Misschien... wie weet...

2004-03-05
  • Jaargang 48
  • nummer 5
Opvallend, zo schreef ik twee weken geleden, dat er rond Gods verhoring op ons gebed iets van een voorbehoud kan zitten. Zelfs bij de bede om vergeving kom je onder de indruk van het feit dat Gods antwoord nooit vanzelfsprekend is. Ik denk aan het moment bij de Horeb als Mozes tegen het volk zegt: ‘Misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken’ (Exodus 32:20). Ook de profeten kennen deze momenten van heilzame onzekerheid tussen God en mens, zodat ons bidden zijn bescheidenheid niet verliest.

Het misschien van Gods berouw
Bij Joël is de situatie die van een sprinkhanenplaag. Die fungeert bij hem als een voorbeeld van het apocalyptisch geweld van alle rampen en ongelukken die onze wereld treffen.
De angstaanjagende (!) plaag van die beestjes die in een mum van tijd een oogst kunnen vernielen kondigt de grote dag van het oordeel aan (2:11) en je waant je in het boek van de Openbaring als je in dat verband leest: ‘… de zon en de maan worden zwart en de sterren trekken hun glans in’ (2:10). Dat gaat duidelijk nog verder dan die sprinkhanenplaag en je merkt daaraan dat die natuurramp bij Joël inderdaad een opstapje is naar het uiteindelijke gericht. ‘Maar ook nu’, zegt dan de profeet, ‘luidt het woord des HEREN: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart en met vasten en met geween en met rouwklacht…Wie weet of Hij zich niet wendt en berouw heeft en een zegen achter zich laat overblijven…’ Het is hier echt zoals bij verder lezen blijkt: alle hens aan dek, iedereen wordt opgetrommeld, tot de zuigelingen toe (2:16) om dit definitieve onheil af te wenden, af te bidden. Wie weet… Maar heeft dat wel zin, vraag je je af, want het einde van de wereld staat toch vast, daar laat God zich toch niet vanaf brengen? Nee. Maar wat wel kan (en daar mag om gevraagd worden) dat is dat God temidden van dat eindtijdelijke geweld oases van rust en op adem komen inlegt. Dat zou dan die zegen kunnen zijn die God achter zich laat overblijven, zoals de tekst zegt. ‘Tijden van verkoeling of verademing’, noemt het Nieuwe Testament ze (Handelingen 3:19). En als we daarom vragen dan is het ‘wie weet…’ weer helemaal op z’n plaats.
Om zulke tijden van ontspanning mogen we ook in de kerk bidden, want vanwege het hectische gebeuren van deze tijd kunnen wij onder een te grote spanning komen te staan. Tijden van verkoeling, wie weet, want de motor loopt wel erg warm.

Een rest van Jozef
Dan Amos. Ook bij deze profeet gaat het om een situatie van gericht en oordeel. Bij alle profeten kun je dat trouwens verwachten. En Amos roept dan op om weer ernst te gaan maken met Gods geboden: ‘Haat het kwade en hebt het goede lief en houdt het recht hoog in de poort; misschien zal de HERE de God der heerscharen Jozefs rest genadig zijn’ (5 : 15). Jozef, dat is de naam waarmee het tienstammenrijk wel wordt aangeduid. Amos heeft in dat noordelijke koninkrijk gewerkt, al was hij zelf Judeeër. Het tienstammenrijk is verloren gegaan bij de verovering door de Assyriërs in 722 v.C.
Restloos? Zo schijnt het wel. Maar toch zijn er toen nog velen gespaard gebleven door uit te wijken naar het zuidelijke Juda. Een rest van Jozef. Op zoiets heeft Amos dus niet te vergeefs gehoopt. Maar hij hield het voorzichtig: 'misschien'. Ook nu is het zo dat wanneer wij een kerk in de storm van de secularisatie ten onder zien gaan wij ons op die belofte van een rest mogen beroepen. Van de kerk van Europa bijvoorbeeld die niet veel toekomst meer lijkt te hebben mogen we hopen dat de Here God zo’n overblijfsel genadig zal zijn. Maar u voelt wel hoe gepast het is als we daar het woord 'misschien' bij gebruiken. De Europese kerken mogen zich daar niet als een recht op beroepen. Daarvoor is de geschiedenis van die kerken te donker. God heeft het wel beloofd, maar er is alle reden om in grote bescheidenheid de Here aan die belofte te herinneren. Ook hier noopt het woord 'misschien' weer tot bescheidenheid.
Dat is het grootste nut ervan.

Ook de ootmoedigen?
We komen toe aan de laatste van de vijf 'misschien'-teksten. Die bij Zefanja, een tijdgenoot van Jeremia op de overgang van de zevende naar de zesde eeuw voor Christus. Ook hier weer een oproep tot verootmoediging met het oog op het komende gericht. In dat kader klinkt het ons vertrouwd in de oren als we horen: ‘Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, gij schaamteloos volk, voordat het besluit tot uitvoering komt’ (2:1). Ja, natuurlijk!, zeggen we daarvan, alleen bekering kan de dreiging van het oordeel wegnemen. Maar van het vervolg staan we toch even te kijken: ‘Zoekt de HERE, alle ootmoedigen des lands, gij die zijn verordeningen volbrengt; zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen worden op de dag van de toorn des HEREN’ (2:3). Misschien? Het 'misschien' lijkt hier misplaatst. Als dat woord bij het schaamteloze volk van vers 1 zou klinken – oké, maar bij dit goede deel verwacht je het niet. Is het dan bij de ootmoedigen ook een dubbeltje op z’n kant dat ze aan het oordeel ontsnappen? Maar dit is nu solidariteit.
Die ootmoedigen leven temidden van een schaamteloze samenleving en ze kunnen niet zeggen dat ze met die schaamteloosheid niets te maken hebben. Want hoe vaak hoor je mensen die de kerk verlaten niet zeggen dat ze vanwege het gedrag van kerkmensen tot hun besluit gekomen zijn? Nee, dat is wel geen rechtvaardiging voor hun stap. Ieder die God de rug toekeert draagt zelf daarvoor de verantwoording. En dat bij dat weglopen vele vonden gezocht worden is ook bekend. Maar toch, wij zijn als blijvers in een tijd van weglopen niet brandschoon. De kerk draagt zelf ook in haar beste vertegenwoordigers schuld aan de ontkerkelijking en aan de verloedering van de samenleving. En dus kunnen ook de besten niet zeggen als het over het goddelijke gericht over de zonde gaat: maar wíj toch niet, Here!?
Dan buigen ook zij, of moet ik zeggen: juíst zij zich onder dat gericht. En dan is het 'misschien' juist hen uit het hart gegrepen. Ja, dat is nu solidariteit.

Bescheidenheid
Vijf plaatsen in de Schrift, het Oude Testament, waar we de notie van het 'misschien' tegen kwamen. En steeds viel in de uitleg het woord bescheidenheid.
Dat is dan ook het belangrijkste resultaat van onze rondgang door die teksten. En van die bescheidenheid zou ik willen dat ze aan het gebedsleven een kleur gaf die de Here aangenaam is. Let wel, het gaat er niet om de gebedsvrijmoedigheid aan te tasten. Die is een groot goed en het zou erg zijn als die verdween.
Ook is het mijn bedoeling niet twijfel te zaaien aan Gods barmhartigheid.
Nee, het gaat er bij die bescheidenheid om dat onze vrijmoedigheid bij het bidden niet door zal slaan in vrijpostigheid.
Nu vandaag de dag het bidden meer dan vroeger in het centrum van het geloof komt te staan en dan vooral het bidden om de vervulling van persoonlijke wensen, zoals de genezing van een ziekte, nu is het goed aan die bescheidenheid goede aandacht te geven. Daar houdt het gebed de charme bij van de zachtmoedige en stille geest die kostbaar is in het oog van God. Die charme zie ik vandaag de dag wel eens in de knel komen. Het heeft in mijn ogen iets gênants dat we in een tijd van rampen die alom honderden, duizenden slachtoffers vergen gebedsdiensten gaan beleggen waarin de genezing van onze zieken zo nadrukkelijk en zo eenzijdig in het centrum van de aandacht wordt geplaatst. Denken we dan nog wel in de juiste verhoudingen?
Is het gebed: Kom, Here Jezus, ja, kom haastig! dan niet meer op z’n plaats? Ik raad u derhalve aan die gevoelige woordjes 'misschien' en 'wie weet' bij uw geestelijke bagage te stoppen. U kunt ze nodig hebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief