Oorlog om de gemeentezang
2006-09-29
Hoeveel emotie het invoeren van een nieuwe psalmberijming in de gemeente oproept zullen de meesten van ons zich nog wel kunnen herinneren. Om te weten hoeveel weerstand de overgang van het zingen op ‘hele noten’ naar ‘ritmisch zingen’ opriep moet je al ouder wezen. Vergelijkbare emoties werden opgeroepen bij de invoering van wat wij de Oude berijming noemen, in 1773. Alleen ging het toen wat hardhandiger toe dan in onze tijd. Hier en daar braken zelfs rellen uit.- Jaargang 50
- nummer 19
Verstandshuwelijk
Rond dergelijke opstootjes in zijn geboorteplaats heeft Maarten ’t Hart zijn roman Het psalmenoproer gesitueerd met Roemer Stroombreker als hoofdpersoon. Deze is door zijn huwelijk de grootste reder van Maassluis geworden. Een verstandshuwelijk dat bedisseld is door de moeders van het echtpaar. Zijn echte liefde geldt de straatarme nettenboetster Anna, de vrouw van een van zijn werknemers.
Ze heeft een zoon, Gilles, waarvan niemand weet dat Roemer de vader is, ook haar eigen man niet. Roemers leven wordt beheerst door zorgen om zijn schepen en de haringvisserij in het algemeen, de liefde voor Anna en vooral die voor zijn zoon.
Vaderliefde
Vaderliefde is een van de grote thema’s van het verhaal. Van een echte relatie tussen vader en zoon is overigens nauwelijks sprake. Gilles is een onmogelijke jongen; hij is altijd dwars, verzet zich tegen het gezag, staat vooraan bij opstootjes en haat zijn vader van wie hij niet eens weet dat het zijn vader is. Maar zelfs als de jongen uit Maassluis verbannen wordt en in de gevangenis terecht komt, blijft Roemer hem trouw. Hij is ervan overtuigd dat alles goed zal komen en dan kan Gilles zijn opvolger worden en eigenaar van de rederij. Het is een omkering van de gelijkenis: deze zoon is écht verloren, hij bekeert zich niet en de eindeloze liefde van de vader wordt niet beantwoord.
Het toont Roemers gave karakter aan.
Anders dan zijn collega’s heeft hij hart voor zijn werknemers, de vissers op zijn schepen. Hij staat ze zelfs toe te smokkelen en weigert hun loon te verlagen als het slecht gaat in de visserij.
Hij is zorgzaam voor zijn vrouw van wie hij niet houdt.
Ondanks zijn karakter en zijn maatschappelijk succes is hij niet gelukkig.
Hij worstelt met de zinloosheid van zijn leven. Alles is fout gegaan: hij heeft de verkeerde vrouw, een verloren zoon, werk dat niet bij hem past – in plaats van reder had hij wiskundige willen worden. Alleen de natuur ervaart hij als positief.
Mozart
Overigens is deze achttiende-eeuwse reder getekend naar het model van Maarten ’t Hart zelf: hij houdt van dieren en is vogelkenner bij uitstek.
Hij gaat plat voor de muziek van Bach en de schrijver laat hem zelfs in het zelfde hotel in Den Haag logeren als het wonderkind Mozart, de grote liefde van ’t Hart. En net als Maarten staat Roemer niet toe dat er in zijn huis gerookt wordt.
Maar ook in heel ander opzicht komen ze overeen: Roemer heeft de kritiek op de bijbel die we kennen uit publicaties van Maarten ’t Hart – de ark was veel te klein om alle diersoorten te kunnen herbergen; de leeftijden uit Genesis zijn onmogelijk, de getallen in het Oude Testament kloppen niet. De bijbel is maar beuzelarij, maar de psalmen zijn prachtig, in de oude berijming dan. De hele roman door worden ze geciteerd. Psalm 3 vers 2 ‘Ik lag en sliep gerust…’ kom je zelfs vier keer tegen.
Historisch kader
Dat verhaal heeft Maarten ’t Hart in een historisch kader geplaatst. In een verantwoording achter in het boek vertelt hij dat hij graag zo precies mogelijk de gebeurtenissen, die in 1774 en later rondom de nieuwe psalmberijming in zijn geboorteplaats Maassluis plaats vonden, wilde verwerken.
Bovendien wilde hij een beeld geven van de visserij in dezelfde tijd. Hij noemt zijn boek met nadruk een documentaire roman. Ook de ‘grote’ historie speelt een rol.
Roemer wordt in audiëntie ontvangen door Prins Willem V en mag zelfs de belangen van de haringvisserij bepleiten bij Napoleon tijdens diens bezoek aan Nederland.
Herkauwen en galopperen
Maar de hoofdrol is weggelegd voor het psalmenoproer.
Vanuit het perspectief van Roemer Stroombreker beleef je het mee. Aanleiding tot het oproer is niet zozeer de invoering van de nieuwe berijming (onze oude) als wel van de ‘korte zingtrant’, dat wil zeggen de overgang van het langzame zeer gedragen zingen naar het vluggere, meer ritmische. In de taal van de voor- en tegenstanders: het ‘trage, zeurderige diffuse geneuzel’ (‘elke noot zo lang mogelijk aanhouden en herkauwen als een stukje zwoerd’) moet plaats maken voor ‘sneller en lichter als danszang’ (‘naar het slot toe galopperen’).
De dominees zijn er voor. Na 24 (!) oefenavonden – vier per week – wordt de nieuwe zingtrant ingevoerd.
De vele voorstanders van de oude zangtrant protesteren hevig. Groepen opstandigen verstoren de kerkdiensten, schreeuwend dat ze de oude toon terug willen.
Doorzingen
Het verzet escaleert als groepen oproerkraaiers vernielingen aanbrengen in de huizen van de notabelen, die ze vervolgens laten beloven dat ze de komende zondag de langzame manier van zingen zullen aanhouden.
De bewuste zondag zelf gaat naast iedere notabele een van de oproerkraaiers zitten met als resultaat dat die ‘nog luidkeels en stug doorzongen toen de rest van de gemeente en het orgel al lang geëindigd waren’.
Maarten ’t Hart vertelt het in geuren en kleuren, vooral in geuren.
Hij zet je neer in het naar vis en taan stinkende achttiende-eeuwse Maassluis, het stadje achter de dijk, met de smalle donkere straten en de kleine huizen van de armen. Hij laat de inwoners ’s avonds in volstrekte duisternis hun weg zoeken en overdag met de trekschuit reizen.
Taal
Ook op een andere manier is het verhaal twee eeuwen terug geplaatst, namelijk door het taalgebruik. De personen gebruiken een taal die ongeveer het midden houdt tussen het moderne Nederlands en de taal van twee eeuwen terug, dat wil zeggen dat hun taal doorspekt is met woorden die de schrijver in oude documenten gevonden heeft. Je komt volstrekt vreemde woorden tegen, maar het went snel en uit het verband kun je vaak opmaken wat ze betekenen. De beeldspraak is in stijl met het verhaal: de meeste metaforen en vergelijkingen hebben met de visserij of de scheepvaart te maken.
Doemwaardig
De roman wemelt van de bijbelse termen en uitdrukkingen; passend bij mensen die nu eenmaal dichter bij de bijbel opgegroeid zijn dan wij. Maar ze gebruiken ze ook te onpas, uit zijn verband gerukt, soms geestig, soms grof – bijvoorbeeld als ze David over de moord op Uria laten zeggen: ‘als man Gods kan ik me dat wel veroorloven’.
Boeiend is het de loodzware trouwpreek te lezen voor de ‘doemwaardige Roemer en zijn doemwaardige bruid’.
Sprongen
De roman is sprongsgewijze opgebouwd: de hoofdstukken beschrijven episodes. Een hoofdstuk begint: ‘Zeven magere jaren later…’ Het heeft een apart effect. Terwijl je nieuwsgierig bent naar de afloop van een gebeurtenis uit het ene hoofdstuk, krijg je die in het volgende hoofdstuk als herinnering of impliciet vermeld. Tussen de laatste twee hoofdstukken zit zelfs een gat van 24 jaar.
Boeiend geheel
Maarten ‘t Hart heeft te veel historie in zijn verhaal gestopt. Zijn enorme hoeveelheid kennis zat de romanschrijver in de weg. Zeker in het laatste gedeelte als het eigenlijke verhaal al grotendeels afgerond is. Dan krijgen we nog een stukje strijd tussen patriotten en prinsgezinden te verwerken.
En in het laatste, het langste hoofdstuk nog bijzonderheden uit de Franse tijd, nodig om Napoleon een rol toe te delen.
Maar ondanks de historische uitweidingen blijft het verhaal boeien. En maken de figuren indruk. In de eerste plaats de hoofdpersoon natuurlijk, maar daarnaast vooral Roemers vrouw en zijn vriend, de schoolmeester Spanjaard die beiden zorgen voor humoristische momenten in het verhaal.
Zo is Het psalmenoproer een van de betere romans van Maarten ’t Hart geworden. Eindelijk weer één die ik helemaal uitgelezen heb. Al haalt hij niet het niveau van De aansprekers en De kroongetuige, die ik nog altijd zijn beste vind.
Maarten ’t Hart, Het psalmenoproer, Uitg. De Arbeiderspers. Amsterdam, 2006. 288 blz. gebonden, € 18,95.