Kaarsje
2003-01-06
Ik heb een bijzonder weekend.- Jaargang 47
- nummer 1
Mijn geestelijke pleegdochter komt bij ons, want we gaan samen naar een concert. Het is een gothic-achtig gebeuren in een tot cultuurpodium omgebouwd gotisch kerkgebouw.
Beetje hekserige sfeer, en eigenlijk niet helemaal koosjer, maar goed.
‘Beter onder mijn begeleiding dan zonder mij’, stelden haar moeder en ik voorzichtig vast.
In ons gezinnetje is M. van harte welkom.
Leuke meid, speels spontaan en, inderdaad, dit weekend voorzien van een echte gothic jurk.
Om 5 uur zijn we in de kerk. En tot 12 uur worden we ‘verwend’. Diverse bands treden op. De zangeres van ‘Autumn’ leidt als een echte hogepriesteres de aanwezige tienermeisjes naar een hoogtepunt.
Ze begroet ons met ‘Welkom parochianen’ en verder in het optreden stelt ze voor een gebed te zingen.
Het lijkt mij gericht aan onze God.
Als ze luidkeels een nummer zingt ‘the witch in me’ zingen tientallen meisjes haast in trance mee. Gelukkig is M. er niet erg van onder de indruk en doet ze niet mee.
Toch geniet ze van de hele entourage.
Het is ook wel een fantastische show en erg publieksvriendelijk. Perfect afgestemd op de doelgroep. Al is het bizar om een wereldse band als een bende in een kerk te zien rondraggen… We hebben samen een fijne avond en gaan tevreden naar huis.
De volgende ochtend (part of the deal) gaat ze mee naar de kerk.
Nu een echte.
Onze eigen.
Er blijkt een gastpredikant te zijn.
Vijftig plus.
Vol goede moed begin ik mee te leven en te doen. Vooral omdat M. naast me zit en het eerste lied dat we zingen warempel een opwekkingsnummer is.
Vervolgens mag er een adventskaars aangestoken worden.
Een prachtig kind van acht loopt geconcentreerd naar voren. Ze heeft een bijbeltje bij zich, met daarin haar voorleespapiertje.
Zorgvuldig loopt ze naar het spreekgedeelte en neemt plaats voor de microfoon. De dominee doet bereidwillig een pasje naar achter.
Het meisje gaat recht opstaan, kijkt omhoog en ongeveer vijftig centimeter boven haar hoofd ziet zij de microfoon.
Wellicht klinken de woorden van haar moeder nog in haar hoofd: ‘rustig spreken en duidelijk in de microfoon praten’.
Ze kijkt naar de dominee en vraagt: ‘Wilt u de microfoon even omlaag doen’.
Hoe trots zal haar moeder zijn, hoe trots ben ik, een wildvreemde broeder op dit kind. Rustig, zonder paniek en gedoe even de omstandigheden optimaliseren.
Juist gebruik maken van de middelen. Dit is een eredienst voor onze God. En haar talent wordt nu gewaardeerd.
De predikant kijkt het meisje een tel aan, en maakt zijn terugtrekkende beweging verder af. Terwijl hij gaat zitten op de stoel in het hoekje zegt hij tegen het verbaasde kind: ‘probeer het zo maar’.
Ik had wel willen gillen.
Een behulpzame broeder snelt toe, verlaagt de standaard en ziet toe hoe het meisje voorleest.
Als het kind klaar is, vergeet ze de kaars aan te steken. We lachen haar vriendelijk terug naar haar taakje.
De predikant lijkt zich van geen kwaad bewust.
En dat vind ik het nog het ergste van alles…
Ik heb Peter.
Een bijzondere vriend.
Als ik donderdags in de kroeg het bovenstaande aan hem vertel, merk ik dat mijn boosheid nog voelbaar is.
Tastbaar. En ik spreek er met verontwaardiging over dat we in onze kerken maar niet in staat lijken een kind normaal een gewaardeerde plek te geven.
Hij kijkt me mild aan, glimlacht en zegt: ‘Jij bent vast na afloop naar dat meisje van acht gegaan om te zeggen dat ze het mooi heeft gedaan?’ ‘Nee,’ zeg ik, beetje betrapt, ‘dat niet’.
‘Hmm.
Ik denk dat je boosheid dan zeker voornamelijk op jezelf is gericht, of niet?’