Het kruis staat nog aan

2006-07-28
  • Jaargang 50
  • nummer 15
Van verbouwde machinefabriek tot katholieke kapel, van overgenomen Samen-op-Wegkerk tot gehuurde aula. Nederlands Gereformeerden lijken het koekoeksjong binnen protestants Nederland. Hun kleinschaligheid en korte geschiedenis dwingen hen vaak tot zeer uiteenlopende keuzes.
Maar is er ook nog zoiets als ‘Nederlands Gereformeerde’ kerkbouwcultuur?
Of leeft onder hen niet eens de behoefte om deze vraag te stellen? Omdat het gebouw er niet of nauwelijks toe zou doen?

Een inventarisatie van de ruimten die door deze kerkelijke gemeenten voor de samenkomsten gebruikt worden (peildatum 2 februari 2006) levert het volgende op. Gehuurd wordt door vierendertig gemeenten. Veertien van hen huren een aula van een school, vijf een andere - niet kerkelijke – ruimte en dertien gemeenten huren een kerkgebouw van een ander kerkgenootschap, in de meeste gevallen betreft dit een oorspronkelijk hervormde kerk. Twee gemeenten huren een kerkgebouw dat door eigen kerkleden is aangekocht. Achtenvijftig gemeenten zijn in het bezit van een eigen kerkruimte. Daarvan zijn er negenendertig waarvan de kerk voor de eigen gemeente gebouwd is, negen die een andere ruimte tot kerk verbouwd hebben en tien die een kerk van een ander kerkgenootschap kochten.
Overigens, van de negentig gemeenten zijn er twee die in twee categorieën vallen.
Die gekochte of gehuurde kerkgebouwen van bijvoorbeeld hervormde gemeenten leveren volgens sommige bezoekers een on-Nederlands Gereformeerd beeld op. Er wordt dan vooral gedoeld op kerkgebouwen die kleurrijke en voorstellingsrijke glas-inloodramen bezitten. Met name de Lasonderkerk (helemaal gerestaureerd na de vuurwerkramp) en de Vredeskerk in Enschede vallen daarin op. Ze zijn ook te bekijken op internet (via www.ngk.nl zijn vrijwel alle gemeenten te vinden). De gemeente in Hoorn kerkt in de oude Oosterkerk. Op de fotogalerij van hun site zijn gebrandschilderde ramen uit 1620 en 1717 te zien.

Afspiegeling
Maar hoe zit het met de ramen in de negenendertig kerkgebouwen die oorspronkelijk voor de eigen gemeente gebouwd zijn? Hebben ze iets te zeggen? Klopt de veronderstelling dat gereformeerden vooral het Woord willen laten spreken en als gevolg daarvan hun gebouwen minder aandacht geven? Zijn de ramen een afspiegeling van die gedachte? Ik wil deze gebouwen met hun ramen in historische volgorde bespreken en er meer of minder op inzoomen. Nog wat statistiek: zes van deze gebouwen stammen uit de negentiende eeuw, negen vinden hun oorsprong in de eerste helft van de twintigste eeuw, in de tweede helft (na de Vrijmaking) werden er vierentwintig kerken gebouwd, waarvan elf na de laatste scheuring (rond 1970).

Van sober raam tot spel van licht
De negentiende-eeuwse Afscheidingskerken zijn sober. De blankgekleurde ramen tussen de witgekalkte muren waren niet zozeer het gevolg van het veronder-stelde beeldenverbod, maar eerder van de voorkeur voor eenvoud en een bescheiden gebruik van bouwelementen uit vroeger tijden. Later, vanaf de Doleantie (in 1886), werd die soberheid verheerlijkt. Ook speelde geldgebrek een grote rol. Waar eerder de overheid de kerk ondersteunde en bijvoorbeeld een glas-in-loodraam schonk, moest alles nu betaald worden door de eigen gemeenteleden.
De oudste kerk is die van Loosdrecht (1836). Daar is de oude sobere stijl nu nog goed herkenbaar. Helaas is in sommige gemeenten door goedbedoelde modernisering veel verloren gegaan en is het gebouw minder sprekend en - eerlijk gezegd - saaier geworden. Door groei van het aantal kerkleden kwam er behoefte aan veel zitruimte. Galerijen boden uitkomst.
Later toegevoegde galerijen, zoals in Leerdam, waar de nieuwe galerij het grote glas-in-loodraam (een combinatie van blanke en gekleurde stukjes glas) doorbrak, deden afbreuk aan de oorspronkelijke verhoudingen.

Onze Eredienst
De invloed van Abraham Kuyper (1837-1920) was de eerste helft van de twintigste eeuw goed zichtbaar.
Veel gemeenten werden geïnspireerd door zijn artikelen over de eredienst (in 1911 gebundeld in het boek Onze Eredienst). Kuyper had een duidelijke voorkeur voor centraalbouwkerken: de banken rond de kansel, een duidelijk samengaan van uitbeelding en woordverkondiging.
Hoewel hij schilder- en beeldhouwkunst afkeurde, moedigde hij wel decoratie van kerkgebouwen aan.
Rondboogramen bleven populair.
Gotische spitsbogen zouden volgens Kuyper te veel verwijzen naar de katholieke kerk, die in zijn ogennaar analogie van de tempel van Salomo - ten onrechte ‘heiligdom’ wilde zijn in plaats van ‘voorhof’. De architect kreeg van Kuyper een belangrijke rol: alleen hij moest de ‘goede smaak’ waarborgen. Daardoor bepaalden de architecten zowel de vormgeving van het gebouw als de inrichting, wat de eenheid tussen deze twee ten goede kwam.
Onder invloed van de heersende kunststijlen werden de glas-in-loodramen kleuriger dan in de voorgaande eeuw. Hier en daar klonk wel wat afkeuring, maar dat leidde hooguit tot een lichte tempering van de kleuren.
In de ramen van het kerkgebouw van Wezep, dat vlak voor de Tweede Wereldoorlog in gebruik genomen werd, zijn voor het eerst symbolische voorstellingen te zien. Hoewel eenvoudig gekleurde glas-in-loodramen in het gebouw overheersen, zijn op zes prominente plaatsen de scheppingsdagen uitgebeeld, met ingetogen kleuren gebrandschilderd. De ramen waren een geschenk van de architect. In de oorlog raakten de ramen beschadigd en werden delen ervan in het goedkopere zink gezet; rond 1960 is alles weer in lood geplaatst.

Literatuur:
Jean-Marie Geron, Het hedendaagse glasraam, Tournet, 2001.
G.J. van der Harst, Monumentale kerkgebouwen: een lust voor de kerk, Zoetermeer, 2000.
Dr. Regn. Steensma, Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw, Kampen, 1996.
C.A. van Swigchem, Een huis voor het Woord, Den Haag, 1984.
Elizabeth Wylie, De kunst van gebrandschilderd glas van de 11e eeuw tot heden, Alphen a/d Rijn, 1998.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief