Bonifatius
2004-01-23
‘754 Bonifatius bij Dokkum vermoord’, is een van die historische feiten die we ons wellicht nog van de geschiedenislessen herinneren. Historicus Auke Jelsma schreef een boek waarin de man weer vlees en bloed wordt.- Jaargang 48
- nummer 2
Hij put daartoe niet alleen uit de vier heiligenlevens die over Bonifatius verschenen, maar ook uit andere bronnen als brieven van Bonifatius en zijn tijdgenoten. Elk hoofdstuk begint dan ook met zo’n brontekst.
Bonifatius kwam in 672 in Zuid-Engeland als Wynfreth ter wereld en werd door benedictijner monniken opgevoed.
In de wereld van het kloosterleven maakte hij zodanig carrière dat hij door velen naar de ogen werd gezien. ‘Iedereen bewonderde hem om zijn beheersing van het Latijn, zijn kennis van zaken, zijn bijbelkennis, zijn vroomheid.’ Rond zijn veertigste levensjaar begon Bonifatius zijn populariteit als een bedreiging voor zijn ziel te zien; als een ketting die hem remde in het volgen van Jezus. Hij wilde daarom graag, op het vaste land van Europa, in de anonimiteit opnieuw beginnen.
Daarbij kwam een sterke missionaire gedrevenheid. ‘Hij hoopte,’ zoals hij schreef, ‘dat onze God en Heer Jezus Christus, die wil dat alle mensen gered worden en tot erkentenis van God komen, de harten van de heidense Saksen tot het katholieke geloof bekeren
zal, zodat zij uit de strikken van de duivel verlost worden en zich bij de kinderen van de moederkerk kunnen voegen.’
Zendeling
Vanaf 716 verkondigde Bonifatius in grote delen van Duitsland en Friesland het evangelie en werkte hij tevens aan verandering van kerkelijke structuren alsook aan de levensheiliging van de geestelijken. Hij hechtte daarbij aan goedkeuring van de paus. Het was paus Gregorius II die hem in 718, bij het verlenen van zijn zendingsopdracht, de naam Bonifatius – hij die het goede doet - gaf. Jelsma schrijft: ‘De naamsverandering weerspiegelde voor hem een levensverandering. Voortaan was hij een vazal van de paus, of liever gezegd, van de onzichtbare schaduw achter de apostolische zetel, de apostelvorst Petrus.’ Daar waar Bonifatius kwam zocht hij ook contact met de overheden. Hij was er van overtuigd dat zijn prediking het beste kon floreren onder bescherming van de vorsten. Wanneer vorsten in hun optreden de grenzen van de christelijke ethiek overschreden, schroomde Bonifatius niet hen te vermanen.
In naam en opdracht van de paus was veel te doen. In Engeland waren alle geestelijken groot geworden en gevormd in kloosters. Allen waren ongehuwd en legden zich toe op levensheiliging.
In Europa was dit heel anders.
Heel veel priesters en bisschoppen waren buiten het klooster groot geworden, en gehuwd. Bovendien zetten zij bepaalde heidense rituelen als het raadplegen van vogels en het aanleggen van grote vuren gewoon voort.
Plaatselijke geestelijken voldeden vooral aan de behoeften van hun parochianen.
Velen waren, aldus Bonifatius, hoerenlopers, drankzuchtig, twistziek of dol op de jacht.
Heilige eik
Bonifatius pakte deze wantoestanden op twee manieren aan. Ten eerste trad hij zelf zeer krachtdadig op. Samen met zijn medewerkers brak hij heidense tempels en gebedshuizen af.
Bekend is hoe hij eens een reusachtige Donarseik met een bijl te lijf ging. Die eik was voor de Germanen een heilige plek. Al na enkele bijlslagen stortte de boom ter aarde, dankzij een plotseling opstekende (goddelijke!) windvlaag.
De boom brak in vier stukken die alle precies even lang waren. Uit de stukken van de eik werd een kerk gebouwd. Op de Germanen maakte dit grote indruk. In hun samenleving stond het recht van de sterkste namelijk centraal. Omdat Donar het omhakken van de boom noch voorkwam noch strafte, moest Jezus Christus wel de machtigste zijn. Een andere keer verklaarde Bonifatius, in zijn trouw aan Rome, een doop ongeldig. De priester had namelijk, bij gebrek aan kennis van het Latijn, het kind gedoopt ‘in de naam van het vaderland, de dochter en de Heilige Geest’ (in nomine patria et filia et spiritu sancti).
Reorganisatie van de kerk
Naast eigen krachtdadig optreden werkte Bonifatius ten tweede ook aan verandering van de kerk door haar organisatie te veranderen. Het stichten van kloosters was niet voldoende.
‘Plaatselijke geestelijken moesten genoodzaakt worden zich onder leiding van een bisschop te stellen, zodat zij zich niet langer meer zouden voegen naar het verwachtingspatroon van hun gemeente en onafhankelijk zouden worden van de eisen en grillen van de hertog of graaf op wiens terrein zij werkzaam waren. De bisschoppen zouden zich op hun beurt weer moeten stellen onder het gezag van een aartsbisschop. En in synodaal overleg zouden allen zich gezamenlijk moeten voegen naar het canonieke recht van Rome. Onder zijn impuls werden diverse bisschoppen op synodes als ketters afgezet. In hun plaats werden landgenoten van Bonifatius benoemd. Ook werd het celibaat meer en meer verplicht gesteld. Bonifatius werkte dus aan de centralisering van de kerk. Hij wilde haar losmaken van zowel overheidsbemoeienis als heidendom.
De vraag naar de ideale verhouding tussen kerk en staat is volgens Jelsma nog immer actueel.
Dokkum
Het radicale optreden van Bonifatius riep zowel binnen de kerk als in de politiek op den duur forse weerstand op. Zijn invloed nam vanaf 746 dan ook drastisch af. Bonifatius had het daar erg moeilijk mee. ‘Vroeger ging ik tekeer als een blaffende hond, nu kan ik alleen nog maar janken,’ zei hij daarover. Aan het einde van zijn leven, hij was toen al 82 jaar oud, ging hij terug naar Friesland. De provincie waar hij ook zijn zendingsarbeid begon. Hij en zijn kameraden werden in de buurt van Dokkum overvallen door gewapende mannen. Een ooggetuige verklaarde later onder ede gezien te hebben hoe Bonifatius ‘toen hij door het zwaard gedood zou worden, een evangeliëncodex boven zijn hoofd gehouden had om daarmee de slag van de moordenaar op te vangen en zo bij zijn sterven de bescherming te genieten van het boek dat hij tijdens zijn leven met zoveel gretigheid had gelezen’. Op de voorkant van het boek prijkt dan ook een plaatje van een met een zwaard doorstoken bijbel.
Jelsma typeert Bonifatius als een veelzijdig mens: ‘atleet van God, zwerver over Gods aardbodem, bezige bij, kloosterling, adept van Rome, vazal van Petrus, blaffende en later jankende hond, lastpak, ketterjager, boekenwurm en heilige martelaar’. In de kerk van Rome wordt deze bijzondere man, die 1250 jaar geleden stierf, als een heilige vereerd. Ook nu nog trekken bijvoorbeeld jaarlijks zo‘n 20.000 mensen naar de Bonifatiuskapel in Dokkum. Anderen gaan naar Mainz of Fulda, want in beide plaatsen liggen delen van zijn skelet en attributen.
Omdat hij 1250 jaar geleden stierf, worden dit jaar in alle drie de steden tal van activiteiten georganiseerd (zie www.bonifatius.net).
Gezonde heiligenverering
Volgens Jelsma hebben wij als protestanten te weinig oog voor de oorspronkelijke bedoeling van de heiligen.
‘Het was niet de bedoeling ge weest de suggestie te wekken dat God alleen via een omweg te benaderen zou zijn, de heiligenverering getuigde bovenal van een besef van eigen geringheid. De auteurs van de heiligenlevens wilde bij hun lezers elk spoor van zelfgenoegzaamheid wegnemen.
Dat in protestantse kring het christendom zo vaak geïdentificeerd werd met een zelfgenoegzame burgerlijkheid, zou wel eens veroorzaakt kunnen zijn door het ontbreken van een gezonde heiligenverering.’ Wat het christendom betekenen kan, blijkt uit het leven van de heiligen.
Misschien stellen wij ons wel eens te veel tevreden met een minimale invulling van de christelijke geloofsovertuiging.
Bonifatius is daarom een inspirerend voorbeeld!
Auke Jelsma, ‘Bonifatius. Zijn leven, zijn invloed’. Uitgeverij Meinema, Zoetermeer 2003, 183 blz., 18,50 euro.