Apostolische Geloofsbelijdenis dan ook ná de lezing van het Evangelie en de eventuele preek en vóór de viering van het Heilig Avondmaal. We zagen [in een eerder artikel, mhtb] dat de Apostolische geloofsbelijdenis die plaats ook kreeg in de Straatsburgse liturgie van Calvijn. Die keuze heeft ook de opstellers van ons avondmaalsformulier beïnvloed. We weten allen dat de geloofsbelijdenis aan de bediening van het sacrament vooraf gaat.
In dit licht gezien zou het Credo het beste een plaats kunnen ontvangen na de prediking. Toch kan men ook de lezing van de Apostolische Geloofsbelijdenis vóór de Schriftlezing verdedigen. Dan heeft de belijdenis, gelezen door de ouderling van dienst, een onderwijzende functie in de leerdienst.
Het Apostolicum geeft immers een samenvatting van het Evangelie, van de hemelse leer, die vraagt om onze persoonlijke instemming met het hele hart: ‘Ik geloof....’. De geloofsbelijdenis is en blijft het antwoord op het Woord van God dat tot ons komt in de eredienst.
En dan wat Golverdingen schrijft over het ‘grote gebed’:
In de tijd van de Reformatie werd het gebed voor alle nood der christenheid na de prediking gehouden. Toen was het gebed om de verlichting van de Heilige Geest bij het verkondigen en horen van het Woord kort en het slotgebed zeker vier tot vijf keer zo lang als vandaag het geval is. We kunnen dit aflezen uit de gedrukte tekst van de Straatsburgse liturgie van Johannes Calvijn. De gedachte daarachter is ongetwijfeld dat de ware dankbaarheid oog heeft voor de nood van deze wereld, voor ieder die in bijzonder druk- en kruiswegen verkeert [??
Mhtb] en voor de taak van de overheid in de samenleving. In de loop van de tijd is dat onderwerp uit het slotgebed verplaatst naar het gebed voor de bediening van het Woord.
Daarvoor is heel veel te zeggen vanuit algemeen menselijk oogpunt. Men draagt bij het grote gebed als het ware alle noden van de gemeente nog helder bij zich. Zo gemakkelijk kan men immers na de gehouden preek iets vergeten. () Daar komt bij, dat de gemeente vandaag veel minder op luisteren is ingesteld dan vroeger, toen we niet in een beeldcultuur maar in een hoorcultuur leefden. De spanningsboog van onze aandacht en ons opnamevermogen zijn de laatste vijftig jaar sterk verminderd.
Met een dienst van anderhalf uur is de grens bij de meeste gemeenteleden bereikt. Als de dienst langer duurt, is het gevaar groot dat alle aandacht wegebt en dat men het slot van de preek maar over zich laat komen.
Het volgen van een preek vraagt van de mens inspanning. Het laat zich verstaan dat men na een met aandacht beluisterde prediking geen lang nagebed begeert. Ter wille van de menselijke zwakheid houden we als regel het dankgebed na de preek kort.
M.H.T. Biewenga, Enschede