Ambt en vrouw

2004-03-19
  • Jaargang 48
  • nummer 6
In de vorige Opbouw citeerde ik een gedeelte uit De Waarheidsvriend waarin het ging over het betrekken van gemeenteleden bij het pastorale werk in de gemeente. Bij dat onderwerp blijf ik nog even wat hangen, zij het dat ik nu wel een meer specifieke richting insla, namelijk die van het inschakelen van zústers bij het werk binnen de gemeente van Christus.
In De Reformatie heeft ds. H. ten Brinke een drietal artikelen geschreven naar aanleiding van het Nederlands Gereformeerde rapport over Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten. In het laatste artikel (21 februari) komt hij uit bij een voor mijn besef toch wel verrassende wending. Ten Brinke:

Als je nadenkt over het thema ‘vrouw en ambt’, moet je niet alleen stilstaan bij de plaats van de vrouw in verhouding met de man, maar ook bij bij de vraag wat ‘ambt’ eigenlijk is.
Het rapport doet dat niet. De commissie heeft ervoor gekozen om aan te sluiten bij 'de gangbare ambtsvisie', en die niet ter discussie te stellen. De vraag die wordt beantwoord is dus of zusters in de gemeente geroepen mogen worden tot de ambten 'zoals wij die kennen' (16).
Deze keus is begrijpelijk. Maar er is toch wel een belangrijk nadeel. Een beperking in de vraagstelling brengt een beperking in de mogelijke antwoorden mee. Opties die gevolgen hebben voor de manier waarop we in de gereformeerde traditie omgaan met ‘ambten’ komen nu niet in beeld.
Bij voorbeeld: in de gereformeerde traditie is het houden van een preek voorbehouden aan ambtsdragers (predikanten) Ook verder zijn vaak ‘taken’ op een bepaalde manier gekoppeld aan ‘ambten’ (pastoraat incl. tucht, diaconaat, leiding geven, enz.). Het zou de moeite waard zijn om na te gaan in hoeverre die koppelingen terecht zijn en of het ook anders zou kunnen.
Stel dat je uit het geheel van de Schriften tot de overtuiging komt dat iets van de prioriteit van de man (Genesis) gehandhaafd moet blijven. Zou dat niet te combineren zijn met een verandering van de organisatie van de gemeente, bij voorbeeld zo dat er een kleine groep mannen is die leiding geeft aan het geheel, terwijl onder die leiding er allerlei taakgroepen zijn (verkondiging, pastoraat enzovoort), waarbinnen mannen en vrouwen gezamenlijk en elkaar aanvullend kunnen functioneren? Vrouwen brengen dan, net zoals nu de mannelijke ouderlingen, pastorale bezoeken.
Vrouwen kunnen dan, net als nu de mannelijke ambtsdrager-predikant, preken. Vrouwen kunnen dan, net zo goed als mannen, leiding geven aan zo‘n taakgroep.
Kortom: de versmalling van de vraagstelling (wel over de plaats van de vrouw, niet over de plaats van ‘het’ ambt) levert een antwoord op dat een deel van de problematiek (hoe gaan wij om met taken en ambten in de gemeente?) niet raakt. En dus kan dit antwoord moeilijk een oplossing zijn voor het vraagstuk ‘vrouw en ambt’.

Tot zover ds. Ten Brinke. Zijn artikel is in bepaald opzicht in lijn met de reactie van het Gereformeerd Vrijgemaakte Deputaatschap Kerkelijke Eenheid op het NG-rapport over Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten. Geen wonder, want Ten Brinke is lid van dat Deputaatschap en (mede-)opsteller van die reactie. Ook toen was de kritiek dat de NG commissie zich heeft aangesloten bij de gangbare ambtsvisie.
Intussen voegt Ten Brinke nu wel iets toe: zusters op huisbezoek, op de kansel, en leidinggevend in een taakgroep.
Bijna alle taken in de gemeente worden geclassificeerd als nietambtelijk; als er maar een paar mannen boven staan, dan mogen vrouwen verder eigenlijk alles doen. Zo wordt het wel uiterst boeiend en uitdagend.
Ik heb er wel een vraag bij: want als je zozeer deze kant op gaat, wordt het dan per saldo niet een soort verdwijntruc, namelijk van het ambt als zodanig? Goed, je houdt 'een kleine groep mannen' over die een ambt hebben en officieel verantwoordelijk zijn voor alles wat er gebeurt in de gemeente van Christus, maar is dat niet een façade om te verhullen dat er in de kerkelijke werkelijkheid daarachter toch echt iets essentieel is veranderd?
Is dit standpunt niet gedoemd na een tijdje opzij geschoven te worden omdat het niet waarachtig is: een soort ‘excuus-Guus’ als eigentijdse variant van de ‘excuus-Truus’ van vroeger?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief