De watersnoodramp

2003-01-31
  • Jaargang 47
  • nummer 3
Adriaan Boot, gepensioneerd ambtenaar uit Middelburg, is nu 69; vijftig jaar geleden, op het moment van de Watersnoodramp, was hij dus 19 en tevens molenaarsknecht. Hij woonde in Kortgene op Noord-Beveland, destijds nog een eiland; nu zit Noord-Beveland al weer jaren aan Walcheren vast.
Via Pieter van Kampen horen we het verhaal van zijn ervaringen op 1 februari 1953, de dag van de ramp die aan 1835 mensen het leven heeft gekost.

We bekijken een tamelijk gedetailleerde kaart van de regio. Dat helpt bij het goed verstaan van het verhaal.
"Het linkse gedeelte op de kaart is allemaal sinds '53 erbij gebouwd. Hier zie je de Oudestraat en dit was de Molenweg. Hier op de dijk stond de molen, de Korenbloem; dat was een schitterende molen waarvan nu helaas alleen nog de romp over is. Hij lag buiten het dorp, aan de noordkant.
Daar werkte ik als molenaarsknecht, vanaf mijn veertiende." Met zijn vinger wijst hij de weg die vandaar loopt naar Colijnsplaat en Wissenkerke. "Dat is voor het verhaal van straks ook van belang." Ik oriënteer me op een dorp met 1500 inwoners dat zwaar geleden heeft van de ramp, een ramp die men tevoren niet of nauwelijks zag aankomen.

Vooral aan de Zuidkant
Hij wijst naar links op de kaart: "De meest westelijke dijk bleek van belang en ook de weg in het zuiden. Het water is dus gekomen van deze zeedijk; het was de Zandkreek (die nu, na de afdamming, het Veerse Meer heet).
Hier had je twee café's, die zijn droog gebleven. De onderste verdieping stond onder water, maar de rest stond als 't ware tegen het dijklichaam.
Hier had je 'De Graaf van Buren' en 'Havenzicht', beide bewoond door leden van de familie De Looff. Daar kon je de mensen bergen; dat werden centra van hulpverlening. Die mensen hebben veel gedaan en worden in gedenkboeken over De Ramp het meest aan het woord gelaten. Ik heb me later om twee redenen tegen uitspraken in een bekend boek gekeerd. Ten eerste wordt gesuggereerd dat alleen aan de Zuidkant van Kortgene hulp op gang gekomen is en er verder nergens iets gebeurdis, wat gewoon niet juist is. In de tweede plaats, omdat nogal negatief gesproken was over de Gereformeerde Gemeenten, waarbij ik hoor(de) en de rol die de kerkleden tijdens de Ramp gespeeld zouden hebben. In het boek wordt gesteld dat 'de Oud-Geref-
ormeerden niets deden, omdat het zondag was' en ook dat is onjuist. De café-houders, de voornaamste informatiebron voor dat verhaal, waren ons niet welgezind. Wij waren immers van 'de Jamfabriek', van 'de zwarte-kousen kerken'; ik herinner me nog goed hoe we in onze jeugd door sommigen erg werden uitgescholden.

Het probleem kwam vanaf het Zuidwesten.
De dijken daar zijn bezweken.
Niet dat er een gat in is ontstaan, overigens. Zo'n dijklichaam bestaat uit een talud aan de buitenkant en een steil gedeelte aan de binnenkant.
Door de hoge waterstand sloegen de golven op gegeven moment over de dijk heen en holden de dijk aan de binnenkant uit. De voet van die dijken is blijven bestaan. Het gebied erbuiten was vroeger schorgebied, je had er eb en vloed en alleen bij springtij kwam dat onder water; 't was begroeid met zeekraal en lamsoren (dat zijn gewassen die nu gelden als lekkernij, vooral in België, en erg duur zijn.) Het gebied was doorsneden met kreken. De golven werden door dit schorgebied meestal wel enigszins gebroken.

Wel gewaarschuwd
Kortgene telde 1500 inbewoners; de gemeente bestond uit Kortgene, Colijnsplaat en Kats. "Natuurlijk was er een waarschuwing uitgegaan, maar dat kwam bij ons vaker voor. Er werd op gereageerd, zoals altijd, zelfs door de burgemeester met de uitspraak: 'Het is wel eens meer hoog water geweest!' Er was net feest op het dorp, vanwege de opening van ons nieuwe gemeentehuis.
Dat feest ging gewoon door, totdat de nood zo hoog was dat ook de burgemeester in het water terechtkwam!
Die was al verschillende keren gewaarschuwd, dat het niet goed ging, maar hij bleef de zaak (te) luchtig opvatten.
Later is hij om zijn lakse optreden officieel berispt… Het is hier zeven decimeter boven NAP, maar als er een flinke storm en bijgaand tij was, kon dat wel tot drie meter boven NAP komen. Toch gebeurden er maar weinig rampen. De laatste van betekenis vond plaats in 1530: St. Felix-vloed oftewel 'Kwade Zaterdag', waarbij Noord-Beveland helemaal is onder gelopen en zestig jaar onder water gebleven is! Na die tijd is Kortgene weer bevolkt door mensen uit Schouwen Duiveland, en van Tholen.
De toren van Kortgene is overigens nog van voor die vloed.
Sinds die tijd liep er wel eens een poldertje onder, maar dat gebeurde ook wel door 'dijkvallen'. Dan zakten zeedijken weg, zelfs zonder dat er storm was geweest; de binnendijken hielden dat water dan verderop wel tegen.
Hier heb je de Frederikspolder, de Oud-Kortgenepolder en de Stadspolder.
Een heel netwerk van dijken en dijkjes en polders, groot en kleiner, omgaf ons dorp, zoals dat elders ook vaak het geval zal zijn geweest.

Maar terug naar het hoofdverhaal. De grote ramp heeft plaatsgevonden bij de Torendijk, in het Zuid-Westen; dat stuk grond was volgebouwd met tientallen kleine arbeidershuisjes, meestal al wat ouder. Een groot aantal daarvan is vernietigd. Hierbij zijn zeker 35 mensen verdronken. Toen de zee kwam, kwam die van hier. Later constateerden we echter dat de golven van drie kanten zijn gekomen: het is ook over de Westdijk en de Oostdijk gestroomd.

Daverende wind
De dag tevoren, de zaterdag, had ik nog extra gewerkt. Mijn baas was ziek en ik deed het werk alleen. Hij vroeg me of ik nog een paar uur kon doordraaien.
'Er is wind genoeg; je hoeft er geen zeilen voor te leggen.' Dat deed ik, maar ik kon wel merken dat de wind om liep, van West naar Noord-
West. De wind was eerst onregelmatig en ik moest steeds de kap naar de wind draaien. De wind trok echter aan en werd een echte storm. Om drie uur dacht ik: nu moet ik ermee stoppen! Dus alles afgesloten en dan naar huis gegaan. 's Avonds naar vrienden; om 11 uur kom ik thuis. Het was vliegende storm! Moeder bleek nog wakker, wat erg ongewoon was; ze ging altijd om half tien naar bed. 'Ik kan niet slapen van de storm', zei ze.
'Ik ben wel wat gewend, maar zoals 't nu is heb ik het nog nooit horen stormen'.
Zoals de wind daverde door de grote bomen, treurwilgen, bij het kerkhof waar we woonden! 'Het is verschrikkelijk', zei ze.

Midden in de nacht
Rond half vier 's nachts werden we gewekt door een neef van me, met wie ik goed bevriend was. Hij woonde in het laatste huisje aan de Noordkant van de Torenweg. We sliepen allemaal licht en schrokken wakker van de wind.
Ineens hoorde ik een lichte stem: 'Hee, het water komt! Het water komt!' Ik schoot in mijn kleren en snel de trap af, naar buiten. Daar stond mijn neef.
'Maak dat je weg komt! Het water staat tot aan de kruin van de Torendijk!' Er waren wat mensen in de straat, toen wij naar voren gingen. 'Wat gaat er om?', vroeg mijn vader. 'Het water komt; het staat al boven aan de dijk.
Het loopt er soms al over,' zeiden de mensen die van die kant kwamen.
'Waar ga je naar toe?', vroeg mijn vader.
Ik ga eens naar de molen', antwoordde ik. Mijn vader zei: 'We zullen de schop halen en naar de dijk toe gaan'. 'Nee, vergeet dat maar. Maak dat je weg komt!', zeiden die mensen, die het allemaal al gezien hadden. Dus ging ik de sleutel opzoeken, snel een jasje aan, de sleutel bij me, en weer naar buiten. Mijn vader liep met een naaimachine onder zijn arm en mijn broer zat aan de vloerbedekking te trekken.
Ik ging naar buiten en kwam net om de hoek van het huis toen ik het water zag: het kwam daar aanrollen, nota bene van de Oostkant! Precies het tegengestelde van wat ik verwachtte. Ik stapte meteen terug in huis en zei: 'Laat al die rommel toch liggen! Naar boven!' Mijn vader en moeder en de andere kinderen konden zich niet meer gereed maken.
Ik ben toen weggegaan; op de weg zat een kind met haar kopje boven water - ze zat gewoon in die schuimende golven. Ik zeg: 'Kom overeind!' en zet haar op haar benen en laat dan haar los; onmiddellijk gaat ze weer onderuit. Toen heb ik haar vastgepakt en gezegd: 'Kom maar mee. Daar is een oprit naar de dijk; daar is het droog.' Ik heb haar meegenomen naar de molen.
De molen was veilig: muren van 80 cm van onder. Het water is wel over de dijk gestroomd, maar is iets voor de molen blijven steken. Die stond namelijk 10-20 cm hoger dan de rest en is daarom droog gebleven. Maar in tien minuten is een poldertje vlak ernaast vol gelopen met water; toen stond er drie-en-een-halve meter!

Eén van de vijf...
Mijn baas kwam en zei tegen me: 'Zou je mijn varken nog eens even voor me willen loslaten?' Ik beloofde het te proberen en ging weg. Maar al snel besefte ik dat ik dat niet zou redden.
Er stond al zoveel water dat de druk tegen de deur het openen belette.
't Ging niet meer. Toen ik bij de molen terugkwam, stonden zo'n 30-40 man te wachten tot ze erin konden. De meesten waren zo'n 700 meter ver gekomen; ze hebben nog hard moeten lopen, anders waren ze verdronken… Er was één jongen bij, een jaar of zestien oud, die van huis kwam. Ik vroeg: 'Hoe is het met je ouders?' Hij antwoorde: 'Ik weet 't niet; ik weet 't niet!' Hij was uit het ouderlijk huis gesprongen, ondanks uitdrukkelijk verbod van zijn vader! Later heb ik de rest van zijn familie gezien, op de Torendijk: zijn vader en moeder waren verdronken, en ook een broertje en een zusje; hij was de enige van de familie Clement die het overleefd heeft.
Hij was nog zo door de straten naar ons toe gekomen.
Ik ging naar boven (het licht was uitgevallen) en kwam ook de neef tegen die ons gewekt had. Het begon een beetje te schemeren en ik zeg: 'Ga je mee?' In het maanlicht zag ik het huis van mijn ouders; het water stond tot net onder de dakgoot. Men zat dus op de zolder. Ze waren naar boven gegaan en op de bedden of in de balken gaan zitten. Ze hebben heel wat angsten doorstaan.

Op reddingstocht
Mijn neef wilde ook naar de Torendijk, waar hij woonde. Ik ging mee.
Onderweg bleek een duiker onklaar te zijn; het wegdek was ingestort. Bij de Torendijk gekomen zijn we geschrokken: een aantal huizen was finaal ingestort, andere waren wel blijven staan, maar waren zwaar beschadigd. Het gebied was volledig vernietigd. We konden door het water waden en soms lopen; 't was inmiddels rond half negen, negen uur. Tot m'n vreugde zag ik dat een paar mensen bezig waren een huisje leeg te halen en met een roeiboot de bewoners naar de hoger gelegen dijk te brengen. Het was maar een kort stukje varen, zo'n tweehonderd meter, maar die actie was wel doorslaggevend!
Ik heb geholpen het bootje vast en stil te houden en gedacht: 'Het moet toch raar zijn, als ik niet op dat bootje kan komen om te helpen'. De een was een graanhandelaar van een jaar of vijftig, die juist familie uit hun huis gehaald had. De ander heette Abrahamse; met hem heb ik de rest van dag doorgebracht. Ik heb voor dat mannetje heel veel respect gekregen. Hij was rond de 45. De handelaar, die ook in de gemeenteraad zat, sprong eruit en zei: 'Boot, jij wil 't wel overnemen, hè?' Ik zei: 'Graag!', want daar was ik eigenlijk ook voor gekomen. Toen zijn we bezig geweest om systematisch de hele rij huisjes te evacueren. Sommige waren al leeg; de bewoners waren naar de molen gevlucht; van sommige anderen wisten we niets.
Weer anderen hadden een laken voor het raam hangen of we zagen hen door het raam of bij een dakkapel of balkon.
Systematisch hebben we ze allemaal eruit gehaald en toen gingen we aan de Oostkant van de molen aan land.
(Overigens, heel wat hebben nog de erop volgende nacht in hun huis moeten doorbrengen.) Wij konden in ons bootje maar twee of drie mensen bergen.
Op een gegeven moment zagen we links nog een boot, die groter was; die er wel vijf kon meenemen. M'n broer - die net als de rest van het gezin zich in veiligheid heeft kunnen brengen; ik heb mijn ouders uit huis gehaald - is daar nog op gaan varen.
Overal op en in het water bevonden zich obstakels: rasters, schuttingen, schuurtjes waar je op vast kwam te zitten! We hadden veel last van heggen en struiken die zich net onder de waterlijn bevonden; je kon ze niet zien en dan zat je opeens vast. Verder balken, planken, pakken met stroo in het water. Ook dode koeien, varkens en vooral kippen: tientallen! Soms een lijk van een paard. Het was één grote chaos en daardoor was elke vaart ook een gevaarlijke tocht. We deden soms wel een half uur of drie kwartier over een expeditie. Toen zijn we van strategie veranderd: wij haalden de mensen uit hun huis en zetten hen vervolgens over op dat andere schip.
Mijn vader was altijd geneigd te helpen, maar ook nogal impulsief en niet steeds verstandig. Toen we hem uit huis haalden, kwamen we meteen in de perenbomen vast te zitten; natuurlijk wilden we los komen: één stond er op de voorplecht en één achter. Mijn vader ging plotseling staan, met zijn 1,85 meter en 85 kilo! Abrahams riep hem meteen toe: 'Ga zitten! Zo laag mogelijk!' Het was immers nog steeds windkracht tien… We hadden daar mensen, wat onverschrokken figuren, boeren, vechtersbazen en die zaten te jammeren: 'We kommen nooit an den diek!
Nooit! Nooit! We verzupen als rotten!
' Wij zeiden tot hen: 'Wacht tot je op de dijk staat, dan mag je zeggen wat je wil!' Ze maakten immers de anderen ook zenuwachtig.

We zijn tot ongeveer vier uur 's middags bezig geweest. Toen besloten we aan de kant te gaan, want zonder eten en drinken hielden we het niet langer vol, op onze klompen in een schommelende boot, waar altijd water in stond.
"We varen naar van de molen en we schuiven de boot zo veel mogelijk naar de kruin van de dijk.' We zagen vrij geregeld auto's bij de molen stoppen, die mensen meenamen, naar Wissenkerke; daar was de weg begaanbaar en droog. Totdat later, bij hoog water, men ook zei: 'We moeten zorgen dat we hier weg komen!' Alle mensen waren inmiddels uit onze molen weg. Wij zaten echter al die tijd op het water, tot vier uur in de middag; we hebben zeker dertig personen uit die huizen gehaald en in totaal zijn, naar ik schat, uit die molen zo'n zeventig mensen afgevoerd en op veilige afstand ondergebracht.
Die hebben het allemaal gehaald. Zelf hebben we zo ongeveer de laatste auto naar Wissenkerke genomen."

De volgende dag - hoe ik er gekomen ben weet ik niet meer - ben ik met het werk verder gegaan. Onder andere met het boven water krijgen van een heel dak, waaronder de al genoemde vier familieden van een van de geredden zich bevonden. Ik zal de aanblik daarvan nooit vergeten. De rest van de week is voorbijgegaan door zandzakken te vullen en te versjouwen en andere taken op me te nemen die nu nodig waren. De eerste schade was gepeild en we hadden maandenlang onze handen vol aan het nodige herstel."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief