God voert zijn eigen oorlog
2006-09-01
We horen tegenwoordig vaak over de jihad, de heilige oorlog van de moslims. Veel jongelui laten er zich voor opleiden om de zaak van Allah in de wereld te promoten. Wij gruwen ervan. Maar wist u dat het oude Israël die heilige oorlog ook al kende, zij het dat de term zelf in het Oude Testament niet voorkomt.- Jaargang 50
- nummer 17
‘Oorlogen des HEREN’ is daar de naam en Israël had er zelfs een boek van (Numeri 21:14), al is dat niet in de canon opgenomen. Wanneer hedendaagse christenen met verachting neerzien op ‘die primitieve moslims met hun heilige oorlog’, moeten ze bedenken dat die werkelijkheid ook in hun eigen bijbel voorkomt. Dat zou ervoor kunnen zorgen dat zij de moslims met meer begrip tegemoet treden.
Het is een van de punten, waarop het Oude Testament ons kan helpen in de communicatie met moslims.
Maar tegelijk kan datzelfde Oude Testament ons in het gesprek met hen op de weg zetten naar het Nieuwe Testament waar de dingen anders liggen, niet in het minst voor wat die heilige oorlog betreft.
Gewelddadig
Het duidelijkste voorbeeld van die politiek-religieuze strijd vinden we in de manier waarop het oude volk van Israël in het bezit van het beloofde land gekomen is. Grote moeite hebben wij als nieuwtestamentische gelovigen met de gewelddadige verovering van het land Kanaän onder leiding van Jozua. Bijvoorbeeld als je te lezen krijgt: ‘Toen sloegen zij alles wat in de stad was met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards’ (Jozua 6:21). Ach, dat zijn moeilijke teksten!
Tegenwoordig krijgen wij ze op ons bord, als we protesteren tegen het geweld van sommige islamitische groepen. Kijk in je eigen bijbel!, krijg je te horen.
Wat moeten we hiermee aan? Blijkt hier inderdaad niet dat de bijbel, het woord van God dat we liefhebben, niet vies is van geweld? En slaat dit niet terug op de Here God zelf, getuige wat we in het begin van Jozua 6 lezen: ‘En de HERE sprak tot Jozua: Zie, Ik geef Jericho met zijn koning en zijn militair potentiëel in uw macht…’ (vers 2)?
Mysterieus
Toch is er een passage in het boek Jozua (hoofdstuk 5:13–15, zie kader), die daar zelf ook een vraagteken bij lijkt te zetten. Daarover zal het in deze twee artikelen gaan. De bedoelde tekst plaatst ons voor de heiligheid van God: ‘Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig’. Mozes kreeg dat te horen toen hij op de brandende braamstruik afstapte om te zien hoe die struik kon branden zonder te verteren (Exodus 3:5). En hier wordt het tegen Jozua gezegd. Minder duidelijk dan bij Mozes, is mijn indruk, want het is een wat raadselachtige tekst.
Vooral dat ‘Nu ben Ik gekomen’ (letterlijk vertaald) klinkt mysterieus.
Gekomen? Waar? En waartoe? Maak de zin eens af, heb je de neiging te vragen.
Precies op tijd
De duidelijkheid moet komen uit het verband waarin deze passage staat.
Het is aan de vooravond van dat grote offensief waarover de rest van het boek Jozua vertelt. Precies op tijd is de HERE gekomen, zou ik zeggen.
Precies op tijd om duidelijk te maken dat we de Allerhoogste niet zo maar één op één met de vechtende Jozua en het strijdende Israël mogen verbinden.
Wat de Here God hier wil zeggen is dit: Jouw acties, Jozua, hángen wel samen met mijn plannen, maar ze vállen er niet mee samen. Ik ga wel mee, maar Ik ben niet meegaand. Dat wordt tot uitdrukking gebracht in die heiligheid van de Here God. Heel deze verschijning, heel deze ontmoeting gaat daarin op. Jozua moet van die heiligheid onder de indruk worden gebracht. ‘Wat heeft mijn Heer tot zijn knecht te zeggen?’ vraagt Jozua (vers 15). En het antwoord is: ‘Doe de schoenen van je voeten!’
