Minderheden-onderelkaar-elkaar

2006-09-15
  • Jaargang 50
  • nummer 18
‘Uhmm… Predikant? Is dat hetzelfde als dominee?’, met grote ogen kijkt de begin-dertiger me aan om er wat onzeker aan toe te voegen, ‘en als een priester?’

‘Waar wonen jullie ook alweer?’, had hij even daarvoor gevraagd. Al zo’n dertig jaar kennen wij elkaar als bijverschijnsel op drukbezochte verjaardagen van vrienden van ons en familie van hem. Ieder jaar zag ik zonder bijzondere belangstelling hoe hij zich ontwikkelde. Zijn ouders hadden een sloopbedrijf en zijn beiden stoere werkers.
Hun zoon is weliswaar ook een harde werker maar geen opvolger in het bedrijf; hij verdient zijn brood in de horeca. In die kringen staat hij weinig fijnzinnig bekend als een ‘knetterharde nicht’, vertelden ingewijden me. In zijn gezicht zie ik het harde wel maar herken ik het nichterige niet; hij heeft niet de kenmerkende ogen van de seksueel zeer actieve homo. Als ik hem heb verteld dat wij in een totaal andere plaats wonen omdat mijn man predikant is geworden en nadat ik hem heb uitgelegd dat een dominee hetzelfde is als een predikant maar weer wat anders dan een priester, moet hij even bijkomen: ‘Dus hij is geen… ?’ ‘Nee’. ‘Waarom niet?’ Hoe leg ik een heiden uit dat wij de plek waar we nu zitten absoluut als Gods leiding in ons leven ervaren; menig christen kijkt me al sceptisch aan wanneer ik dat zo recht-toe-recht-aan zeg. Ik houd het daarom maar lafjes bij: ‘Mijn man heeft ooit die studie gedaan en we hadden het idee dat als we daar nog wat mee wilden we dat nu moesten doen.’ Tot mijn verrassing knikt hij vol begrip, ‘Interessant hoor. Ik vind het altijd zó interessant om over die dingen te praten.
Ik heb ook geen vooroordelen.
Dat komt waarschijnlijk omdat ik homo ben.’ Van die mededeling moet ík even bijkomen. Het gebeurt heel wat vaker dat je als christen eerst zoveel barrières moet afbreken dat je met een bepaald type homo nooit tot een gesprekje komt. Maar zo niet met deze man, hij ziet het helemaal anders, hij heeft veel meer iets van gezellig-wij-minderheden-onderelkaar.
Dat is toch even slikken. Je kunt cijfermatig wel weten dat je als orthodox christen tot een minderheid behoort, het is bepaald een schok als iemand dat zo bijna achteloos tegen je zegt. Misschien nog wel een grotere schok dan wanneer dat expliciet wordt gezegd. Als ik eerlijk ben, heb ik ook helemaal niet het gevoel dat ik tot een minderheid behoor, terwijl daar objectief gezien best reden voor is. Een kleine rekensom leert dat in ons dorp van 20.000 inwoners in een gewoon weekend op z’n best zo’n 800 mensen naar de kerk gaan. En dan veeg ik alle christelijke denominaties, inclusief vrijzinnigen, rooms-katholieken en oud-katholieken, op één hoop en denk ik even helemaal niet na over de nog onkerkelijker wijdere omgeving.
In onze contreien weten hele volksstammen niet meer van christenen af dan dat het nette mensen behoren te zijn. En zo kijkt de man tegenover me ook overduidelijk naar me: een nette mevrouw, maar ach, ze lijkt niet onaardig. Op dat moment realiseert die niet-onaardige nette mevrouw zich dat ze op het gebied van nederigheid nog wel wat te leren heeft, want het is nog nooit bij me opgekomen om tegen wie dan ook te zeggen: ‘Ik heb geen vooroordeel hoor.
Maar dat komt waarschijnlijk omdat ik christen ben.’

Emmy Viezee-Fock

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief