In memoriam prof. dr. J. van Genderen
2004-04-16
Het deed met toch wel wat, toen ik donderdag 25 maart in alle vroegte het Nederlands Dagblad doornam en temidden van de overlijdensadvertenties plotseling las: ‘Op Zijn tijd nam de HERE tot Zich Zijn toegewijde dienaar Jan van Genderen’. Bij die advertentie bleven mijn ogen rusten en mijn gedachten zich vermenigvuldigen.- Jaargang 48
- nummer 8
Wat gaat er dan in enkele ogenblikken niet allemaal door een sterveling heen. ‘Dat is dan de man, een van mijn leermeesters, die indruk op me heeft gemaakt’, dacht ik. Het contact was juist de laatste jaren weer toegenomen. Ineens wordt door zulk een bericht een relatie weer voelbaar. Zelf schreef hij over ‘affiniteit’.
En die wordt bij de dood doorbroken.
Bescheidenheid
Op hem past werkelijk het devies van Erasmus: ‘Wel leeft die in het verborgene leeft’. Van aan de weg timmeren hield hij niet. Populariteit heeft hij nooit gezocht. Overigens als je zoveel kennis met je meetorst, valt het ook niet mee om ‘volks’ te worden. Met weinige uitspraken van Ernst Troeltsch zal Van Genderen het zo eens zijn geweest als: ‘Degenen, die de mensheid werkelijk iets nieuws te zeggen hadden, zijn steeds buitengewoon zeldzaam geweest, en het is verbazingwekkend, van hoe weinig gedachten de mensheid in waarheid geleefd heeft.’ Dit was ook zijn ervaring en gaf hem moed op zijne wijze met de theologie bezig te zijn. Zijn contact met de theologische gesprekspartners uit de loop der eeuwen, die werkelijk iets voorstelden, maakte hem bescheiden en wars om origineel te willen zijn. Immers wie kan wat nieuws bedenken dat het voorgeslacht niet eerder heeft gehoord? Dat nu maakte hem voorzichtig en behoedzaam om aan ieder en alles recht te doen.
Hoezeer hij theologen als Schilder en Van Ruler ook bewonderde, hij vond hen te speculatief. Maar het speculatieve en originele denken binnen het gereformeerde belijden wist hij toch ook weer te waarderen. Zo zeg ik niets teveel als ik stel dat hij een zwak had voor de schrijver van Christus in Zijn lijden en Wat is de hemel? Met de man op wie hij is gepromoveerd, Herman Witsius, kon hij zeggen: ‘De ware theoloog is een nederig leerling der Schriften.’ De opdracht die Witsius zich stelde als hoogleraar was: ‘Dezelfde bescheidenheid moet de theoloog ook in het doceren in praktijk brengen, en hij moet vooral in gedachten houden, dat hij slechts een vertolker is van de woorden des Heren, waaraan hij niets mag toevoegen en waarvan hij niets mag afdoen’. Die wijze van doceren was ook Van Genderens inzet.
Theoloog der synthese
Was er in de tijd van Witsius strijd tussen Coccejanen en Voetianen, in de twintigste eeuw was in de gelederen van de Afgescheidenen de strijd gaande over het verbond. De vraag was: wie maken deel uit van het verbond; de gelovigen en hun zaad of de uitverkorenen?
In 1953 promoveerde Van Genderen cum laude op het proefschrift Herman Witsius. Bijdrage tot de kennis der gereformeerde theologie.
De keuze van dit onderwerp doet verwantschap vermoeden tussen de schrijver en zijn onderwerp. Van Witsius valt te zeggen dat hij een verbondstheoloog is geweest. Aandacht voor het verbond is kenmerkend voor de gereformeerde theologie. Weinige theologen waren zo goed thuis in de gereformeerde verbondsleer als Van Genderen. De reformatorische verbondsleer heeft voor Van Genderen niets van haar waarde ingeboet. Zo schrijft hij begin jaren tachtig: ‘De leer van het verbond van God met ons, die op Luther en Zwingli teruggaat en die vooral door Bullinger, Calvijn en Olevianus werd uitgewerkt, is beslist niet verouderd.' Van Genderen wilde in de verbondsleer bemiddelen en niet alleen daar. Ook in de gereformeerde gezindte wilde hij niet de tegenstellingen aanscherpen, maar verzoenend werken. Van Witsius merkt hij op: ‘Hij was vredelievend, veelzijdig en voorzichtig en had een neiging om de gulden middenweg te kiezen’. Witsius viel terug op de bekende spreuk, zoals we die bij hem in een variatie aantreffen: ‘Eenheid in het noodzakelijke, vrijheid in het niet-noodzakelijke, in beide de voorzichtigheid en de liefde’.
Ook als het ging over de relatie tussen reformatie en nadere reformatie trachtte Van Genderen deze twee niet uit elkaar te halen, maar bijeen te houden, al brengt hij wel heel subtiel op muzikale wijze onderscheid aan. ‘Dogmatisch is er geen noemenswaard verschil tussen de theologie van de Hervormer Calvijn en die van een man der Nadere Reformatie als Witsius, maar er is wel verschil van accent. Het is een transpositie in een andere toonaard’.
Het zijn dan ook deze twee theologen, Calvijn en Witsius, in deze volgorde, die vormend hebben gewerkt op het leven en denken van de dogmaticus Van Genderen. Evenals Calvijn ging het Van Genderen ook altijd om de Schrift en daarbij was noch de reformator noch hij een biblicist.
Recht doen aan elke theoloog
Wat maakt Van Genderen nu zo bijzonder?
Ik denk dat het zijn ethische wijze was van recht willen doen aan welke theoloog ook maar. Je kon bij hem nooit een theoloog zomaar ergens neerzetten, want dan moest je wel blijk geven hem degelijk te kennen en recht te doen aan diens positie.
Hij bedreef de theologie met grote kennis van zaken. Dat wat je van hem leest, slaat zelden of nooit de plank mis. Al was hij bijvoorbeeld geen Barthiaan, hij kende het werk van Barth uitzonderlijk goed. Het was ook zijn eer te na om over zulke theologen zich niet een eigen oordeel te vormen. En als hij zich een mening had eigen gemaakt dan wilde hij ook aan de man recht doen. Zijn leven was studeren. Ongebonden geesten, die zich wel gedreven wisten, troffen in hem een voortreffelijk leermeester.
Ook hij had zijn beperkingen en dat wist hij zelf het beste. Als het ooit gebeurde dat je over iets meer wist dan hij, dan bood hij zijn verontschuldiging aan. ‘U begrijpt, je kunt niet alles in het leven, ik ben daar niet aan toegekomen’. Maar die verontschuldiging maakte je alleen maar kleiner. Als je dat patroon moest overnemen…
Diep gevoel voor geloofsbeleving
Hij had een diep gevoel voor de gelovige mens en sprak op een bijzondere wijze de naam van de moeder van Augustinus uit: ‘Monnica’. Eens las hij op ontroerende wijze een passage voor uit het negende boek van de Belijdenissen van Augustinus. Hij nam ons in gedachten mee naar Ostia aan de Tiber, in de vierde eeuw. Daar lazen we over het gesprek van moeder en zoon aan het venster over het koninkrijk der hemelen, gehouden net voor het sterven van Monnica. Een andere keer toen het ging over Maria bij het kruis, citeerde hij een aantal coupletten van het ‘Stabat Mater dolorosa’ en je merkte dat de tekst hem innerlijk trof. Dat stond niet op het program, kwam ineens bij hem op. Hij hield van citaten.
Ik herinner me de morgen dat het ging over de woorden. ‘Als gij niet vertrouwt, voorwaar, gij wordt niet gebouwd’, uit Jes. 7. Dan ging het vanuit het spreken van de profeet Jesaja, naar Augustinus en vervolgens naar Anselmus. Over de zin: Credo ut intelligam, ik geloof om te begrijpen. Op die wijze bedreef hij de dogmatiek en in dat licht verscheen in 1992 zijn magnum opus Beknopte Gereformeerde Dogmatiek. Opvallend is dat hij schrijft in het voorwoord dat de dogmatiek gericht moet zijn ‘op kennis en dienst van God’. Wie Van Genderen ook geweest mag zijn, hij was met al zijn geleerdheid en belezenheid, een erudiet, maar bovenal een gelovig mens; en die combinatie heeft me getroffen. Een kort ziekbed heeft hij gekend en tijdens die periode was hij bezig met de preek waarvoor hij zo graag nog eenmaal de kansel wilde beklimmen met als tekst: ‘Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop’, 1 Petr. 1:3. De vreugde over de verrijzenis van Jezus Christus werd door hem beleefd, want deze krakende, ten ondergang gedoemde oude wereld zou er vanuit dat ene graf dat open is gegaan anders uit gaan zien; een eeuwig perspectief. De preek is door hem niet gehouden, maar het delen in Christus’ overwinning op zonde en dood is de gave waarin hij deelt.
Christus overwint, de diepste en hoogste vreugde. Bij het slot van de samenkomst rond zijn overlijden, speelde het orgel voordat de deuren van de kerk weer opengingen: ‘Ach, Herr, las dein lieb Englein’, het slot van de Johannespassion met als laatste woorden: ‘Herr Jesu Christ, erhöre mich, ich will dich preisen ewiglich!’ Here Jezus Christus, verhoor mij, ik wil u prijzen eeuwiglijk.