Ruimte boor moslims

2006-11-24
  • Jaargang 50
  • nummer 23
Na alle commotie over het inleveren van een christelijke tweede feestdag ten behoeve van de viering van het islamitisch suikerfeest, valt een artikel van ds. Cees Rentier (van stichting Evangelie & Moslims), in het oktobernummer van Idea, extra op. Een kort verhaal als stof ter overdenking.

Theo is evangelisatieouderling van een gemeente met een verlangen het Evangelie door te geven. In zijn woonplaats is ongeveer 10% moslim.
Veel contact is er eigenlijk niet met de moslimgemeenschap en nog nooit heeft iemand van hen de weg naar de kerk gevonden. Daar ligt Theo 's nachts wel eens wakker van. Hij bidt en worstelt dan met God: zijn gemeente zit niet op die moslims te wachten en die moslims waarschijnlijk niet op de gemeente. Wat moet hij doen?
Theo is ook eigenaar van een familiebedrijf en hij heeft verschillende moslimwerknemers.
Daar ligt Theo eigenlijk niet zo vaak wakker van. Ze werken hard en zeuren niet.
Laatst was het wel even moeilijk. Zijn secretaresse, een moslim, kwam plotseling met een hoofddoek op het werk en weigerde nog langer haar mannelijke collega's en klanten een hand te geven. Dat viel bij de meeste collega's niet in goede aarde. Ze verwachtten van Theo dat hij zulk gedrag niet zou accepteren. Theo nam haar apart en vroeg Fatima waarom ze zo veranderd was. Fatima vertelde dat de voortdurende kritiek op moslims in de media, op haar werk en in de buurt, haar hadden gestimuleerd om de islam juist te gaan bestuderen: “Vroeger was ik moslim, omdat mijn familie uit Turkije kwam.
Nu ben ik het met mijn hart en wil ik me aan alle regels houden die God me gegeven heeft.” Theo dacht even na. Boven de stoel van Fatima hing een oude foto van het familiebedrijf, jaren terug. Enkele vrouwen op de foto hadden een hoofddoek op. Hij dacht ook aan zijn nachtelijke worstelingen en zei tegen Fatima: “Of God dat van je vraagt, daar moeten we het nog eens over hebben, maar ik waardeer het dat je God gehoorzaam wilt zijn. Doe het dan ook voor Hem en niet om je tegen je collega's af te zetten.” Fatima was verrast, haar collega's teleurgesteld met Theo's reactie.
Een paar weken later komt Fatima met een verzoek. Ze wil graag een aparte ruimte om haar gebed te kunnen doen. Tegen haar verwachting in, stemt Theo hier niet mee in. “Volgens mij is er geen voorschrift in jouw geloof dat zegt dat je op je werk een aparte ruimte moet hebben om te bidden. Ik heb dat in Marokko ook niet gezien. Je kunt in de pauzes bidden waar je wilt. Als christen vind ik dat je het recht hebt om voor je geloof uit te komen, maar ik vind het niet redelijk dat je van me verwacht dat ik het steun. Ik wil gehoorzaam zijn aan Jezus, die alle mensen oproept om Hem te erkennen als Redder en Heer.” Theo is ook gemeenteraadslid in zijn woonplaats. Vrij onverwacht krijgt de gemeente het verzoek van een groep moslims om medewerking te verlenen aan de bouw van een moskee. In het bestemmingsplan is daar in het overigens christelijke dorp niet in voorzien.
De brief is, zo ontdekt Theo, ondertekend door iemand die bij hem in de straat woont. Hij komt er al snel achter wie dit is, want de Marokkaanse man die hij vaag kende, belt diezelfde avond nog bij hem aan. Said, zo heet hij, weet niet dat Theo in de gemeenteraad zit, maar wel dat Theo bij de kerk hoort, want hij heeft hem daar vaak naar binnen zien gaan. “U weet uit ervaring hoe belangrijk een gebouw om in te bidden is. Daarom hoop ik dat de kerk ons steunt, nu wij als moslims een moskee gaan bouwen.
U heeft toen bij die aardbeving ook als kerk geld opgehaald voor de slachtoffers in Marokko. Wilt u ons nu helpen bij de moskeebouw?” Theo is even te verbaasd om antwoord te geven. Dan stelt hij de wedervraag: “Ik ken een paar christenen in Marokko. Vind je dat de moslims hen moeten helpen bij het bouwen van een kerk?” Die vraag levert een interessant gesprek op. Said gelooft eerst niet dat er christenen in Marokko zijn. Marokko is een islamitisch land, Marokkanen zijn geen christenen. Als Theo volhoudt dat er toch echt Marokkaanse christenen zijn, volgt er een lang gesprek over de vraag of Jezus nu een moslim was en de islam de boodschap van Jezus vertolkt of de Bijbel.
Said begrijpt dat de kerk van Theo geen geld gaat geven voor de moskee.
Teleurgesteld gaat hij naar huis, al realiseert hij zich dat hij nog nooit serieus had nagedacht over het geloof van christenen. Tot zijn verbazing ontdekt hij de volgende week op de publieke tribune dat Theo ook in de gemeenteraad zit. Vanwege het gesprek dat ze hebben gehad, rekent hij erop dat Theo wel zal tegenstemmen, maar dat gebeurt tot zijn verrassing niet. De bouwvergunning wordt verleend en als dank voor Theo's stem nodigt hij hem uit voor de opening.
Theo wil daar graag namens de kerkelijke gemeente naartoe gaan en een bijbel overhandigen. Dat levert een pittig gesprek op tijdens de kerkenraadsvergadering, want het is inmiddels in de gemeente bekend geworden hoe Theo met zijn islamitische personeel omgaat en hoe hij in de gemeenteraad gestemd heeft...

M.H.T. Biewenga, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief