Korte lontjes

2006-03-31
  • Jaargang 50
  • nummer 7
Een ijsbeer, een schildpad en een krokodil hadden het eens over de vraag waar zij het liefste wilden wonen. Vol overtuiging sprak de ijsbeer: “Op de Noordpool”. De andere twee reageerden verbaasd: “Op de Noordpool?” “Jazeker”, antwoordde de ijsbeer, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een bontjas, mijn vrouw heeft een bontjas, en al mijn kinderen hebben een bontjas.” Toen zei de schildpad: “Ik zou het liefst op het slagveld willen wonen.” Opnieuw verbazing bij de andere twee: “Op het slagveld?” “Jazeker”, antwoordde de schildpad, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een schild, mijn vrouw heeft een schild, en al mijn kinderen hebben een schild.” Toen sprak de krokodil: “Ik zou het liefst in Nederland willen wonen.” Voor de derde keer verbazing bij de andere twee: “In Nederland?” “Jazeker”, antwoordde de krokodil, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een grote bek, mijn vrouw heeft een grote bek, en al mijn kinderen hebben een grote bek.”

Aldus het begin van een artikel in het maart-nummer van CV-Koers, van de filosoof Evert Jan Ouweneel, over de omgangsvormen in onze samenleving. Ouweneel:

In “Geweld als uitdaging” wijst cultuursocioloog Gabriël van den Brink op de paradox dat de toegenomen agressie in ons land - soms mild in de vorm van hufterigheid, soms grof in de vorm van ‘zinloos geweld’ - juist verbonden is met een toename van liefde en liefdesuitingen. Om dit te begrijpen moeten we stilstaan bij drie belangrijke veranderingen die zich vanaf de jaren zestig in ons land voltrokken:
• door het gebruik van voorbehoedsmiddelen werd het gezin kleiner en het verschijnsel ‘ongewenst kind’ zeldzamer;
• de autoritaire opvoeding maakte steeds meer plaats voor een opvoeding waarin alles draait om de mondigheid en zelfstandige zelfontplooiing van het kind; en
• het gevoelsleven verloor zijn private karakter en werd steeds meer iets dat juist met kracht tot uitdrukking moet worden gebracht.
De gemiddelde hoeveelheid ouderlijke liefde, aandacht en bevestiging per kind nam door deze veranderingen sterk toe. Het gevolg was een enorme toename van het zelfvertrouwen van nieuwe generaties. Op basis van dit zelfvertrouwen kon zich vervolgens een assertieve levensstijl ontwikkelen toen de welvaart begon te stijgen, de materiële klassenverschillen grotendeels verdwenen, en steeds meer kinderen een hogere opleiding konden volgen.
De burgerlijke agressie die tenslotte verscheen, kan als een vrucht van deze assertieve levensstijl worden gezien.
Naarmate het gevoel van eigenwaarde van steeds meer mensen toenam, begonnen steeds meer mensen steeds meer ruimte, rechten en respect voor zich op te eisen. Daardoor kwamen zij ook steeds meer met elkaar in botsing.
Zo kreeg Nederland te maken met een merkwaardige ontwikkeling: wat begon met meer liefde, eindigde in meer agressie. Maar dat is niet het hele verhaal. De paradox blijkt nog groter te zijn: terwijl het gevoel van eigenwaarde vanaf de jaren zestig sterk toenam, nam de waardigheid van mensen juist sterk af. Waaróm eisen wij respect van anderen op? Waarom hebben wij niet genoeg aan ons eigen gevoel van eigen waarde, gebaseerd op de liefde, aandacht en bevestiging van onze ouders? Omdat wij nu eenmaal gemeenschapswezens zijn die het liefst de liefde, aandacht en bevestiging ontvangen van ieder die ons levenspad kruist. Dat brengt ons op een hachelijk punt: zo goedkoop als de liefde, aandacht en bevestiging van onze ouders werd, zo duur werd die van alle anderen. Ook dit gegeven kan worden teruggevoerd tot veranderingen die zich vanaf de jaren zestig in ons land voltrokken:
• In “Nieuw Babylon in aanbouw” wijst historicus James Kennedy erop, dat zowel de over-heid als de bevolking in de jaren zestig een opvallende draai maakte door zich bijzonder verdraagzaam op te stellen tegenover het gedrag en de ideeën van de protestgeneratie. Vaak gebeurde dat onder het mom van ‘je houdt het toch niet tegen’. Maar het resultaat was er niet minder om: over de hele linie moest het manen en vermanen plaatsmaken voor verleiding, tolerantie en begrip. ‘Moet kunnen’ werd vanaf die tijd het motto, met als negatief gevolg: een schrijnend gebrek aan constructieve correcties en persoonlijke complimenten.
• Nauw samenhangend met het vorige gingen bepaalde omgangsvormen verloren, volgens welke mensen elkaar ooit met een bepaald respect bejegenden. Zo werd de ‘vrijheid van meningsuiting’ steeds verder opgerekt tot een ‘vrijheid van belediging’.
• En met de individualisering van de samenleving gingen ook allerlei gemeenschappen verloren, waarin mensen elkaar waarderen vanwege de rol die zij daarin vervullen. Alleen het gezin bleef over als vaste bron en rustplaats van waardering. En zelfs dat kwam door echtscheiding en jeugdige mondigheid onder druk te staan. () Als assertieve kinderen van onze cultuur eisen wij dat de wijze waarop anderen ons bejegenen, de grootte van ons ego weerspiegelt. Tegelijk is datzelfde ego uiterst kwetsbaar geworden - in de zin van: uiterst snel te kwetsen - bij gebrek aan mensen die ons oprecht (en niet alleen uit vleierij) waarderen. Vanwege óf deze assertiviteit óf deze kwetsbaarheid kan een ‘brave burger’ plotseling veranderen in een hufter, een potentaat of zelfs een moordenaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief