Wat wilt u, dat ik doen zal?

2006-10-27
  • Jaargang 50
  • nummer 21
J. Gerkema-Mudde

Aad Kamsteeg gaat in zijn artikel ‘Met heiliging de wereld in’ door op twee wezenlijke vragen rond het leven en werk van Jezus. Allereerst laat hij zien dat Jezus bij zijn vraag ‘ What would Jesus do’ het leven behoorlijk op zijn kop zet, niet alleen zijn eigen bestaan, maar ook dat van ons. Daarnaast stelt hij dat we niet voorbij kunnen aan de vraag wat Jezus dééd. Heiliging kan niet bestaan zonder die basis.

Toch intrigeert mij nog een vraag, die uit de mond van Jezus zelf opklinkt: ‘wat wilt U, dat ik doen zal?’. Tot twee keer toe neemt Hij dit woord in de mond bij twee heel verschillende ontmoetingen in Marcus 10:35-52. Hij wil in het contact met mensen van henzelf horen wat hen hoog zit. Dat pakt heel verschillend uit. In de ene geschiedenis gaat het om twee broers die vol afgunst zitten te piekeren wie waar mag zitten.
Jezus treedt de beide mannen in alle openheid tegemoet: ‘wat willen jullie, dat ik doen zal?’. Hij voorkomt hun vraag niet, vult het ook niet bij voorbaat in. Jezus speelt in op hun verlangen en plaatst dat in een veel groter perspectief. In een volgende gebeurtenis stelt Jezus de vraag weer. Een blinde man schreeuwt om hulp. Opvallend is dat de omstanders deze man niet te hulp komen, maar Jezus door zijn vraag wél. Jezus treedt zo Bartimeüs in alle openheid tegemoet. Hij mag aangeven wat hij wenst.
Bijzonder om te zien hoe onze Heer de invulling van het contact zo bij de ander durft te laten: ‘wat kan ik voor je doen?’!

Wie komt in beweging?
Het brengt mij bij een opmerkelijk punt. Heel vaak weten we al bij voorbaat wat we de ander willen aanbieden, maar ook wat die ander zou moeten doen. Dat merk je in de (geestelijke) zorg in een hospice, maar dat is net zo herkenbaar bij de gesprekken tussen Nederlands Gereformeerden en Vrijgemaakt Gereformeerden, bij spanningen in een buurt, de straat of een trappenhuis (uit eigen ervaring kan ik zeggen dat op die gemeenschappelijke plek in de tuinsteden van Amsterdam veel irritaties ontstaan). Al gauw denken we zelf aan de goede kant te zitten en de ander daarin op sleeptouw te moeten nemen. Blijkt dat in de gezondheidszorg als het om een maaltijd gaat (u moet goed eten, hoor), in een buurt als het om thuisvoelen gaat (ga eens bij het buurtwerk kijken), in de kerk kennen we die aanpak ook: ‘jij moet wel dit of dat’. Jezus toont met zijn vraag zélf iets te willen doen, indringend te willen inspelen op de behoefte van die ander.

Een sterke basis
Het blijkt ontzettend moeilijk om zo sterk te zijn in Christus, dat je wel een stootje kunt verdragen. Het is makkelijker om vanuit je eigen perspectief mensen en problemen te benaderen, dan om vanuit de rijkdom en bevrijding in Christus ontvankelijk te zijn voor welk gepast of ongepast, liefdevol of kleinmenselijk verlangen dan ook.
Met deze basis kunnen we alleen en samen, zonder ons te isoleren of te assimileren, in het volle besef van eigen kwetsbaarheid en zonde toch weer in gesprek gaan met elkaar als kerken en met onze medemens. Een trappenhuis hoeft dan niet langer een plek te zijn, waar de irritaties opspelen, maar kan zo ook een plek van ontmoeting worden: ‘wat kan ik voor je betekenen?’.

Drs. Judith Gerkema-Mudde is lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Amersfoort-Noord. Ze is geestelijk verzorger in hospice Kuria in Amsterdam en lid van de Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken van de Nederlands Gereformeerde Kerken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief