Soeverein past God zijn wegen aan
2006-09-15
De moeite die we hebben met de uitroeiing van de Kanaänitische bevolking bij de inbezitneming van het beloofde land wordt vandaag niet weinig versterkt door het feit dat we parallellen zien met de jihad van de moslims. Hoe ver gaat die parallellie?- Jaargang 50
- nummer 18
In het vorige artikel zijn we gestuit op een wezenlijk verschil tussen bijbel en koran. De bijbel is een weg, wie hem leest maakt een reis door de tijd. Dat wordt al zichtbaar in het oude testament zelf, getuige het boekje Jona en getuige dat woord van de profeet Zacharia: niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest.
Vuur van de hemel?
Maar het nieuwe testament heeft deze dingen op z’n duidelijkst. Kijk naar Jezus. Reizend door het Joodse land stuurt de Heiland een paar van zijn discipelen voor zich uit om voor het gezelschap kwartier te maken voor de nacht. Die discipelen komen dan terecht in een dorp van de Samaritanen en de mensen daar ontvangen Jezus en de zijnen niet, omdat ze op weg zijn naar Jeruzalem. Twee van Jezus’ discipelen, Jakobus en Johannes (het evangelie noemt hen ergens de twee donderstenen, Marcus 3:17!), worden daarop zo kwaad dat ze tegen hun Meester zeggen: ‘Heer, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van de hemel zal neerdalen om hen te verteren?’ Ja, want zo deed Elia dat toch een keer toen er vanwege de koning soldaten kwamen om hem te arresteren? 2 Koningen 1? ‘Doch Jezus keerde zich om en bestrafte hen’, staat er dan zo laconiek in het evangelie.
En er is daar zelfs een lezing die Hem laat zeggen: ‘Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt’ (de oude Statenvertaling heeft die lezing nog!).
‘En ze gingen naar een ander dorp’, sluit dan het verhaal af (Lucas 9:51– 56). Hier stuit je op het verschil tussen het oude en het nieuwe testament.
Een verschil, nog eens, dat de koran niet kent.
Gewenste kansen
En nu we het toch over de Here Jezus hebben, ik denk aan wat Hij ergens over Kapernaüm zegt, of eigenlijk over Sodom in verband met Kapernaüm.
Hij beklaagt er zich dan over dat ze in Kapernaüm zo weinig gedaan hebben met de krachten die Hij daar verricht heeft en Hij zegt: ‘Als in Sodom de krachten waren geschied waar jullie getuigen van geweest zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden’ (Matteüs 11:23).
Je hoort Hem hier hardop denken: Wat zou er gebeurd zijn als Ik daar in Sodom had mogen werken? Als Ik daar de genadeboodschap van mijn Vader had mogen brengen? Had die stad niet meer kansen moeten krijgen? Kansen van bekering en genade voordat het oordeel erover voltrokken werd? Ik denk dat Hij zoiets ook van Jericho en Kanaän had kunnen zeggen. Van de Kanaänieten van wie de Kananese vrouw uit het evangelie nog een afstammeling was. Had Jezus niet graag tegen veel meer Kanaänieten dan deze ene willen zeggen: O man of vrouw, groot is uw geloof (Matteüs 15:21–28)? En dan zou Hij met zulke gedachten en verlangens echt de Zoon van zijn Vader geweest zijn. Want in Jozua 5 proef je ook de verlegenheid en de ongemakkelijkheid bij God over de verwoesting van Jericho.
Aanpassing
Wat heeft God in de weg gestaan om een andere weg met Jericho en Kanaän te gaan? Ik meen vanuit de opmerkelijke Schriftpassage van Jozua 5:13-15, dat de aanpassing aan ons mensen, Hem in de weg stond. Dat de Here God, die Jozua aangordt tot de strijd tegen Jericho (‘Ga, want Ik geef de stad in uw macht!’) even wil laten zien: Dit ben Ik én dit ben Ik niet. Dit ben Ik, Ik sta achter je, Jozua, Israël, want in jouw en in jullie denken kan het niet anders of Kanaän komt langs de weg van geweld in jullie bezit. Ik pas Mij daarbij aan, want hoe zouden jullie anders iets van Mij begrijpen?
Maar tegelijk wil Ik duidelijk maken dat het laatste woord over deze dingen nog niet gesproken is. Weet dat Ik dwars door dat gewelddadige van jullie veroveringsoorlog heen aan een andere oorlog bezig ben, een geestelijke strijd waarin wapengeweld geen zoden aan de dijk zet. Een strijd waarin het niet gaat om het veroveren van steden, maar van harten. Het moet dus geestelijker.
Kerkstrijd
Dat betekent overigens allerminst dat we met een meewarige blik op Jozua mogen neerkijken – de stumper, hij wist niet beter. ‘Geestelijker’ is op zichzelf nog geen garantie dat we het beter doen. Want wíj moeten weer leren dat ‘niet iedere geest uit God is’ (1 Johannes 4:1). Overweeg dus maar eens, waar de Here God zich onder ons ongemakkelijk bij zou kunnen voelen of waaraan Hij zich aanpast.
Denk bijvoorbeeld aan de kerkstrijden die in de afgelopen eeuwen zijn gevoerd, tot nog maar kort geleden toe (tegenwoordig vechten we niet meer zo, van verschillig zijn we onverschillig geworden op dit punt!). Okee, daar zijn geen wapens aan te pas gekomen, dat is waar. Geestelijk dachten wij die strijd te voeren. Maar zien we vandaag de mensen niet rondlopen die zich schamen voor wat ze bijvoorbeeld in de vrijmaking allemaal hebben durven zeggen en doen? Daar was echte liefde tot God bij en liefde voor de waarheid van het evangelie.
O jazeker, juist zoals Jozua uit liefde tot de Here God en zijn volk Jericho aanviel! Daar wil ik bepaald niet verachtelijk over doen. Maar dan hoeft het ons toch niet al te veel moeite te kosten om ook vandaag de Here God te horen antwoorden met een NEEN!
op de vraag of Hij bij ons of bij onze kerkelijke tegenstanders hoorde? Ik wil maar zeggen dat de Here God zich in iedere tijd moet aanpassen, nu eens zus dan weer zo. En het erge is dat we dat pas achteraf zien. Jozua zag het ook niet, ondanks dit visioen.
Hij ging gewoon door met zijn militaire acties en wie zou hem dat kwalijk durven nemen? En wij ook, wij zullen pas achteraf zien waar wij ten onrechte dachten dat we Gods laatste bedoelingen vertolkten. Nee, wij hebben geen reden om ons boven Jozua te verheffen. Wij hebben wel alle reden om ook vandaag de schoenen van de voeten te doen als wij ons gesteld weten voor de heilige God.
‘Nu ben Ik gekomen’, zegt de vorst van de hemelse legermacht tegen Jozua. Hij zegt het vandaag ook tegen ons. En Hij is ook nu op tijd.
En de hel dan?
Zo doordenkend van oud naar nieuwe testament krijg je wel de vraag of er op het eind van de geschiedenis toch niet een buitengewoon grote uitbarsting van geweld van Gods kant komt? Vanwege het eindoordeel waarbij mensen die geweigerd hebben te geloven in het eeuwige vuur geworpen zullen worden? Dat logenstraft toch de bewering dat we in de gewelddadigheid te doen hebben met iets dat de Here God onwelgevallig is en dat daarom langzaam uit de geloofsvoorstellingen verdwijnt? Wel, we hebben in de bijbelse voorstellingen van onuitblusbaar vuur en dergelijke te doen met beelden die inderdaad uit een tijd komen die de onze niet meer is. Wij mogen zoeken naar de betekenis van die beelden. Dan horen we Paulus van de verworpenen zeggen: ‘Dezen zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte’ (2 Tessalonicenzen 1:9). Hier wordt zonder beeldspraak gesproken. Het verblijven ver van het aangezicht des Heren, de ervaring van de afwezigheid van God, dat is voor de apostel de hel.
Versoftening?
Graag wil ik hier dan ook het misverstand afsnijden dat ik, met het natekenen van de bijbelse lijn een versoftening van de bijbelse boodschap zou bedoelen. Vergeestelijking is iets anders dan vervluchtiging en verwekelijking.
Achter in het nieuwe testament komen we, net als die vorst van het heer des Heren uit Jozua’s dagen, ook de Here Jezus tegen met een zwaard. ‘En uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard’, heet het van de Christus die aan Johannes op Patmos verschijnt (Openbaring 1:16). Dat zwaard is hier duidelijk het Woord van God, met de dubbele bediening van zegen en vloek. En let op: Jozua wierp zich op zijn aangezicht ter aarde, toen hij de Engel des Heren zag, maar Johannes vertelt dat hij op het zien van de verheerlijkte Jezus als dood aan zijn voeten viel.
Dat laat zelfs een toename van ernst zien. Je kunt dan ook het verschil tussen het oude en het nieuwe testament beslist niet benaderen met het spreekwoord dat de soep niet zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend.
‘Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen die de Zoon van God met voeten heeft getreden…?’, zegt het nieuwe testament (Hebreeën 10:29). Maar om Hem te vertreden moet Hij eerst aangeboden zijn. En daar ontbrak het aan, daar bij die Kanaänieten.
Bescheiden
Tenslotte kun je je afvragen of Jozua na dit visioen eigenlijk wel verder kon gaan op de weg van zijn militaire campagne? Zal hij voor zijn gevoel niet tegen de Here God in zijn gegaan, toen hij zijn militaire campagne voortzette? Wel, hier moet ik terugkomen op een opmerking in het begin. Ik zei toen dat deze passage iets mysterieus, iets raadselachtigs heeft. Het is alles zeer kort gehouden van de kant van de Allerhoogste. Hij heeft het bij een signaal willen laten, bij iets dat meer voor een later nadenken bestemd was. Jozua werd gesteld voor de heiligheid van de Here God. Daar liet de Allerhoogste het voor deze keer bij. Denk er maar over na, Jozua! Ik weerhoud je nergens van, Ik wil zelfs ook wel zeggen dat Jericho je gegeven zal worden.
Maar Ik wilde je toch even laten weten dat Ik God ben en geen mens.
Doe de schoenen van je voeten. Nee, ik geloof niet dat Jozua hier onzeker van werd. Wel bescheiden, maar niet onzeker. Zoals wij bij de psalm ‘Doorgrond, o God, mijn hart…’ ook niet onzeker maar wel bescheiden worden. Ten minste, dat geve God!
Reageren?
redactie.opbouw@ngk.nl
| ‘Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op Zijn aangezicht ter aarde en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. En Jozua deed dit’ (Jozua 5:13–15, NBG). |