Geestelijke vernieuwing

2003-01-06
  • Jaargang 47
  • nummer 1
Geestelijke vernieuwing: daar wordt niet voor niets aandacht voor gevraagd.
Want wat kun je als christen hard aanlopen tegen je eigen ondeugden.
En wat kan je hart vervuld zijn van alles, behalve van het ene nodige (Lucas 10:42). Ook in de christelijke gemeente kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Wat kun je moe worden van het kleinmenselijk gedoe, en zoveel hol en opgewonden gepraat… En áls je dan met een medechristen een inhoudsrijke ontmoeting hebt gehad, een gebed hebt gehoord dat opkwam uit de diepte van het hart, de mildheid bij hem of haar hebt geproefd, de sereniteit van een leven dichtbij God, de concentratie op de echt belangrijke dingen in het leven – dan word je eraan herinnerd wat de bedoeling is.
Geestelijke vernieuwing: naarmate je besef krijgt van het tekort aan werkelijk geestelijk leven, kun je er meer naar verlangen. Maar hoe komt het zover?

In TSB-verband hebben we het afgelopen voorjaar stil gestaan bij twee antwoorden op die vraag. Het ene is gegeven vanuit de reformatorische, het andere vanuit de piëtistisch-evangelische traditie.
Ik wil ze voor u weergeven aan de hand van de geschiedenis van Zacheüs, Lucas 19: 1-10.

Blijdschap
De ommekeer in het leven van Zacheüs is opmerkelijk. Hij overwint zijn geldzucht!
Hij krijgt oog voor zijn medemensen, die hij zolang hard en koud benadeeld heeft. Hij oefent zelfkritiek en vindt de moed om te breken met zijn levensstijl. Is dat geestelijke vernieuwing?
Ja, want al deze veranderingen komen voort uit een vernieuwing van zijn hart. Wat er met Zacheüs is gebeurd, is dat hij een blij mens is geworden, vers 6. Geldzuchtige mensen zijn niet zo blij. Ze zijn meestal gespannen, haastig, onrustig, ongeduldig.
En als ze een succes boeken zijn ze eerder voldaan en trots dan blij. Want blijdschap hoort in een andere sfeer thuis. Blijdschap valt ook niet samen met het overspannen gelach dat je zo veel op de TV ziet, of het triomfantelijke gevoel van de winnaar van een sportwedstrijd. Blijdschap is meer iets van kinderen, en van hen die worden als de kinderen. Zacheüs is als een kind zo blij dat Jezus zijn gast wil zijn.
Vanuit die blijdschap komt hij los uit de greep van het geld, en kan hij de armen in hun menselijkheid zien, en kan hij ‘nee’ zeggen tegen zijn eigen gespannen en grimmige verleden.
Werkelijk, wat blijdschap met een mens kan doen, dat is verbazend. Niet toevallig scoort ‘blijdschap’ hoog als het gaat om de vrucht van de Geest, Galaten 5:22. Maar word maar eens blij… Hoe doe je dat? In de geschiedenis van Zacheüs ontspringt de blijdschap aan de ontmoeting met Jezus. Oorzaak van deze ommekeer is dat ontwapenende woord van de Heer: “Zacheus, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven.” (vers 5) Hoe ongewoon en onvoorstelbaar dit woord is, blijkt uit de verontwaardigde reactie van de omstanders, vers 7: dat dééd je niet, je laten trakteren door zo’n geldduivel, die er geen been in zag om met de wrede Romeinen onder één hoedje te spelen. Zacheüs werd gemeden als de pest. Blij wordt hij, als er eindelijk Iemand is die hem ziet zitten, en zijn godgeklaagde geldzucht niet als een barrière ervaart om bij hem thuis te komen.

Van buiten en van binnen
Dit is wat Paulus in zijn diepzinnige brieven noemt de ‘rechtvaardiging van de goddeloze’ (Romeinen 4:5). De Heer tafelt met vijanden van God (Romeinen 5:10)! Het uitgerekende en egoïstische van mensen, hun kleingeestigheid en holle gepraat, is geen verhindering voor Hem om hen een vriendschappelijke klap op de schouder te geven!
Hier word je nu echt blij van: dat God voorbijgaat aan al dat gespannen en verbeten zorgen van een mens voor zichzelf, en teder en zorgzaam naar jou toekomt en jou in je menselijkheid ziet zitten – ondanks alles… De Reformatie, Luther voorop, heeft in deze rechtvaardiging van de goddeloze dan ook de basis aangewezen van alle geestelijke vernieuwing. Hiermee begint het: dat de Heer jou, terwijl je nog lichtjaren van Hem gescheiden bent, aanvaardt als mens. Die genade heeft de kracht om je diep blij te maken en zo te vernieuwen tot een kind. Worden als de kinderen: dat betekent dat je je niet langer waar hoeft te maken ten koste van anderen en van jezelf, maar leeft van vriendelijkheid. En wie leeft van vriendelijkheid, word zelf ook vriendelijk.
Een goddeloze die zich door de Heer laat rechtvaardigen, in hem of haar neemt Christus zelf gestalte aan, Galaten 2:20.
Kortom: die verandering die zich van binnen voltrekt, komt tot stand doordat er van buiten af iets gebeurt. Van buiten af: dat wil zeggen door het contact met een ander, buiten jouzelf. De diepe innerlijke verandering van Zacheüs komt niet voort uit zijn eigen binnenste, zijn eigen leefwereld, zijn eigen gedachten, zijn eigen geest, maar door de betrekking die God in Jezus met hem aangaat. De goddeloze zit per definitie opgesloten in zichzelf: hij leeft God-loos, zonder God. Hij is alleen met zichzelf, en dat wil hij ook.
En als hij het al anders zou willen – zoals Zacheüs, die in een boom klimt om Jezus te zien – dan is hij niet met machte om de relatie met Jezus aan te gaan. Het moet echt van de andere kant komen, bij de genadige God vandaan, en dus: van buiten.
Merkwaardig - voor ons is het een tegenstelling: van buiten en van binnen, de externe betrekking en de interne verandering. Maar voor de Reformatie gaan ze samen. De verandering van binnen is te danken aan de gerichtheid van mensen op dat wat buiten hen ligt: de genade waarmee de Heer naar hen toekomt. Anders gezegd: het werk van de Geest bloeit op, waar mensen in de ban komen van de verkondiging van Christus’ evangelie: “Heden moet Ik in uw huis vertoeven!” En daarmee moet je dus beginnen, zegt Luther: met die oriëntatie op dat uitwendige Woord. Sterker nog: daarbij moet je ook blijven. De Geest verricht zijn wonderen in ons hart enkel en alleen door ons steeds opnieuw in de ban te brengen van dat woord van genade: “Heden moet Ik in uw huis vertoeven.” Op die genade blijf je als mens ook aangewezen. Nooit komt er een moment dat Jezus het aan jou verplicht is om met jou te tafelen. Zodra je de geestelijke vernieuwing die zich in je hart afspeelt gaat gebruiken als een argument om Gods liefde te claimen, is het mis. Dan sta je niet meer met lege handen; dan laat je rechten gelden; dan – sluipt de hoogmoed binnen.
Voor Luther is het duidelijk: al zouden wij honderd keer geheel ons bezit aan de armen hebben weggeschonken, het blijft een daad van onbegrijpelijke genade als de Heer zijn oog op ons laat vallen. Luhers laatste woorden waren: “Wir sein Betttler: hoc est verum.” – “Wij zijn bedelaars, dat is waar.” En zo, als bedelaars die met lege handen staan, wil Christus ons overweldigen met zijn liefde en tot blije, bescheiden, liefdevolle mensen maken. Wij blijven voor onze geestelijke vernieuwing tot onze laatste snik aangewezen op de begenadiging die ons van buitenaf wordt aangezegd.

Piëtisme
Van binnen haar buiten: dat is voor Luther de richting waarin wij het zoeken moeten. Maar na hem ging men het omdraaien, en richtte men de schijnwerper steeds meer op de gebeurte-
nissen in het menselijk hart. Waarom?
Omdat zoveel christendom niet doorleefd was. Er ontstond een machtige beweging die hamerde op de noodzaak van de geestelijke vernieuwing in het hart van de mens: het piëtisme (‘pietas’ is het latijnse woord voor ‘vroomheid’). Karakteristiek voor de piëtisten – en voor de huidige evangelischen, die in menig opzicht hun erfgenamen zijn – is dat de belangstelling verschuift van de rechtvaardiging naar de wedergeboorte. Men was het roerend met Luther eens: geestelijke vernieuwing begint met de rechtvaardiging.
Inderdaad: Zacheüs werd pas een ander mens toen de Here Jezus hem in genade aannam. Maar volgens de piëtisten is de rechtvaardiging van de goddeloze niet meer dan het startpunt, het begin van een nieuwe manier van leven. Als die genade eenmaal aan een mens bewezen is, begint er een groeiproces. Dan ontwikkelt die mens zich langzaam van een goddeloze tot een rechtvaardige. Daarmee verandert ook de soort genade die hij nodig heeft.
In het begin ben je puur aangewezen op Gods vergevende houding. Maar naarmate je verder van de zonde afgroeit werkt God meer in die zin, dat Hij als het ware krachten in jou oproept om het goede te doen. Ziedaar de aandacht voor de wedergeboorte en het leven daaruit.
Het verschil met Luther is niet, dat die voor die wedergeboorte geen belangstelling had. Dat had hij wel. Nieuw is, dat bij het piëtisme die wedergeboorte het een en het al wordt. Gaat bij Luther de wedergeboorte gelijk op met een steeds hernieuwde gerichtheid op het woord van begenadiging dat van buiten de mens komt, de piëtisten gaan uit van een proces waarin dat woord op een gegeven moment verwerkt is. Het laat zich aan Zacheüs illustreren. Stel je voor dat Jezus na een jaar opnieuw bij Zacheüs op bezoek kwam. Volgens het piëtisme zou Zacheüs dan opnieuw blij zijn, maar nu niet meer zozeer omdat de Heer hem vereert met een bezoek, maar eerder vanwege de geweldige veranderingen in zijn leven. Het externe, de genadige betrekking die God in Christus met ons aangaat, wordt overvleugeld door het interne, de genade van de wedergeboorte. Als vindplaats van Gods grote daden geldt nu minder de buitenwereld, en meer de menselijke ziel. Daarop dient de gelovige zich dan ook te focussen om iets van God te merken. Daarin vind je voortaan de aanwijzingen dat God je genadig is.
Van lieverlee kijkt de bedelaar niet meer smekend op naar de Heer, maar beziet hij met verbazing hoe zijn handen gevuld raken. Op
grond van wat hij in zichzelf aan veranderingen waarneemt roept hij verheugd uit: “Ik ben een ‘born again’-christen!” Actueel
Wie ook maar enig verlangen kent naar geestelijke vernieuwing – bij zichzelf of bij anderen - zal het niet moeilijk vinden om sympathie op te brengen voor het piëtisme. Zelf word ik altijd weer bekoord en verkwikt door de warmte van de piëtistische benadering.
De evangelischen, de piëtisten van vandaag, nemen mij altijd weer voor zich in door de ernst en de verwachting waarmee zij bezig zijn met de doorwerking van het evangelie in hun leven. Hun nadruk op gebed en levensheiliging is mij lief, om nog maar niet te spreken van hun missionair elan.
Ik ervaar dat alles als een welkome en nodige reactie op een ‘wereldgelijkvormig’ christendom. De geschiedenis van het piëtisme en de opwekkingsbeweging is wat dat betreft zeer indrukwekkend.
De ommekeer van Zacheüs heeft zich daarin als het ware duizendvoudig herhaald. Piëtisten als Spener (1635-1705), Francke (1663-1727) en Von Zinzendorf (1700-1760), en methodisten als John Wesley (1703-
1791) hebben een wereldwijde beweging van praktisch en doorleefd christendom op gang gebracht waaraan de kerk tot op heden onnoemelijk veel te danken heeft. De enorme aantrekkingskracht van de Pinksterbeweging, in het bijzonder in de Derde Wereld, heeft daar alles mee te maken.
Massaal wordt daarin zichtbaar dat het echt waar is: God verandert mensen.
Dat daarbij de kennis van het evangelie vaak uiterst oppervlakkig is, en beleving en ervaring gemakkelijk een eigen leven kunnen gaan leiden, met alle risico’s van dien, is echter óók waar.
Dat is de reden waarom ik ervoor pleit naar Luther te blijven luisteren. De manier waarop hij ‘intern’ en ‘extern’ op elkaar betrekt, het werk van de Geest gelijk op ziet gaan met de verkondiging van de genade, biedt een perspectief dat vervaagt waar de verschuiving plaats vindt van het externe naar het interne. Het is juist door die verschuiving dat de piëtistisch-evangelische traditie zich kwetsbaar maakt.
Wat zou het mooi zijn, als wij ons door het vuur van die traditie meer en meer laten aansteken, om tegelijkertijd op onze hoede te blijven voor allerlei vreemde ontsporingen.
Geïnspireerd door Luther wil ik met enkele grove lijnen schetsen in welke richting ik denk.
1. De rechtvaardiging van de goddeloze is nooit een gepasseerd station.
Bij God blijven wij bedelaars tot onze laatste snik. De vernieuwing van ons innerlijk leven wordt nooit ons bezit, waarmee wij opgetogen bij de Heer kunnen komen aanzetten.
Wedergeboorte bestaat daarin, dat wij steeds dieper getroffen worden door Gods rijkdom, in een steeds dieper besef van eigen armoede.
Sommige evangelische vroomheid (zeker niet alle!) lijdt aan het oppervlakkige optimisme dat wij een heel eind naar het licht van God kunnen opklimmen en ons kunnen losmaken uit het duister. Ik zou zeggen: lees Freud en Nietzsche om je uit de droom te laten helpen. Zij kunnen je leren attent te worden op de diepere lagen van het menselijk hart en al het duistere dat daarin nog blijkt te woelen, ook waar een mens zich al lang gevonden weet door de hemelse Vader. Geestelijke vernieuwing begint en eindigt met de bede: “Vervul dan met uw zegen onze armoe, rijke Heer.” (gezang 423:3)
2. Onze verlossing is daarin gelegen, dat ons isolement doorbroken wordt en God in Christus van buiten af genadig op ons toekomt. Ons innerlijk wordt geestelijk vernieuwd, wanneer wij aangesproken worden door Hem en ons op Hem richten. Daaraan laat de Heilige Geest zich herkennen: dat Hij die gerichtheid doet toenemen.
Alle spiritualiteit waarin die gerichtheid op Christus verslapt of ontbreekt, is vanuit christelijk oogpunt te wantrouwen. Want zelfs in zijn religieuze en geestelijk leven, hoe indrukwekkend zich dat ook kan ontplooien, kan de mens met zichzelf alleen zijn, en dus: zonder God. Je kunt nog zo rijk zijn aan religieuze topervaringen – als je nog niet weet wat het is om in Christus begenadigd te worden door de Schepper van hemel en aarde, mis je de grootste schat. En zo voltrekt de Geestelijke vernieuwing zichtegenstrijdig genoeg! – juist dan, wanneer een mens van zichzelf en zijn geestelijk leven leert af zien en opziet naar Christus. Ons wordt beloofd, dat wij langs die weg als een kind zo blij gemaakt zullen worden door Gods begenadiging en aldus wedergeboren zullen worden.
3. Gods heil komt tot ons van buitenaf.
Wij bedenken het niet; het komt niet voort uit onszelf. Wij herleven pas als mens wanneer God genadig het Woord tot ons richt. Hij verandert ons door ons te confronteren met dat Woord, dat naar zijn wezen extern en ons als zodanig vreemd is. Maar wáár word je zo aangesproken dat je er onuitsprekelijk blij van wordt? Wáár hoor je het Woord van God waarin Hij jou genadig de hand reikt? Als het goed is in de kerk; daar wordt immers gepreekt.
In de praktijk valt dat echter nog wel eens tegen. In sommige preken en evangelisatietoespraken is het vreemde en weerbarstige van het Woord resoluut weggefilterd, zodat je als hoorder alleen verneemt wat klopt met je eigen gedachten. In andere hoor je alleen maar geruststellende clichés, die je ook zelf had kunnen bedenken. Daarom dient de kerk veel te bidden voor en hard te werken aan een prediking, waarin weer klinkt wat in geen mensenhart is opgekomen. De rol van de theologie moet daarbij niet onderschat worden. Grondige theologische studie kan een instrument zijn waarmee de Geest ons helpt om het evangelie in zijn vreemdheid te verstaan en zo preken weer spannend te maken. Want daar gaat het uiteindelijk om bij prediking en evangelisatie: dat het wonder plaats vindt dat een mens zich aangesproken weet door de genadige God. Waar dat gebeurt, zal vernieuwing door de Geest niet uitblijven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief