Domineeskinderen, een roeping?
2003-02-14
Onlangs is er in dit blad al enige aandacht besteed aan de 'dag van de domineeskinderen' in de Nieuwe Kerk in Amsterdam: Nel Borgdorff-Hendriks gaf er in het nummer van 15 november een goede impressie van.- Jaargang 47
- nummer 4
Ook ik was er die dag. En ik vond het een hele belevenis.
Iedereen voelde aan: met alle verschillen hebben we toch allemaal iets gemeenschappelijks.
Of er veel domineeskinderen waren, die uit de Nederlands Gereformeerde Kerken afkomstig zijn, heb ik niet kunnen ontdekken. Wel was de familie Amelink met drie dochters en een zoon erg goed vertegenwoordigd!
Ik realiseerde mij, als jongste zoon van ds J. Smelik (1899-1960), maar ook zelf dominee ('dubbel gehandicapt'', noemde Freek de Jonge dat), dat wat ik in de enquête als mijn ervaring ingevuld had, vast wel behoorlijk anders zal zijn geweest dan wat bijvoorbeeld mijn oudste zoon Jan (1960) zal hebben ingevuld. Twee zo verschillende generaties, twee zo verschillende tijdperken ….
Niet lang na deze dag kreeg ik nog eens de bundel "Met troffel en zwaard' in handen, die mijn broer ds C.J.Smelik werd aangeboden bij zijn afscheid wegens emeritaat in 1996. Daaraan heb ik toen op verzoek een bijdrage geschreven onder de titel Roeping tot het ambt. Toen ik die herlas viel het me op, hoeveel overeenkomst er is tussen wat ik daarin als onze ervaringen als domineeskinderen beschrijf èn wat in het onderzoek van 2002, zoals te lezen valt in de pocket Land van domineeskinderen naar voren komt.
Interessant om te merken hoe 'de dappere dodo's en dozo's' (zo sprak de leider van het onderzoek, prof. Hijmen Stoffels, ons aan het begin van de dag aan) het pastorieleven in veel opzichten op eenzelfde wijze hebben beleefd.
Met medeweten van mijn broer bied ik daarom bij deze de lezers van Opbouw dit verhaal aan.
Het domineesgezin
Er zijn weinig beroepen waarbij het beroep van de vader zó'n sterke inwerking op het gezin heeft als dat van predikant. Zeker in de tijd waarin wij jong waren.
Een domineesgezin had toen wel een heel speciale positie in onze samenleving: niet alleen van de dominee, maar ook van de predikantsvrouw en in mindere mate van de kinderen werd verwacht dat ze een 'voorbeeld voor de kudde' waren.
Het gezin, waarin wij opgroeiden, was daarin geen uitzondering.
Het heeft echter wel in de periode dat wij kinderen waren enorm verschillende omstandigheden doorgemaakt. De betrekkelijk rustige en zelfs welvarende periode vóór de oorlog.
De moeilijke en heftige periode van de oorlog, de hongerwinter en tegelijk ook van de vrijmaking.
En de bepaald niet gemakkelijke en instabiele jaren na de bevrijding. Dat maakt een standaardtypering wat moeilijk.
We hadden als kinderen thuis een rustig en veilig gezinsleven, dit ondanks het feit dat vader 's avonds bijna altijd weg was.
En als hij thuis was, dat hij meestal op z'n studeerkamer zat, niet alleen om preken te maken, maar ook om boeken te schrijven - iets dat hij z'n hele leven gedaan heeft.
Dat je uit een domineesgezin kwam betekende bijvoorbeeld dat je je vader in het weekend nauwelijks meemaakte: 's zaterdags preken maken, 's zondags in beslag genomen door de kerkdiensten.
Vader zat 's zondags ook nooit bij ons in de kerkbank.
Toen ik zo oud was dat ik mij dat bewust werd, keek ik dikwijls jaloers naar gezinnen waarvan de vader wèl gewoon bij de kinderen in de bank zat.
Ik herinner me één uitzondering.
Op Tweede Kerstdag werd, na de kerkdienst 's morgens, 's middags de Kerstviering van de zondagsschool gehouden.
En dan zat vader bij ons in de bank.
Geweldig vond ik dat!
Vader was - behalve tijdens de zomervakantie - nooit vrij.
We gingen ook nooit samen met hem uit.
Ik kan me van één keer herinneren, dat vader op een Hemelvaartsdag na de kerkdienst met een paar kinderen is gaan wandelen, en ik weet nog, hoe z'n wandelstok bij elke stap op de grond tikte.
Een dierbare herinnering.
Op zondag moest ik als jongste zoon de doos met de schone bef voor vaders toga naar de kerk meenemen.
Onderweg ravotten is er dan natuurlijk niet bij. Je voelde je misschien zelfs een beetje gewichtig daardoor.
Ik denk, dat veel herinneringen aan onze kinderjaren door dat ambt van vader bepaald zijn.
Je kunt zeggen: heel het gezinsleven werd daardoor beheerst.
Zelfs ons kinderspel: de broertjes speelden vaak 'kerkdienstje'. Dan trok m' n oudere broer Kees een zwarte regenjas aan: dat was zijn toga. Een slabbetje diende als bef; de hoge kinderstoel als preekstoel.
Later volgde ik zijn voorbeeld na en was ìk de dominee in toga.
We preekten uit de kinderbijbel van Van der Hulst.
Het gebed bestond altijd uit: 'faie faie faie amen', want het mocht niet profaan worden Kees doopte de pop of trouwde m' n jongste zusje en mij. Een stuk vitrage diende als bruidssluier; twee met de rug op de grond gelegde keukenstoelen vormden de knielbank...
Het zijn in mijn beleving over het algemeen positieve herinneringen.
Na zoveel jaren roept het iets van een warm en veilig gevoel op.
Het hoorde er allemaal zo vanzelfsprekend bij.
Toch zijn er ook negatieve herinneringen, vooral uit de laatste jaren dat we in Den Haag woonden.
Het was niet alleen oorlogstijd, het was ook de tijd van de kerkelijke spanningen, de schorsing van vader in 1944, het na de vrijmaking kerken in een gymnastiekzaal.
Helaas bleven die kerkelijke spanningen en conflicten ook daarna niet afwezig toen vader in Apeldoorn en vervolgens in Groningen stond.
Dat zulke spanningen ook doorwerkten in het gezinsleven behoeft geen betoog, denk ik.
De impact van het ambt van predikant op het gezinsleven is in elk geval groot.
'Domineeskinderen' worden daar altijd op aangekeken. Ze zijn toch eigenlijk niet gewoon, maar een beetje afwijkend en bijzonder. Je mag feitelijk ook minder dan andere kinderen.
Als je ondeugend bent, krijg je al gauw zoiets te horen als: 'Jij als zoon van een dominee moest toch ...' Menig domineeskind voelt dan juist de neiging opkomen om 'er eens lekker tegen in te gaan'!
Is het een wonder, dat velen min of meer uit de band sprongen?
Prof. Dr .K.J.Popma, die Kees en ik op het gymnasium als leraar klassieke talen hadden, zei wel eens: 'Domineeskinderen zijn duvelskinderen'.
Of hij daarmee speciaal mijn broer of mij op het oog had is me niet helemaal duidelijk geworden...
Tijdens de adolescentie kan dat 'domineesstempel' dieperliggende spanningen oproepen.
Het feit dat ouders hun hele leven aan het kerkelijk leven wijden - 'werken in de wijngaard des HEREN', noemde moeder het graag - legt op de kinderen een enorme claim.
Het kan hun daardoor veel moeite kosten om in zelfstandigheid en verantwoordelijkheid eigen keuzes te maken.
Wat betekent het en wat gaat er gebeuren, wanneer kinderen als het om geloof, kerk, beroep, verkering en dergelijke gaat, tot keuzes komen, die niet stroken met de overtuiging van ouders, die weten dat een hele gemeente dit nauwgezet gadeslaat?
Een veertig, vijftig jaar geleden lag dat wellicht nog niet altijd zo scherp.
Het was de tijd van de vanzelfsprekendheden.
We zaten opgesloten in onze eigen zuilen.
We gingen doorgaans keurig de aangewezen en gebaande weg.
Nu de samenleving opengebroken is en in veel opzichten de tijden zo veranderd zijn, hebben jonge mensen aanmerkelijk meer vrijheid - en terecht.
Het komt veel meer dan vroeger aan op het nemen van eigen beslissingen.
Het risico, dat het dan een ándere kant op gaat dan de ouders graag wilden, is natuurlijk eveneens een stuk groter geworden.
Dat geldt uiteraard net zo goed voor domineeskinderen.
Ze zijn, als 't goed is, ook kinderen van hun tijd.
Het kan voor hen extra moeilijk zijn om hun eigen positie te vinden, vooral ten opzichte van dat wat het leven in een pastorie zo sterk beheerst.
In eigen gezinsleven hebben we ervaren, dat die 'claim' van het predikantschap een soort erfelijke belasting vormt.
Wanneer je kinderen niet 'automatisch' willen overnemen wat hun is voorgehouden en meegegeven, is het voor hen vaak een worsteling om hun weg in het leven te vinden en tot een eigen, in de persoonlijkheid geïntegreerde overtuiging te komen.
Goed voorbeeld…
In hoeverre heeft het dominee-zijn van vader Smelik dat van ons beiden bepaald?
Waarom kozen we ervoor om theologie te gaan studeren?
Uiteraard heeft het voorbeeld van vader daarbij een belangrijke rol gespeeld.
Zoals bij meer beroepen het geval is doet het voorbeeld volgen.
Vooral vroeger was dat vaak zo.
Je had in ons land bekende families van bijvoorbeeld juristen of van officieren of van... predikanten.
Het dominee willen worden was in ons gezin geen zaak, waarover uitgebreid werd gepraat.
Vader heeft het ons nooit met zoveel woorden aangeraden of ons ertoe opgeroepen.
Mijn oudste broer, die eerst arts zou worden, werd geen strobreed in de weg gelegd om de natuurwetenschap in te gaan, hoewel onze ouders best hun bezorgdheid daarover hadden.
Ongetwijfeld heeft vader het wel schitterend gevonden, dat zijn twee andere zoons predikant werden.
Een andere keuze had vast wel een teleurstelling betekend.
Toen ik aan het eind van het vierde jaar gymnasium moest kiezen tussen alfa of bèta aarzelde ik. Natuurkunde trok me ook erg, maar ik denk, dat mijn ouders een keuze daarvoor niet hadden toegejuicht.
Het werd toch wel min of meer normaal, om niet te zeggen enigszins vanzelfsprekend gevonden, dat een domineeszoon dominee wilde worden.
Ongemerkt tendeerde alles in die richting.
Je werd als het ware op die weg meegenomen.
Maar wat houdt dat voorbeeld, dat je vader je geeft, dan in?
Wanneer ik dat probeer te analyseren, kom ik op het spoor van de toewijding, ja, de gedrevenheid, waarmee vader zijn ambt vervulde.
Vooral zijn werk als pastor heeft indruk op mij gemaakt.
Inhoudelijk kwamen wij niet op de hoogte van zijn pastorale arbeid: hij praatte daarover weinig of niet met ons. Maar wij merkten hoe ijverig en trouw hij daarin was. En ook, hoeveel hij zo voor mensen betekende.
Wellicht heeft ons dat, zonder dat we ons dat goed bewust waren, aangetrokken om óók voor en onder mensen te gaan werken.
Dat de zondag er was voor de kerkdiensten was voor ons de gewoonste zaak ter wereld.
Natuurlijk ging het hele gezin zondags twee keer naar de kerk.
Maar ook het feit, dat vader na de vrijmaking bijna altijd in vier of soms vijf kerkdiensten per zondag voorging, vonden we toen volstrekt normaal.
Dat voorbeeld heeft er vast wel toe bijgedragen, dat wij het later nogal vanzelfsprekend vonden om op een zondag meer dan twee kerkdiensten te leiden.
Ook vaders sterke plichtbesef heeft zijn invloed op ons gehad.
Ik kan me niet herinneren, dat vader ooit een vergadering of zo verzuimde.
Ziek was hij bijna nooit.
Toen ik ruim een half jaar in de pastorie zat kwam vader, nadat hij een zondag ergens in het zuiden van het land had gepreekt, op maandagmorgen voor het eerst bij ons langs.
Maar ik moest hem 's middags alweer naar het station brengen: hij moest die avond perse de kerkenraadsvergadering bijwonen.
Dat was een paar maanden voor zijn plotselinge sterven op 23 mei 1960.
Hij had die zondag nog vier kerkdiensten geleid en was 's avonds op bezoek bij gemeenteleden.
Ook toen hij zestig jaar was nam hij nooit vrij...
Hoe je daar naderhand ook tegenaan kijkt, je denkt er met diep respect aan terug!
Roeping tot het ambt - het heeft in het gezinsleven ongetwijfeld een grote rol gespeeld.
Het heeft ook zeker onze keuze voor het ambt bevorderd.
Was het 'roeping'?
Het ligt er maar aan wat men daaronder verstaat.
't Was voor ons zeker geen kwestie van een of ander mystiek gedoe of van een hemelse stem.
Er speelde een aantal factoren, waarvan ik er enkele genoemd heb, in mee.
Wanneer ik er op terug kijk zie ik in en achter al die menselijke factoren van opvoeding en voorbeeld en keuze de leiding van God in het leven.
Dát is, denk ik, net zo goed roeping.