Nieuw theologisch instituut

2004-02-06
  • Jaargang 48
  • nummer 3
Een onafhankelijk nederlands gereformeerd instituut, aanleunend tegen de Theologische Universiteit in Apeldoorn (CGK), moet vanaf 1 september 2005 de opleiding van NG theologische studenten gaan verzorgen.
Dat stelt de commissie Opleiding Predikanten de Landelijke Vergadering voor. Het Nederlands Gereformeerd Seminarie reageert afwijzend, onder meer omdat TUdocenten minder op het praktische predikantswerk gericht zouden zijn en omdat het vreest dat mensen met een ‘late roeping’ te weinig mogelijkheden krijgen. Op de achtergrond speelt de vraag of het NGS nog bestaansrecht heeft naast een nieuw instituut.

De predikantenopleiding staat inmiddels zo’n tien jaar op de agenda en de LV van 2001 gaf opdracht voor een onderzoek naar een ‘deugdelijke opleiding van academisch niveau, af te sluiten met een erkend doctoraal examen of een MA in de theologie’.
Die moet versnippering van talenten en her en der studerende groepjes voorkomen én ruimte bieden voor mensen met een ‘late roeping’. Tevens moet de opleiding de basis leggen voor verdere wetenschappelijke studie, dus toekomstige docenten opleiden.

Positieve senaat
Tot verrassing van de commissie was de TU-senaat bereid ver te gaan in het delen van het onderwijs en de onafhankelijkheid van het NG-instituut.
De inhoud van het onderwijs en de begeleiding is een NGK-zaak en de NG-studenten hoeven bepaalde vakken of vakeenheden uit het TU-aanbod niet te doen in ruil voor zulke vakken op het NG-instituut.
Omdat Apeldoorn steeds nauwer samenwerkt met de TU in Kampen (Broederweg), kan de NGK wellicht één of meer onderzoeksplaatsen (aio) financieren en invullen.
Volgens de TU doet zij al het nodige voor studenten met een ‘late roeping’.
‘Zo’n vijftien procent van de studenten zit in deze categorie. Door concentratie van colleges op enkele dagen per week zijn de mogelijkheden voor werk naast studie groot. En in bijzondere situaties worden maatoplossingen gezocht. Voor de vooropleiding van late roepingen hebben Apeldoorn en Kampen samen een deeltijd-vooropleiding, geconcentreerd op de woensdagmiddag en – vond.’

Studieprogramma
Het voorgestelde studieprogramma van het NG-instituut bestaat uit homiletiek (preken maken), exegese van het Oude en Nieuwe Testament, filosofie, dogmatiek, kerkrecht, Nederlandse kerkgeschiedenis, onderwerpen in het kader van de Theologische Studiebegeleiding (TSB), kennis van de Heilige Schrift, een oriënterende en een langere stage en beroepsvaardigheden.
In het vak filosofie wordt, mede als tegemoetkoming aan het seminarie, nadruk gelegd op de reformatorische wijsbegeerte. Bij de beroepsvaardigheden gaat de aandacht onder meer uit naar communicatieve en didactische vaardigheden, waarbij het werken met jeugd nadruk krijgt.
De totale kosten van het NG-instituut worden geschat op 175.000 euro per jaar, waarvan 110.500 euro voor interne en externe docenten. ‘Dat komt neer op zes euro per kerklid, dus meer dan nu. Momenteel wordt voor TSB en seminarie in onze kerken circa 140.000 euro opgebracht. De plannen zijn dus financieel haalbaar als de gezamenlijke kerken dat willen,’ stelt de voorbereidingscommissie.

Kanselwetenschap
De commissie heeft haar voorstel vooren nabesproken met de begeleiders van de TSB en het bestuur van het seminarie. Ook zijn de studenten gehoord.
De TSB vindt het een goed voorstel, omdat het meer invloed geeft op de opleiding, en het onderwijsprogramma veel aandacht besteedt aan de prediking en de rol van de exegese daarin. Wel vindt de TSB dat alle NGstudenten verplicht dit programma moeten volgen. ‘Dat kan een sterke stimulans zijn om het “Apeldoornadvies” te volgen.’ Het seminarie legde in de eerste verkennende gesprekken nadruk op zijn zorg over de verwetenschappelijking van predikantenopleidingen. ‘Een goede predikant moet geen theologie op de kansel brengen, maar wel theologie gestudeerd hebben,’ vindt ook de voorbereidingscommissie.
Maar zij wil weg graag dat het seminarie dat vermoeden over het TU-onderwijs hard maakt en met de TU bespreekt. En als het seminarie gelijk zou hebben, hoe komt het dan dat vier seminariestudenten die doorstudeerden in Apeldoorn en Kampen geen problemen hadden met die doorstroming en desgevraagd meldden dat daar geen sprake was van overschatting van de theologische wetenschap?
Het seminarie stelde het appèl vanuit de kerken om mee te doen met de nieuwe opleiding op prijs, maar vroeg zich wel af of haar docenten aan dat instituut zouden kunnen werken, gezien de eisen die aan hen worden gesteld. ‘En als men de bijdrage van het seminarie – door de kerken erkend als een “deugdelijke opleiding” - zo belangrijk vindt, waarom moet het dan opgeheven worden?’ Volgens de commissie zijn noch de kerken, noch zijzelf uit op opheffing van het seminarie. ‘Het gaat niet om het minimaliseren of elimineren van het gedachtegoed van het seminarie, maar juist om een zo optimaal mogelijk realiseren van wensen in het nieuwe instituut. Als dit voldoende gewaarborgd is in dat nieuwe instituut, zullen de kerken het bestuur van het seminarie mogelijk vragen op te gaan in dit instituut.’ Een ander bezwaar van het seminarie betrof de niet zo florissante stand van zaken in de landelijke samenwerking tussen NGK en CGK. Is het dan verstandig je op het gebied van de predikantenopleiding zo afhankelijk te maken? De commissie bracht daartegen in, dat plaatselijke kerken wel degelijk meer samenwerken, ondanks landelijke besluiten.
Dat alles was echter niet voldoende om het seminarie te bewegen tot concrete medewerking. Het bestuur liet de blauwdruk van het nieuwe instituut over aan de commissie en de TSB, maar wilde er daarna wel op reageren.
De gesprekspartners waren het eens over de noodzaak van vernieuwing van de predikantenopleiding ‘in een tijd waarin zich een spiritualiteit ontwikkelt, waarbij persoonlijke geloofservaring soms een belangrijker rol lijkt te spelen dan geloofskennis en bijbelse bezinning’. En daarom zet het seminariebestuur dan ook graag zijn werk voort. ‘Het is prima dat de commissie een aanleunwoning
bij Apeldoorn bouwt, maar laat ons het schuurtje voor de late roepingen…’

Hand aan de ploeg
Het voorstel van de commissie overtuigde het seminariebestuur nadien ook niet. Weliswaar was er waardering voor de plaats van onder meer de kennis van de Heilige Schrift en de reformatorische wijsbegeerte in het opleidingsprogramma, maar er bleven bezwaren tegen TU-docenten, die exegese van OT en NT en dogmatiek geven. ‘Het seminarie is bewust een op de praktijk van het predikantwerk gerichte opleiding.’ Ook was het seminarie niet overtuigd van voldoende zorg voor de ‘late roepingen’.
De commissie noemt die vrees ongegrond.
‘In overleg met de TU moet voor deze categorie een goede (overgangs) regeling te treffen zijn. De bezwaren tegen TU-docenten die bijbelse vakken geven zijn overkomelijk, omdat het nieuwe instituut veel ruimte heeft gemaakt voor exegese. De bezwaren tegen de TU moeten in een rechtstreeks gesprek tussen het seminariebestuur en de TU-senaat worden besproken. We hebben de indruk dat dan veel bezwaren kunnen worden weggenomen.’ De commissie hoopt dat haar uiteindelijke voorstel en een tijdig gesprek met de TU het seminarie nog voor de LV-bespreking kan bewegen tot een andere zienswijze. ‘Zo niet, dan zou de LV namens de kerken een dringend appèl op het NGS moeten doen om alsnog mee te doen. De reactie daarop moet dan wel voor de sluiting van de LV binnen zijn, zodat deze een definitief besluit kan nemen over het instituut. Wij zijn ervan overtuigd dat alle aspecten van de opleiding nu grondig zijn doorgesproken en dat er moet worden gekozen. De opleiding is een ernstige en gevoelige zaak, maar het is hoog tijd om de hand aan de ploeg te slaan en de gekozen opleiding op te zetten.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief