Help, we zoeken weer ambtsdragers!
2004-04-02
Onder die sprekende titel schrijft Koos Geerds in De Reformatie (6 maart). Geerds (die als dichter ook heeft meegewerkt aan het nieuwe bundeltje ‘Negentig Gezangen’ van de GKV) heeft blijkens de aftiteling een indrukwekkende reeks bezigheden: coach, supervisor, veranderingsmanager, teamtrainer, loopbaanadviseur en mediator. Daarnaast is hij profeet, priester en koning, want gewoon kerklid. En als zodanig kijkt hij naar het functioneren van het bijzondere ambt in de kerk.- Jaargang 48
- nummer 7
In aansluiting op de bijdragen in de beide laatste nummers van Opbouw geef ik hier iets door van wat hij schrijft:
Kerkenraden zijn druk tegenwoordig.
Er staat veel op de agenda en er zijn tal van kwesties die om een bespreking en een oplossing of beslissing vragen. Er is verder van alles en nog wat in beweging. Allerlei nieuwe initiatieven, die tot onrust en zelfs ‘vrijmaking’ leiden. Daarnaast is er van alles aan de hand met individuele gemeenteleden. Zorgen om onchristelijk gedrag, vermaan aan zondaars.
En dat naast het reguliere huisbezoek, waarvan de kerkenordening gewag maakt en dat ook moet gebeuren.
Geen aanlokkelijk perspectief voor mannen-broeders, die op tal worden gezet. Drie, vier avonden per week ben je maar zo kwijt met het kerkenraadswerk.
En dan nog heb je vaak het gevoel dat je tekortschiet, dat je zoveel meer had moeten doen.
Maar ja, een mens is maar een mens en het houdt een keer op. Toch, het knaagt. En je bent dolgelukkig als je de vier jaar hebt volgemaakt en eindelijk, ‘uitgewoond’, een paar jaar rust hebt van al je werk. Want let wel, je moe(s)t het allemaal doen naast je ‘gewone’ taken van echtgenoot, vader, werknemer of manager.
Veel kerkenraden zijn de laatste tijd aan de slag gegaan om hun tafel op te schonen van alles wat daar niet thuis hoort. Bestuurlijke taken scheiden van de taken op het vlak van het geestelijk leiderschap. Een bestuurscommissie instellen die de bemensing van de commissies en het reilen en zeilen van de organisatorische en zakelijke aspecten van het kerkelijk leven voor haar rekening neemt. Kortom: delegeren en mandateren van die dingen die buiten het terrein van ouderlingen en diakenen liggen. Prima.
Evengoed heb ik de indruk dat er door de meeste kerkenraden nog een belangrijke vervolgslag gemaakt kan worden. Namelijk een grondige bezinning op het ‘geestelijk ambt’ van de bijzondere ambtsdragers. Als het waar is wat ik boven schreef over het primaire ambt van alle gelovigen als mondige leden van Christus’ lichaam, dan valt hier nog een wereld te winnen. Want in de praktijk zien we toch veelal dat predikanten, ouderlingen en diakenen de verkondiging, het pastoraat en het diaconaat tot hun eigen primaire taak rekenen. Kenmerkend voor die praktijk is het veelvuldig kwalificeren van het bijzondere ambt als ‘het ambt’.
Hoe komt het dat er nog steeds kerkenraden zijn, die het tot hun taak rekenen de gemeente ‘te bearbeiden’?
Die gemeente bestaat toevallig wel uit leden die als christen zelf heel zelfstandig actief zijn in allerlei andere verbanden. Thuis in de huwelijksrelatie en de opvoeding van de kinderen en alles wat daarbij komt kijken. In de relatie met de buren en de buurt. Met de families van weerszijden.
Met vrienden en kennissen.
In de collegiale relaties op het werk, relaties met klanten, concurrenten.
Relaties op de sportclub, in hobbyverband.
Allemaal situaties waarin gemeenteleden zich op eigen initiatief en zonder ‘bearbeiding’ van de kerkenraad bewegen. Geheel overeenkomstig de aansporing van de apostelen. Privé en maatschappelijk actief en verantwoordelijk. Zoals het hoort.
Bovendien is de opleidingsgraad van gemeenteleden nog nooit zo hoog geweest als nu. () Ook ontbreekt het niet aan opbouwend studiemateriaal.
Er zijn vele honderden kerkleden die een bijbelcursus volgen en/ of naar allerlei vrouwen- en mannendagen trekken. Er is een hartverwarmende belangstelling voor en verlangen naar geestelijke groei.
De richting die Geerds kiest is duidelijk: ‘ambtsdraVers’ moeten ‘ambtsdraGers’ worden. Want, zegt hij:
Dit alles weten we, maar in de kerkenraad handelen we er vaak maar ten dele naar. Het hele drievoudige ambt van profeet, priester en koning lijkt wel in de ijskast te zitten zodra het om de ‘ambtelijke arbeid’ gaat.
Dus gaan predikant, ouderling en diakenen zelf met hun ambt rond door de gemeente en zijn daar heel erg druk mee. Terwijl ze het tot hun taak zouden moeten rekenen het primaire ambt, het ambt van alle gelovigen te ondersteunen. Niet het initiatief en de uitvoering daarvan uit handen nemen, maar juist dat initiatief en die uitvoering faciliteren.
Het hele kerkenraadswerk consequent dienstbaar maken aan de ambtsuitoefening van de gemeenteleden.
Consequent vragen: wat hebben jullie nodig om in groepsverband of individueel zelfstandig als christen te functioneren.
Dus letterlijk het ambt van de gelovigen dragen: ambtsdragers zijn!