Weinig vorm – veel inhoud
2006-11-24
Het is met een zekere weemoed dat ik de oude vertrouwde TSB uitluid.- Jaargang 50
- nummer 23
Weemoed kan gemakkelijk tot idealisering leiden. Daar moet ik dus voor oppassen. Weemoedige mensen kijken terug en zeggen tegen wat geweest is: Verweile doch, du bist so schön! (Goethe). Maar sommige dingen waren natuurlijk helemaal niet ‘schön’. En waren aan verbetering toe.
Ik moet trouwens zeggen dat ik mij in het nieuwe dat ervoor in de plaats komt niet erg verdiept heb. Daarvoor kon ik mij te weinig losmaken van het verleden. U moet dat dus niet zien als kritiek op wat nu gaat komen. Wel zou ik het een verlies vinden als sommige waardevolle dingen zouden verdwijnen.
Weinig vorm
Ik heb de TSB altijd zo heerlijk laagbij-
de-gronds gevonden, zo down to earth. Ik bedoel daarmee dat ze gedaante noch heerlijkheid had. Het is bekend dat de tegenwoordige onderwijswereld geteisterd wordt door de terreur van het management en de papierele rompslomp die daaraan verbonden is. Zozeer zelfs dat de eigenlijke taak van het college- of lesgeven erdoor in het gedrang komt.
Daar hebben we op de TSB nooit last van gehad. De TSB was echt zo’n NGK-spulletje, even krakkemikkig als die kerken zelf. Een stelletje ongeregeld, zei ds. Jan Mudde een keer van onze kerken, en dat was de TSB ook wel een beetje, zeker in het begin. Zij deelde in de bijna amateuristische opzet van ons buitenverbands-kerkelijke leven.
Het personeel
De TSB was ontstaan uit een particulier initiatief van professor Veenhof, professor Jager (maar die haakte na een van de eerste bijeenkomsten al af; hij voelde er zich te oud voor) en mij, samen met de studenten om wie het ging. Dat ik erbij betrokken werd kwam doordat ik niet zo lang vóór de buitenverbandstelling een lezing in Kampen gehouden had over de hermeneutiek.
Daar was bij de studenten een herinnering van achtergebleven.
De lezing is later opgenomen in het gedenkboek Begeleidend Schrijven, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de TSB in 1994. Professor Veenhof werd al spoedig vanwege een auto-ongeluk dat hem overkwam uitgeschakeld. Toen werd het voor de eerstvolgende tijd een éénmanszaakje, totdat ik er met officieuze medewerking van de kerken ds. Henk Smit voor kon interesseren. Smit en ik werden in later tijd door de kerken achteraf geautoriseerd.
Ontmoetingsplaats voor alle studenten
‘De studenten om wie het ging’ - het ging aanvankelijk om een groep van zo’n dertien studenten, die met hun studie in Kampen waren vastgelopen op het attestenbesluit aldaar.
Studenten namelijk die van hun thuiskerkenraad geen attest van gereformeerde betrouwbaarheid konden overleggen waren in Kampen niet langer welkom of werden geweigerd. Die gereformeerde betrouwbaarheid werd afgemeten aan wat men van de zgn.
Open Brief vond. De verdrevenen waren sindsdien uitgezwermd naar andere theologische onderwijsinstellingen, zoals de VU in Amsterdam of de RU van Leiden, Utrecht of Groningen, maar ze bleven onderling contact houden. Daar was de TSB een vervolg op. En wat dat uitzwermen betreft, toen korte tijd later Apeldoorn voor studenten uit onze kerken open kwam, werd dat natuurlijk een optie, wat later kerkelijk gestimuleerd werd door het zogenaamde Apeldoornadvies.
Met het Apeldoorn-advies spraken de kerken in Landelijke Vergadering uit dat zij geen verantwoordelijkheid konden nemen voor een opleiding aan één van de andere universiteiten in Nederland en dat ze daarom de opleiding in Apeldoorn sterk aanraadden. Nog later kwam het NG-Seminarie tot stand dat vooral in het begin door een zekere spanning omgeven was. Het Seminarie ging in het Apeldoorn-advies niet mee (wel wat het afraden van andere opleidingen betreft, maar niet wat het gaan naar Apeldoorn aangaat), maar het heeft zich nooit tegen de TSB gekeerd. De studenten van het Seminarie hebben con amore de TSBbegeleiding gevolgd. Er was jaarlijks ook een gezamenlijke studiedag voor de bijbeluitleg en ds. Smit schreef een mooie studie (in de bekende TSB-studiemap te vinden) over A. Janse. Maar ondanks het studeren in Apeldoorn en aan het Seminarie is het elders studeren nooit helemaal verdwenen. Vaak speelden daarbij praktische overwegingen een rol. De TSB echter sloeg een band om álle studenten heen. Dat was van die TSB iets moois. Waar ook in opleiding, onze studenten hadden een podium waar ze elkaar konden ontmoeten. En dat heeft ook gewerkt.
Fuik met wijde bek
Het aantal TSB-studenten is in de loop der jaren behoorlijk toegenomen en Nog later werd ds. Otto Mooiweer voluit officieel door de kerken benoemd. Drs. H. Smit was onze Bavinck, voor de dogmatologische vakken, drs. O. Mooiweer was onze Veenhof, voor de ambtelijke vakken en aan mij waren de bijbelvakken toebedeeld. Later is in regelmatige opvolging een tweede drietal begeleiders aangetreden: drs. J. Schaeffer in de plaats van Mooiweer, dr. A. van der Dussen die Smit verving en dr. J Dekker die mijn plaats innam. Maar toen was de TSB al lang en breed kerkelijk geïntegreerd. Een klein probleem was dat wij, eerste drie, van ongeveer gelijke leeftijd waren. Bij ons aftreden zou er een driedubbel gat vallen. Toch viel dat mee, we zijn we tamelijk gespreid opgevolgd.
Sommige problemen lossen zich vanzelf op. boven het getal dertien uitgeklommen.
Er zijn bijeenkomsten van wel zo’n veertig deelnemers geweest. Dat waren niet allemaal Nederlands Gereformeerde jongelui. Er waren Christelijk Gereformeerden onder, Gereformeerden, Nederlands Hervormden, Evangelischen, een aan de VU studerende Koreaan en Canadees en een verdwaalde Lutheraan. Over dat hoogtepunt van veertig heen is trouwens de belangstelling gaandeweg afgenomen. De bezoekerstrouw is sindsdien voor de begeleiding eigenlijk een punt van voortdurende zorg geweest. Het aantal gegadigden liep trouwens ook terug, zoals op alle theologische faculteiten. Zij die de TSB volgden hadden niet allemaal een toekomst in de pastorie voor ogen.
Vooral in de lagere studiejaren was niets anders dan alleen de theologiestudie de trekpleister.
Natuurlijk was er wel de intentie om met die opgedane theologie iets in kerk of school te doen. Pas verderop in de studie zag je dan bij de meesten de roeping om predikant te worden ontstaan en groeien. De TSB had daardoor wel iets van een fuik met een wijde bek en nauwere vervolgkamers.
Dat gaf wel eens wat wrijving met de kerken die immers de TSB bekostigden en vonden dat het rendement ervan de kerken rechtstreeks ten goede moest komen. Moest daarom van de studenten als voorwaarde voor toetreding tot de TSB niet gevraagd worden dat zij zich van meet aan tot het voorgangersambt in de kerken committeerden? Wij als begeleiders zijn van dat voornoemde fuikmodel toch niet afgestapt. Het niet-vrijblijvende waar men terecht voor ging zochten we in de inhoud van het gebodene en de instroom mocht dan verder wel breed zijn. Van meet af aan deden trouwens ook vrouwelijke studenten mee en die zouden wij niet graag door een hoge drempel van ons vervreemd hebben.
We hebben ons daarbij maar weinig gerealiseerd dat wij door ook de dames preekvoorstellen te laten houden de weg voor hen naar de kansel enigszins geplaveid hebben.
Opzettelijk bedoeld hebben wij dat niet. Zo is het gewoon gegaan.
Openheid
Er zat in het begin wel iets van de zestiger jaren rebellie in het denken van de studenten. En van mij als begeleider ook wel. We kwamen onder de repressie vandaan en dat was te merken. We mochten van elkaar alles zeggen, maar we moesten er wel mee rekenen dat we met argumenten bestreden werden. Ik zei wel eens: Jongens, niet wat de resultaten betreft, maar wel wat de methode aangaat kunnen we heel wat leren van de vrijzinnigheid. Ik meende deze denkhouding ook bij Calvijn wel op te merken, zo welwillend als hij in zijn exegeses de humanisten altijd beoordeelde, in tegenstelling tot de geleerden van roomsen huize die meestentijds bij hem geweldig op hun falie kregen. Ook bij Holwerda hadden we die onbevangenheid wel opgemerkt.
Dat ‘alles mogen zeggen’ en dat ‘voor tegenargumenten toegankelijk zijn’, is trouwens niet tot de eerste tijd beperkt gebleven, het is altijd de stijl van de TSB geweest en dat gaf er een weldadige openheid aan. En dat is dan zo’n punt waarvan ik hoop dat het blijft. Het is een probaat middel tegen de klakkeloosheid en het stimuleert tot nadenken. Studenten die in Apeldoorn de colleges volgden viel deze openheid van de TSB op.
Consumptie
Een eigenaardigheid van de TSB was dat de aanwezigen op de bijeenkomsten op een pilsje of een drankje getrakteerd werden. Mijn eerste vrouw Lies had dat voor de eerste samenkomst georganiseerd: pilsjes en knabbeltjes, eigenlijk wel omdat zij en ik met de studenten te doen hadden.
Wat een toestand! Toch?
Evangeliedienaar willen worden en dan van de opleiding worden weggestuurd!
Later bleef dat van die begeleidende consumptie nog een tijd doorgaan en toen we mijn studeerkamer in Amsterdam verlieten (wat Lies jammer vond, want ze deed op haar manier begeleidingswerk bij degenen die van de studeerkamer afdaalden om de wc te bezoeken, ze moesten daarvoor door het woongedeelte van ons huis en met Lies haar contactuele eigenschappen kwam het dan gemakkelijk tot een zinnig gesprek) kwam daar het chinezen tussen de middag voor in de plaats. Daar werd in de kerken nog wel eens wat meesmuilend over gedaan. ‘Ik hoop maar dat ze daar meer doen dan naar de Chinees gaan’, hoorde je wel eens mompelen. Het ging namelijk, voor wat de studenten betreft, op kosten van de kerken. Althans af en toe.
Vandaar. Het was ook wel apart, dat moet ik zeggen. Ik heb nog foto’s van het afscheid van ds. Henk Smit en mij en daarop staat dan ds. Jan Bouma, als voorzitter van de Raad van Toezicht en Advies, met vóór zich een geel plastic bierkratje als lessenaartje, de scheidenden toe te spreken. Maar dat ging dus terug op die eerste tijd, toen het lot van de verdreven studenten ons zo zeer ter harte ging.
De band aan de kerken
Toen de TSB een poosje liep brak het moment aan dat de eerste student klaar kwam. Wat zou hij gaan doen?
Zich in onze kerken beroepbaar stellen?
In de buitenverbandse kerken waarvan de toekomst vrij onzeker was? Het werd de synodale kerk. Dat leverde wel een moment van crisis op voor de anderen. Ik weet nog dat het toen Bob Wielenga (die ook in de eindfase van zijn studie zat) was die een verlossend woord sprak. Hij verklaarde zich solidair met de buitenverbandse kerken en zei dat als hij klaar zou komen hij zich in die kerken beroepbaar zou stellen. En hij riep de anderen daar ook toe op. Dat was trendzettend. Gelukkig maar. Het heeft wel een tijdje geduurd voordat de TSB een kerkelijke aangelegenheid geworden was. Dat riep namelijk in de begintijd wel protest op onder de studenten van wie er waren die dat als een inkapseling ervoeren. Toen het zover kwam haakten sommigen dan ook af. De begeleiders waren met die kerkelijke band meer gelukkig. Ze vonden het een te grote verantwoordelijkheid voor hen zelf. Tegelijk waren zij zelf (althans een van de drie) betrokken geweest bij het particuliere initiatief van het begin. Zo stonden ze tussen de studenten en de kerken in. Bij de kerken het pleit voerend voor de vrijheid die men genoot en bij de studenten werkend aan hun betrokkenheid bij de kerken. Juist in het begin van de TSB is er een tamelijk harde strijd gevoerd om de kerken en de studenten niet uit elkaar te laten groeien.
In de komende Opbouw leest u het vervolg van de toespraak van ds. De Jong.