NEEN!
Jozua bevindt zich op dat moment in de omgeving van Jericho en opeens staat daar een ontzagwekkende hemelse gestalte voor hem, een geducht krijger die een getrokken zwaard in zijn hand heeft.
Bedreigend, reken maar! Moedig stapt Jozua erop af. En heel begrijpelijk is zijn vraag: ‘Behoort u bij ons of bij onze tegenstanders?’ Moet ik bang voor u zijn of bent U onze bondgenoot? Het antwoord is: ‘Neen, maar Ik ben de vorst van het heer (de legermacht) des HEREN’.
Let vooral op dat NEEN! Dat wil zeggen: Ik behoor tot geen van beide partijen, Ik kies niet in dit geding tussen Israël en Kanaän. Dat is nogal wat! Je gelooft je oren haast niet.
Want het was toch niet zonder de machtiging van de Here God geweest dat Jozua zijn acties tegen de Kanaänitische bevolking was begonnen? Hij, de HERE, was het toch die achter Jozua stond? Hoe kan Hij hier dan NEEN zeggen op de vraag of Hij bij de ene of bij de andere partij hoort? Hij hoort aan de kant van Jozua en Israël, geen twijfel mogelijk toch?
Een geestelijke oorlog
Voorzichtig! Dit visioen laat zien dat de Here God zich ongemakkelijk heeft gevoeld bij zijn bevel om Kanaän gewapenderhand te veroveren.
Ik denk aan wat we Hem horen zeggen bij die andere stad die gereed stond ondersteboven gekeerd te worden. Ninevé. ‘Zou Ik dan Ninevé niet sparen, die grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het onderscheid niet kennen tussen hun rechter- en hun linkerhand, benevens veel vee?’ (Jona 4:11). Je kunt wel zeggen: ja, maar Jericho was een goddeloze stad en vandaar dat tot haar vernietiging was besloten, maar wat denkt u dan van Ninevé? ‘Wee de bloedstad!’ lezen we bij de profeet Nahum over Ninevé (Nahum 3:1). De Here God wil eigenlijk niet met de gewelddadige verovering van Jericho en Kanaän in verband worden gebracht. Zoals wij het er moeilijk mee hebben, zo - en nog veel meer - Hij. ‘De HERE is een krijgsman’, zegt Mozes in zijn lied bij de Schelfzee (Exodus 15:3). Dat is Hij hier ook, getuige dat uitgetrokken zwaard in zijn hand. Maar Hij voert zijn eigen oorlog en die is geestelijk van aard. ‘Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest’ (Zacharia 4:6).
Eerder en later
We stuiten hier op een eigenschap van de bijbel die je bij de Koran niet vindt. Onze bijbel is verdeeld in tweeën: een Oud en een Nieuw Testament. En alles wat in het Oude Testament staat keert in het nieuwe niet zomaar terug. De bijbel is het verslag van een weg die God met ons mensen gaat. Zo kun je de koran niet typeren. Daarin is alles op één moment uit de hemel neergekomen, geloven de moslims. Je kunt bij de koran dus niet zeggen: ja, maar dat was toen; later (lees maar verder!) is dat anders geworden. Er zit geen eerder en later, geen geestelijke ontwikkeling in de koran. Daarom is het niet zo’n sterk nummer als je moslims hoort zeggen: kijk in je eigen bijbel! Onze bijbel is echt anders dan de koran, juist vanwege dat tijdsverschil tussen die twee testamenten. Onze bijbel wandelt een weg af, kent een tijdpad en gaat door een wisselend landschap. Dat vraagt van ons dat we met hem mee oplopen om het verschil tussen toen en later te zien.
| ‘Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op Zijn aangezicht ter aarde en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. En Jozua deed dit’ (Jozua 5:13–15, NBG). |