Misschien… wie weet… (1 van 2)
2004-02-20
Bij de bijbellezing aan tafel van Joëls profetie stuitte ik erop: ‘Wie weet of de Here God zich niet wendt en berouw heeft en een zegen achter zich laat overblijven…’ Wie weet…, wat een opmerkelijke zinswending!- Jaargang 48
- nummer 4
Horen we die vaker in de Schrift? Ik aan het zoeken en ja hoor, tot vijfmaal toe kom je het in de bijbel tegen dat Gods genade onder een voorbehoud gesteld wordt. Onder het voorbehoud van: Wie weet… of: Misschien… Dit zijn de plaatsen en ze zijn in het Oude Testament te vinden: Bij Mozes (Exodus 32:30), in de Klaagliederen (3:29), bij Amos (5:15), bij Joël (2:14) en bij Zefanja (2:3).
Een moment van onzekerheid
Het is waar, dit misschien of wie weet komt nog wel vaker voor. In het boekje Jona bijvoorbeeld vinden we het een paar maal (Jona 1:6 en 3:9), maar daar zijn het heidenen die het in de mond nemen als zij het over God hebben en die waren nu eenmaal gewend aan de willekeur van hun goden, zodat het in hun mond veel minder opvallend klinkt. Nee, het gaat me nu om het feit dat nota bene op het verbondserf Gods genade en de komst van zijn koninkrijk onder het voorbehoud van dit misschien worden gesteld.
Ik vind het nogal wat dat de bijbel bij zijn aansporing om de Here te zoeken in gebed en verootmoediging niet royaal zegt dat de Here God zich dan onder alle omstandigheden laat vinden, maar dat hij situaties kent waarin het zuinig klinkt: wie weet…, of: misschien… Want zeker, ik weet wel dat je die twee woordjes op twee verschillende manieren kunt uitspreken.
Optimistisch: Wel, wie weet… of pessimistisch: Nou, misschien.., maar hoe je het ook wendt of keert, er zit altijd dat moment van onzekerheid in.
Hoopvolle onzekerheid of mismoedige onzekerheid, maar onzekerheid. En dat bij zoiets belangrijks.
Een dubbeltje op z’n kant
Ik loop kort die vijf plaatsen langs.
Eerst Mozes die na de zonde met het gouden kalf voor zijn volk de voorbede doet. We horen hem zeggen: ‘Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de HERE, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken.’ Misschien. Nu moet u niet meteen zeggen dat Mozes weliswaar een groot voorbidder was, maar dat zijn gebed niet in de schaduw kan staan van dat van Christus die voor ons pleit. En dat dit de reden is waarom we deze misschien-teksten in het Nieuwe Testament niet vinden en wij er dus niets meer mee te maken hebben.
Nee, dat is te vlug. Kijk liever naar het volk Israël dat na zijn zonde met dat gouden kalf onder een hoedje te vangen is en het helemaal niet vanzelfsprekend vindt dat Mozes daarboven iets bereikt. Een dubbeltje op z’n kant, hebben ze gedacht. Dat misschien van Mozes was hun uit het hart gegrepen. Het sloot naadloos aan bij hun eigen gevoel. En terecht, want het wás ook vreselijk wat ze gedaan hadden: tijdens het feest van de verbondssluiting een afgodsbeeld gaan maken. Overspel op de trouwdag, zo zou je het goed kunnen typeren.
En de vergeving die Mozes bij de Here gedaan kreeg was dan ook een voorlopige: ‘Goed, mijn engel zal voor u uitgaan, maar ten dage van mijn bezoeking zal Ik aan hen hun zonde bezoeken’ (Exodus 32:34). Wij kunnen het bij God zo bont maken dat de vergeving iets totaal onvanzelfsprekends wordt. En dat God ons daarover zelfs een poosje in het onzekere laat. Het Oude Testament waarin de misschien-teksten staan gaat aan het Nieuwe vooraf om ons van het bijzondere van de vergeving te doordringen.
Omgekeerd, wanneer we het Nieuwe Testament van het Oude loshaken, dan komt de vergeving die wij uit kracht van Christus’ offer ontvangen in een frivool licht te staan. Dan wordt het een lachertje.
Onzekere toekomst
We gaan naar Klaagliederen. Daar ligt het wat anders. Klaagliederen is geschreven op een dieptepunt van Israëls bestaan: na de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs in 586 vC. Moet je je voorstellen wat dit betekend heeft voor de jeugd die zonder toekomstperspectief kwam te zitten. Maar dan zegt deze profeet: ‘Goed is het voor de man dat hij een juk in zijn jeugd draagt. Hij zitte eenzaam neer en zwijge stil, als God hem dat heeft opgelegd.
Hij drukke zijn mond in het stof, misschien is er hoop’ (3:27–29). Ik omschrijf: Ga nu, jongelui, in deze moeilijke tijd niet je kracht zoeken in mopperen en schelden op alles en iedereen!
Natuurlijk, wij zouden dit advies graag aanvullen met iets als: Ga wat doen! Gebruik de weinige mogelijkheden die je nog gelaten zijn! Dat zou ook volstrekt naar de geest van de bijbel zijn, maar hier wordt dat nu niet gezegd. Laat het je verhouding met God niet verstoren, dat is wat we hier horen. Want: misschien is er hoop, wie weet laat de Here weer een andere tijd aanbreken. Het misschien-zinnetje heeft hier een positieve strekking, anders dan bij Mozes zit er meer hoop in, maar ook nu is dat moment van onzekerheid er niet uit weg. En het gaat hier toch maar eventjes over de toekomst van Gods koninkrijk. Ik moest bij deze passage denken aan Abraham van wie de Schrift zegt dat hij tegen hoop op hoop geloofd heeft dat hij een vader van vele volken zou worden, zoals zijn naam zei (Romeinen 4:18). Dat was ook een hopen in de misschien-vorm.
Iets voor de gebedsgenezers?
Ja, maar, zegt u, Abraham had toch de belofte van God zelf dat hij zou uitgroeien tot een grote volkerenfamilie?
Dan geeft dat tegen hoop op hoop toch geen pas? En wij ook, wij staan toch niet zonder beloften in het leven? Ook onze jongelui niet, al staan ze in een tijd van neergang en afbraak? Zeker. En toch behoort het tot de bescheidenheid van ons geloof dat we situaties onderkennen waarin we niet verder komen dan: Misschien is er hoop. Abraham was negenennegentig jaar toen hij de belofte van een zoon kreeg. Niet zo vreemd dus, dat tegen hoop op hoop. En wat denkt u van de ernstige zieke die om genezing bidt: Misschien is er hoop. Iets voor de gebedsgenezers? Ik moet eerlijk zeggen dat ik bij dat vijf maal misschien van de bijbel aan hen gedacht heb. Laten ze die toon van bescheidenheid maar eens wat meer voeren.
Misschien…, wie weet… Dan hoeven ze ook niet, als de Here de genezing niet geeft, met de wreedheid aan te komen dat de zieke dan zeker zonder geloof gebeden heeft. Dit misschien van de bescheidenheid, dat wens ik mijn broeders en zusters van de gebedsgenezing toe. Maar, werpt u tegen, er staat toch ook geschreven dat we moeten bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, ‘want wie twijfelt gelijkt op een bare der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt…’ (Jakobus 1:6-7)? Zeker, dat staat er en ik laat mij graag aan deze tekst herinneren.
Want als we bidden om wijsheid (zoals Jakobus hier doet) of om een gedrag dat past bij Gods koninkrijk, dan mogen we geen zweem van twijfel in ons binnenste toelaten.
Maar daarnaast zijn er zoveel wensen en verlangens, waarvan het heel mooi zou zijn als God ze inwilligde, maar waarvan we toch niet kunnen zeggen dat wij daar als kinderen van God op mogen rekenen. Ook een sterk willen van die zaken moeten we dan vergezeld laten gaan van die notie van bescheidenheid. Anders wordt bidden dwingen en dat kan nooit de bedoeling zijn. Hebben we niet gezien dat zelfs bij de bede om vergeving, op welk gebied de beloften van de Here God toch op z’n sterkst zijn, het woordje misschien niet misstaat? Hoeveel te meer dan als het om onze wensen en verlangens gaat.