Het historisch fundament

2006-10-27
  • Jaargang 50
  • nummer 21
In de geschiedenis van de contacten tussen de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) heeft de zaak van de belijdenis een hoofdrol gespeeld. Dat is begrijpelijk, gezien de passage in de Open Brief, waarin de schrijvers de vraag aan de orde stellen, of het historisch fundament van de Gereformeerde Kerken in ons land ‘ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene, Christelijke Kerk’. Het is een van de passages uit de Open Brief die het meeste verzet heeft opgeroepen. Dat bleek toen de Generale Synode van Amersfoort-West 1967 uitsprak dat hier de inhoud en het katholieke karakter van de belijdenis discutabel wordt gesteld (Acta, art. 16).

Sinds de Gereformeerde Synode van Ommen-1993 was de zaak van de belijdenis tussen beide kerken aan de orde. Het is een moeizame geschiedenis geworden. Juist vanwege de discussie over de plaats van de confessie is het tot nu toe niet mogelijk is geweest om met elkaar samensprekingen te beginnen met het oog op kerkelijke eenheid. Gelukkig is er de laatste jaren wel een opening gekomen.
De Gereformeerde Synode van Amersfoort-Centrum heeft daarvan ook met erkentelijkheid kennis genomen (Acta, art. 135). De gesprekken tussen de Commissie voor Contact en Samenspreking (CCS) van de NGK en Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE) van de GK(v) zijn daarna nog weer verder gegaan.
Ook deze gesprekken lijken vruchtbaar te zijn.
Het heeft veel tijd gekost om wederzijds wantrouwen te overwinnen.
Maar dat blijkt toch mogelijk te zijn.

Wederzijds wantrouwen
Aan Gereformeerd-vrijgemaakte zijde heerste de zorg dat bij de NGK in feite leervrijheid de dienst zou uitmaken.
Anderzijds was het de zorg van de NGK dat bij de GK(v) de binding aan de belijdenis tot letterknechterij zou leiden.
Aan beide kanten waren het ervaringen uit het verleden die tot deze bezorgdheid leidden.
Wie de geschiedenis van de afgelopen veertig jaar overziet, moet constateren dat er inderdaad een duidelijk verschil is in omgang met de belijdenis tussen beide kerkverbanden. In de NGK wordt makkelijker kritiek geuit op de inhoud van de confessie, in de GK(v) wordt veel feller gereageerd als de belijdenis in het geding is of lijkt te zijn.
Tegelijk valt op dat deze verschillen niet tot zo’n grote kloof geleid hebben, als je misschien zou verwachten.
De NGK zijn geen vrijzinnige kerken geworden, al speelt de belijdenis er een kleinere rol dan in de GK(v). Deze laatste op hun beurt zijn niet confessionalistisch geworden. Het enige grote leergeschil dat er gespeeld heeft (de zaak-Hoorn) draaide niet om de binding aan de belijdenis, maar om de uitleg die ds. Joh. Hoorn gaf aan art. 28 NGB (‘je kunt niet spreken over gelovigen buiten de ware kerk’) en om de wijze waarop hij deze uitleg dreef. Er is ruimte om in de GK(v) het historische, menselijke en daarom ook beperkte karakter van de belijdenis te benadrukken. In feite delen beide kerkverbanden veel confessionele overtuigingen en daarnaast veel leerstellige opvattingen, die typerend waren voor de reformatorische beweging in de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook staan beide kerkverbanden voor vergelijkbare vragen, bijvoorbeeld ten aanzien van de charismatische beweging en van de hermeneutiek.
Kortom, er is perspectief voor verder wederzijds begrip.
Toch is het naar mijn overtuiging wel nodig dat er op een aantal punten verder doorgesproken wordt. Ik noem een aantal belangrijke kwesties. Het betreft de wijze van binding aan de belijdenis, het schriftgezag, de verkiezingsleer en de leer van de ‘tussentoestand’

Binding
Op het punt van de binding aan de belijdenis is de eerste serie gesprekken na Ommen-1993 vastgelopen. Het is later gelukt om toch verder te komen.
Daarbij is geprobeerd boven vastgelopen discussies uit te komen door de belangen achter de wederzijdse standpunten na te gaan en door concrete onderwerpen te bespreken. Toch blijft er nog een behoorlijke afstand tussen de strikte wijze waarop in de GK(v) via Kerkorde en ondertekeningformulier de binding aan de belijdenis is geregeld, en de wat vrijblijvende wijze waarop dat in de NGK het geval is. Dit is ook het punt waarop, na jaren van intensieve samenwerking en samenspreking, de relatie tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken en de NGK vastgelopen is.
Hierboven heb ik al gezegd, dat de NGK geen vrijzinnige kerken geworden zijn.
Toch geeft de wat lossere binding aan de confessie daar wel heel wat ruimte aan experimenten op het gebied van de leer. Dat zijn uiteindelijk experimenten waarbij de gemeente overgeleverd dreigt te worden aan particuliere opvattingen van een voorganger. Juist de confessie wil de ruimte afbakenen, waarbinnen de gemeente daarvoor veilig is.
Dat leidt mij tot een aantal vragen aan de Nederlands Gereformeerde broeders: vindt u dat de GK(v) en de CGK in de praktijk confessionalistisch met de binding aan de belijdenis omgaan? Zo ja, dan is de afstand tussen u en ons in feite toch groter, dan ik momenteel inschat en hoop. Zo nee, moet u dan niet constateren dat ook bij de klassieke binding aan de belijdenis confessionalisme buiten de deur gehouden kan worden? Wat let u dan daartoe over te gaan? Zou u daarmee niet uw kerkelijke verantwoordelijkheid voor de zuiverheid van de leer ter wille van de gemeente beter kunnen nakomen?
Ik stel deze vragen niet om daarmee de winst van het wederzijdse begrip weg te gooien, en weer vanaf het nulpunt te beginnen. Die winst wil ik juist graag incasseren. Maar ik zoek met deze vragen naar een wijze waarop dat mogelijk is. Hopelijk kunnen we ook in de toekomst op dit punt met elkaar verder komen.

Schriftgezag
Het Schriftgezag was, voorzover ik kan overzien, niet aan de orde in de jaren zestig, toen de scheuring zich voltrok tussen GK(v) en NGK. Later is het wel aan de orde gekomen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de uitspraak van drs. H. de Jong over de rand van onzekerheid aan de bijbel. De Jong wordt ook door velen in de GK(v), ook door mij, gezien als een schriftgeleerde, die nieuwe en oude dingen te voorschijn weet te halen (Mat. 13:52). Juist daarom is er op zijn uitspraak zo geschrokken gereageerd.
Momenteel speelt de zaak van het Schriftgezag in beide kerken vooral naar aanleiding van hermeneutische vraagstellingen. In de NGK staat daarbij centraal het rapport ‘Vrouwelijke ouderlingen en predikanten?’. Daar lijkt de hermeneutiek te moeten dienen om ruimte te geven voor vrouwelijke voorgangers. Van de zijde van de deputaten en de synode van de GK(v) is daarop kritiek geoefend, terecht naar mijn mening. Maar ook binnen de GK(v) spelen heftige hermeneutische discussies (bijvoorbeeld over omgang met echtscheiding en over metaforisch taalgebruik in de bijbel).
Het gaat er hierbij om twee klippen te vermijden. De eerste klip is die van biblicistisch schriftgebruik, waarbij losse teksten op de klank af geciteerd worden om een standpunt te onderbouwen.
De andere klip is die van een hermeneutiek die alleen nog maar gezag toekent aan dat wat wij vandaag nog uit de Bijbel kunnen gebruiken. In beide gevallen is het eigen standpunt al bepaald voordat de Bijbel heeft kunnen spreken.
Erkenning van het Schriftgezag betekent naar mijn overtuiging echter dat de ‘vreemdheid’ van de Bijbel gerespecteerd wordt. Juist als de Schrift ons tegenspreekt, ons tegen de haren instrijkt, juist dan zullen we heel goed naar haar moeten luisteren. De normativiteit van de Bijbel accepteren, als het je goed uitkomt, daarvoor is weinig gehoorzaamheid nodig. Maar als het ons niet goed uitkomt wat de Bijbel zegt, dan zal blijken wat onze eerbied voor de Schrift in de praktijk betekent.
Misschien zullen we elkaar daarvoor nog heel hard nodig hebben.

Uitverkiezing
In beide kerkverbanden is kritiek uitgeoefend op gereformeerde leer van de uitverkiezing. In de NGK op verschillende momenten, vrij recent nog door drs. H. de Jong in zijn boek Van oud naar nieuw. In de GK(v) wat langer geleden door wijlen dr. H. Venema in Uitverkiezing?
Jazeker! Maar hoe?
Hoewel Venema van mening was dat hij met zijn opvatting binnen de grenzen van de belijdenis bleef, is zijn boek toch kerkelijk veroordeeld. Over de opvattingen van De Jong zijn verschillende gesprekken gevoerd tussen CCS en DKE, waaraan ook De Jong en ikzelf deel hebben genomen. In deze gesprekken bleek het heel goed mogelijk om dicht bij elkaar te komen, zonder dat daarbij onzerzijds de Dordtse Leerregels hoefden te worden losgelaten.
In feite gaat het bij deze discussies om een verwerking van ons gemeenschappelijk verleden. De Vrijmaking was de reactie op de kerkelijke sanctionering van het centraal stellen van de leer van de uitverkiezing, zoals dat bij een theoloog als A. Kuyper gebeurde. In de ‘vrijgemaakte’ theologie werd benadrukt dat de leer van het verbond niet gedomineerd mocht worden door de verkiezingsleer.
Voor sommigen is dat gaan betekenen dat ook de verkiezingsleer van de belijdenis zelf ter discussie kwam te staan. Vele anderen (onder wie in de eerste plaats K. Schilder zelf) zagen geen spanning tussen verbondsleer en verkiezingsleer.
Naar mijn mening is het anachronistisch om de latere uitbouw van de verkiezingsleer bij sommige gereformeerde theologen terug te projecteren in de Dordtse Leerregels. De Leerregels moeten in hun historische setting gelezen geworden, niet als de enig mogelijke verwoording van de verkiezingsleer, wel als een bijbels verantwoorde afwijzing van het humanisme van de Remonstrantie. De beperkingen van de Leerregels zijn gegeven met hun historische bepaaldheid.

De tussentoestand
Al in de jaren zestig was dit één van de belangrijkste confessionele thema’s in de discussies die vooraf gingen aan de breuk. Nog altijd ligt hier een duidelijk verschilpunt. Is het geoorloofd de belijdenis van zondag 22 ‘dat mijn ziel onmiddellijk wordt opgenomen tot Christus’ te bestrijden of niet?
Ook in deze discussie hebben we te maken met onze gemeenschappelijke wortels: de strijd tegen het subjectivisme, waarin het eigenlijk alleen nog maar om de verlossing van de ziel ging.
Maar moest die strijd echt op dit punt gevoerd worden? Gaat het in zondag 22 om dualisme, als daar juist de belijdenis van het de verlossing van het lichaam zo triomfantelijk onder woorden gebracht wordt? Gaat het niet ‘gewoon’ om de bestrijding van de leer van het vagevuur, de leer die de verdienstelijkheid van de goede werken uitstrekte tot na dit leven? Belijdt zondag 22 daartegenover niet de volkomenheid van de verlossing door Jezus Christus? Moesten hiertegen zulke scherpe woorden gebruikt worden (C. Vonk schreef over ‘de oudste leugen van de satan’!)? Kunnen we hier niet samen terugkeren tot de confessie, zonder tot enige vorm van subjectivisme of dualisme te vervallen? Het zou nieuwe mogelijkheden geven in de onderlinge verhouding.

Conclusie
Over de binding aan de belijdenis zal nog heel wat doorgesproken moeten worden tussen ons. Het is wel een gesprek waar wij aan weerskanten veel aan kunnen hebben. Om dit gesprek goed te kunnen voeren hebben we de geestelijke ruimte nodig om naar elkaar te kunnen luisteren, elkaar indringend aan te spreken en van elkaar te willen leren. Dat is echt geestelijke ruimte, die alleen van de Geest van Jezus Christus komen kan. Het zou geweldig zijn, als we die ruimte zouden ontvangen.

Prof. dr. Barend Kamphuis is hoogleraar dogmatiek aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en hoofdredacteur van De Reformatie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief