Ds Van der Veer en de lege kerk
2003-01-31
In de vorige Opbouw nam ik een gedeelte over van de Vrijgemaakte ds K. de Vries, met als strekking: de kerk moet niet proberen de stijl en het tempo van de jongerencultuur te imiteren; wij kunnen nooit op tegen de professionaliteit waarover de producenten van die cultuur beschikken, en daarom zullen we dat altijd verliezen.- Jaargang 47
- nummer 3
Grappig genoeg geldt dat niet alleen voor de jeugdcultuur; vanuit heel andere hoek kwam ik eigenlijk precies hetzelfde tegen: nota bene over de kerkdiensten en samenzangprogramma’s die verschillende zendgemachtigden ons op de diverse schermen voorschotelen.
Wat is daarop tegen? In het Centraal Weekblad van 10 januari legt ds Maarten Mook, gereformeerd predikant in Sneek, dat uit:
Op zaterdag en zondag zijn er soms prachtige uitzendingen op geestelijk en kerkelijk gebied. Mooie zangprogramma’s uit imposante, vaak nostalgische kerken, met een hoeveelheid mensen die je met heimwee doet terugdenken aan je kinderjaren. Of indrukwekkende diensten vanuit een glazen kerk in Amerika, met een koor dat klinkt als een klok, een orgel dat fijnzinnig musiceert, een geweldige spreker en een getuigenis van een vaak welgestelde gelukkige, die een ommekeer in zijn leven doormaakte. En dan ook nog die korte kerkdienst op zondagmorgen, met de verzuchting dat het dus toch kort en helder kan.
Met wederom mooie entourage en schone zang, een aansprekende dominee Van der Veer, tevens omroepvoorzitter, die zijn verhaal of preek houdt op een plek die past bij het thema.
Iets wat je in je plaatselijke dorps- of stadskerkje nooit bereikt. En in liefde bidt hij met en voor je.
Alsof het nog niet genoeg is zijn daar later op de dag nog de IKON, de ZvK en de Wilde Ganzen, die wekelijks bijna een ton in euro's opbrengen voor goede doelen. Goedgeefs blijven we. Het lijkt soms wel of we het geluk even willen afkopen.
De televisiediensten zijn soms experimenteel en kunnen veel meer bereiken dan wij ooit zullen kunnen in ons kleine dorpskerkje. Een ongelijke strijd, een oneerlijk vergelijk, maar het wordt gemaakt, met verstrekkende gevolgen van afwezigheden van voormalige kerngemeenteleden.
Vroeger ging er niks boven de ‘gemeenschap der heiligen’ en ging men hoe dan ook naar de samenkomsten van de gemeente waarvan men lid was.
Men stond voor de zaak. Je was lid, de gemeente was een ‘speciaal lichaam’; dus je was er, geroepen door klokgelui of geroepen in je zelf, je was present.
Maar dat plichtsbesef wordt minder.
We verwijten het de jongeren en spreken dat vol zorg uit. We mijmeren dan in heimwee over die goede oude tijd, met die volle kerken van weleer.
En dat terwijl wij intussen zelf ook allang het grenspunt voorbij zijn dat we ons als oudere door de gemeentelijke autodienst laten ophalen om naar de kerkdienst te gaan. ‘We hebben de televisie toch?’ Vanuit onze luie leunstoel kijken wij, als de laatste rest van ‘onze’ gemeente in de kerk zit, naar die mooie zangdiensten en luisteren we naar die aansprekende predikant.
Lekker makkelijk toch? Wat een zegen die moderne techniek! Maar ja, de gemeenschap laten we daardoor wel zitten in een akelig leeg en steeds leger wordend kerkgebouw.
Vanuit de luie stoel klagen we steen en been over de kerk die niet mee gaat met onze tijd. We hebben het over verouderde woorden en gezangen. Maar we dragen ons steentje niet meer bij en blijven weg, ons verlekkerend voor de buis, waar het wel allemaal modern en aansprekend kan. En datgene waarover we klagen maken we zo dus alleen nog maar sterker, of eigenlijk zwakker. Doordat wij wegblijven, en met ons veel anderen, wordt de kerk alleen nog maar leger. Een zich negatief versterkend effect.
Wanneer we op z'n minst weer het plichtsbesef van vroeger zouden hanteren, en al die mooie programma's op de buis zouden opnemen op video.
Dan kunnen we die na onze eigen kerkdiensten bekijken. Of in de verdere week, als extraatje, als toegift, eens opzetten. Dan blijven de kerken tenminste voller.
Als we de goede suggesties van veel televisie-uitzendingen eens zouden meenemen en gingen toepassen in onze eigen gemeente-vieringen, dan werden die misschien ook weer sprankelender.
Als we de oecumene, of het interkerkelijke, dat we wel van de buisvieringen accepteren, maar die in onze kerken soms nog ver te zoeken is, ook eens zouden toestaan of zouden waarderen in ons interkerkelijk (en zeker in de Samen op Weg-kerken) bezig zijn in de kerken. Dan spraken we niet langer met twee monden en dan zouden we ruimte scheppen voor de ene Heer van de ene kerk, die geen scheidsmuren gepredikt heeft. Het roer moet om, maar dat moet wel bij onszelf beginnen.
Nu, in 2003!
Wat moet je als plaatselijke kerk met een heleboel dingen die je dus niet kunt? Ik denk: je sterk bewust zijn van wat je wél kunt en wat iemand als ds Van der Veer niet kan (met alle respect wat ik voor hem heb; geen twijfel daaraan). Wat is dat dan? In één woord: ontmoeting. Elkaar ontmoeten, samen God ontmoeten; gekend worden, door God en mensen; je laten kennen, jij, als die unieke mens die je bent. Dat is toch onvergelijkelijk anders dan een televisie-persoonlijkheid die aan het eind van de uitzending tegen een koude camera zegt: 'Ik hoop u volgende week weer te zien?' Nee, asjeblieft geen geweeklaag, omdat anderen zoveel mogelijkheden hebben die jij niet hebt; wees dankbaar voor het vele dat er wél is; en dien daarmee God en mensen, van harte en met vreugde!
M.H.T. Biewenga, Enschede