De aard van de binding aan de belijdenis

2006-10-27
  • Jaargang 50
  • nummer 21
J.C. Schaeffer

Dat het mogelijk is in een gezamenlijke uitgave van De Reformatie en Opbouw tot een gedachtewisseling te komen over wat ons tot op heden kerkelijk gescheiden houdt, is reden tot blijdschap. Ik ga dan ook graag in op wat door prof. dr. B. Kamphuis naar voren is gebracht.

Terecht wordt door Kamphuis opgemerkt, dat de zaak van de belijdenis een hoofdrol speelde en speelt in onze wederzijdse geschiedenis. Met dankbaarheid lees ik zijn oordeel dat onze kerken geen vrijzinnige kerken zijn geworden, hoezeer daar destijds ook voor gevreesd werd.
Bemoedigend is ook te lezen, dat in het contact tussen DKE en CCS het op een zeer aangelegen punt als de uitverkiezing en het spreken van de Dordtse Leerregels mogelijk bleek dicht bij elkaar te komen.

Binding
Het punt waar het in de bijdrage van Kamphuis om draait lijkt mij zijn beduchtheid, dat een lossere binding aan de confessie ´heel wat ruimte aan experimenten´ geeft op het gebied van de leer.
Sinds de LV van Apeldoorn is er in onze kerken een vernieuwd ondertekeningformulier in gebruik. De teneur van dit formulier is net als van het oude formulier van Dordt dat de individuele ambtsdrager zijn spreken laat bepalen door de kerkelijke gemeenschap, waarvan hij deel uitmaakt. In de bewoordingen van dit formulier is er voor gekozen om nog duidelijker dan in het Dordtse formulier te laten uitkomen, dat de Schrift de norm voor de confessie is en blijft.
Tegelijk moet toegestemd, dat er binnen ons kerkverband meerdere kerken zijn, die dit nieuwe formulier niet gebruiken. Dat betekent niet, dat ze zo'n binding niet kennen. Maar ze volstaan met het vragen van een handtekening of van een mondelinge verklaring1). Bovendien stemmen alle kerken uit ons verband in met de Preambule van het Akkoord voor Kerkelijk Samenleven. Daarin wordt verklaard dat we ons onderwerpen aan de waarheid van de Schrift zoals beleden in de Drie Formulieren van Enigheid.
Dat niet alle kerken zich op dezelfde manier binden aan de confessie wordt overigens binnen onze kerken ook betreurd. Maar het wordt wel geaccepteerd2).
In de praktijk heeft dit niet geleid tot fundamentele afwijkingen van de confessie. Kamphuis mag dan beducht zijn voor experimenten op het gebied van de leer, maar hij geeft geen concrete voorbeelden3). De binding aan de confessie is onder ons niet in geding. Er is alleen verschil van mening over de wijze hoe deze binding te formaliseren.

Relatie met de Christelijke Gereformeerde Kerken
Kamphuis stelt dat de gesprekken met de CGK ook vastgelopen zijn vanwege onze lossere binding aan de confessie.
Dat is niet correct. Inderdaad ging het in onze gesprekken steeds meer over de relatie tussen Schrift en confessie.
Maar dat stond wel in een ander kader. Dit had namelijk te maken met het gesprek over de toe-eigening van het heil. De deputaten van de CGK hadden er moeite mee dat van onze zijde hierover vooral werd gesproken in bewoordingen aan de Schrift ontleend, terwijl door hen veel meer vanuit de confessie, met name de Dordtse Leerregels, werd geargumenteerd.
Deze gesprekken, die ik zelf destijds als voorzitter van de CCS meemaakte, gingen bepaald niet over de binding aan de confessie op zichzelf. Ik maak me trouwens sterk dat de vrijgemaakte deputaten zich juist heel goed in onze opstelling van destijds zouden hebben kunnen vinden.
Tenslotte, ik hoop dat juist het feit dat in zoveel opzichten dezelfde discussies in de NGK en de GK(v) plaats vinden ons nog meer zal samenbinden in ons zoeken naar begaanbare wegen in de lijn van onze gemeenschappelijke gereformeerde traditie.

Drs. Johan Schaeffer is predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Nunspeet en kerndocent aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

1) Ter aanvulling: alle kandidaten ondertekenen bij beroepbaarstelling een ondertekeningformulier voor proponenten.
2) Bedacht moet worden dat dit een uitvloeisel is van het conflict dat ons eind jaren zestig van elkaar heeft verwijderd.
Het zij Kamphuis toegegeven, dat de GK(v) vandaag niet als confessionalistisch te bestempelen zijn. Maar in de genoemde periode waren er wel duidelijke tendensen in die richting. Zie daarover G. van den Brink en H.J. van der Kwast, Een kerk ging stuk. Relaas van de breuk die optrad binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in de jaren 1967-1974, Amsterdam, 1992, blz. 138-146.
3) Wat Kamphuis schrijft onder de kopjes 'Schriftgezag' en 'Uitverkiezing' lijkt mij daar in elk geval niet onder te vallen.
Maar de argumentatie hiervoor vergt meer ruimte dan die mij beschikbaar is.
En wat hij naar voren brengt onder het opschrift 'De tussentoestand' gaat voorbij aan het feit, dat ook binnen de NGK het schrijven van ds. Telder officieel veroordeeld is als afwijking van de confessie.
Zie ook over dit laatste G. van den Brink en H.J. van der Kwast, a.w., blz. 129-138.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief