Jezus’ verhouding tot de wet

2004-05-14
  • Jaargang 48
  • nummer 10
Bij het bepalen van onze houding in allerlei ethische kwesties is het voorbeeld dat Jezus ons gegeven heeft altijd een sterk argument geweest.
Dat Hij zich gebonden wist aan de wet krijgt daarbij wel eens minder aandacht dan de vrijheden die Hij zich volgens velen tegenover de geboden veroorloofde. Is dat terecht?
Stond Jezus wel zo vrij tegenover het woord van zijn Vader? Of wilde Hij juist zo bij de kern van het gebod uitkomen?

We kunnen beginnen met op te merken dat de Heiland is opgegroeid en opgevoed in een familie en in een gezin waarin de wet van Mozes in al haar delen in ere was. Wat de familie betreft, van tante Elizabeth en oom Zacharias wordt gezegd dat zij beiden rechtvaardig waren en onberispelijk leefden naar alle geboden en eisen des Heren (Lucas 1:6). En van vader Jozef en moeder Maria heet het in de geboortegeschiedenis van Lucas 2 dat zij rond Jezus’ geboorte alles volbrachten wat volgens de wet des Heren te doen was (de besnijdenis, de reiniging en de lossing). Zij bezochten elk jaar het paasfeest in Jeruzalem (Lucas 2:41) en zij onderhielden de sabbat (Lucas 23:56). Jezus heeft in zijn latere leven zeker niet met deze opvoeding gebroken. De sabbat was bij Hem in ere (Lucas 4:16) en de gewoonte om op de hoge feesten de tempel in Jeruzalem te bezoeken nam Hij over (Johannes 7:1-10). Ook zei Hij dat Hij niet gekomen was om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen (Matteus 5:17).

Licht en zwaar
Wel merken we bij Jezus dat Hij verschil maakt tussen de geboden. Er zijn er die je moet doen en andere die je niet moet nalaten (Matteüs 23:23).
Deze formulering verraadt een fijne genuanceerdheid, het eerste is meer bindend dan het tweede. Het geven van de tienden van munt, dille en komijn behoort tot het laatste, het niet nalaten dus, terwijl het doen bij Hem betrekking heeft op het zwaarste der wet: het oordeel (om te onderscheiden wanneer je bijvoorbeeld de invullingen van het sabbatsgebod moest nakomen of niet, Matteüs 12, 1–8), de barmhartigheid (om daaraan bijvoorbeeld voorrang te verlenen boven het offeren, Matteüs 9:11) en de trouw (om daarvoor bijvoorbeeld de voorschriften omtrent rein en onrein bij het aanraken van een melaatse ter zijde te stellen wanneer de hulp aan de naaste dat vroeg, Matteüs 8:3). De vrijheden die Jezus zich tegenover de lichtere geboden veroorlooft zijn dan ook geen ontduikingen van de wet, maar dienen juist om bij het zwaarste van de wet uit te komen. Zijn verdediging van het genezen op de sabbat (Matteüs 12:9–14) legt daar een duidelijk getuigenis van af. Jezus heeft het gevaar gezien dat de gehoorzaamheid aan de lichtere geboden die aan de zwaardere zou overvleugelen en dat aldus gemakkelijk een schijn van godzaligheid kon worden opgebouwd.
Het overbekende woord van Hem over het zich gebonden weten aan de tittels en de jota’s van de wet (Matteüs 5:18) zullen we dan ook meer kwalitatief dan kwantitatief moeten opvatten. De kwantitatieve opvatting is namelijk in staat gebleken aan de christelijke ethiek een formalistisch karakter te verlenen dat aan de eigenlijke bedoeling van de wet voorbijgaat.

Op steen of in de natte kalk?
Reeds bij Mozes vinden we zoiets als het verschil tussen lichtere en zwaardere geboden. Van de Tien Geboden wordt bij herhaling gezegd dat God ze eigenhandig op de stenen tafels had gegraveerd (Exodus 31:18; 34:1; Deuteronomium. 5:22; 9:10; 10:2,4).
Daar ging sterk de indruk van het blijvende karakter van die geboden van uit. Daarnaast is er sprake van dat ‘al de woorden van de (deuteronomische) wet’ door Israël weliswaar ook op stenen, maar dan in de natte kalk geschreven moesten worden (Deuteronomium 27:1–4). Deze laatste schrijfwijze predikte het voorbijgaande van de deuteronomische voorschriften.
Het schrift kon immers van die stenen afregenen. Het vijfde boek van Mozes presenteert de deuteronomische wet als een uitwerking van de Tien Geboden (Deuteronomium 5). Er zat in die uitwerkingen dus iets tijdelijks en menselijks, terwijl ze wat strekking betreft toch van de Here God zelf afkomstig waren. Van dat menselijke aspect gold wat Paulus later van de geboden ‘raak niet, smaak niet en roer niet aan’ schreef: ‘dat alles zijn dingen die door het gebruik teloor gaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen’ (Colossenzen 2:22).
Het gaat namelijk niet aan, deze waardeschatting alleen maar op de nabijbelse mondelinge traditie te laten slaan. Van veel Mozaïsche voorschriften moeten we immers zeggen dat ze inderdaad aan de slijtage van de tijd onderhevig zijn geweest. Denk alleen maar aan de doodstraf die daarin over zoveel overtredingen wordt uitgesproken. Zelfs kun je je bij sommige voorschriften afvragen of ze wel ooit kracht van wet hebben gehad.
Zo wordt in Deuteronomium 21:18–21 bepaald dat ouders hun weerspannige en weerbarstige zoon naar de oudsten van de stad moesten brengen om door de stadsbevolking te worden gestenigd. Zou het ooit de bedoeling zijn geweest dit letterlijk uit te voeren? Is hier niet in wetsvorm een boodschap afgegeven die in de buurt komt van Jezus’ woord: ‘Wie zoon of dochter liefheeft boven Mij is Mij niet waardig’ (Matteüs 10:37)?
Zoals ook in oude kerkenordeningen bepalingen kunnen staan die meer bedoelen een mentaliteit te beïnvloeden dan dat ze als geboden moeten worden opgevolgd. Een beetje zoals we dat van een gentlemans agreement of herenakkoord verwachten En zo blijven dus die achterhaalde of ongebruikte bepalingen als bron van wijsheid voor het handelen hun betekenis behouden (zie hiervoor het prachtige artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis).

Het ethische en het juridische
Matteüs 5 is het hoofdstuk waarin de Heer het duidelijkst zijn wetsonderricht heeft gegeven. Ik volsta met één voorbeeld daaruit. Ten aanzien van het zesde gebod zegt Jezus: ‘Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt zal vervallen aan het gerecht’ (vers 21).
Zo werd het in de traditie dus wel gesteld: aan het ethische gebod (één uit de Tien!) voegde men een juridische bepaling toe die het ethische gebod moest ondersteunen.
Jezus zelf deed dat ook wel, zoals blijkt uit een woord van Hem in een ander verband: ‘Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt zal de dood sterven’ (Marcus 7:10). Het juridische ter ondersteuning van het ethische, prachtig!
Maar de combinatie van die twee kon er ook toe leiden dat men het ethische gebod verjuridiseerde. De indruk kon ermee gewekt worden dat je met het ethische gebod enkel te maken kreeg in die gevallen waar de rechter bij kan (verg. Oudkerk: ‘Naar de hoeren gaan is niet bij de wet verboden’). Jezus heeft dit gevaar op het oog als Hij met zijn maar Ik zeg u zeer nadrukkelijk het ethische onder het juridische vandaan haalt. Hij noemt namelijk een drietal ogenschijnlijk lichte vergrijpen tegen het zesde gebod en Hij zegt dat je in alle drie die gevallen met God als rechter te maken krijgt (het Griekse woord sunedrion, in het tweede geval, betekent gewoon tribunaal en duidt niet de joodse Sanhedrin aan, zoals onze gebruikelijke vertaling suggereert, maar de goddelijke vierschaar). Zo vrijwaarde Hij het gebod tegen de veruiterlijking en de formalisering. Op dezelfde wijze zocht Hij naar de tittels en de jota’s (dat wil zeggen: de precieze strekking) van alle geboden en eiste Hij de volmaaktheid of de heelheid van de gehoorzaamheid (Matteüs 5:48).

De overspelige vrouw
Dit scheiden van het ethische en het juridische vinden we ook in de bekende casus van de overspelige vrouw uit het begin van Johannes 8. Jezus wentelt de doodstraf door steniging waar de beschuldigers om vragen, van de vrouw af, maar Hij handhaaft het ethische gebod gij zult niet echtbreken met de woorden: ga heen en zondig niet meer. De doodstraf werd in Jezus’ dagen over overspel al lang niet meer uitgesproken. Maar behalve dat was de hele aangifte een onzuivere zaak. Mozes had immers verordend dat zowel de man als de vrouw die het overspel bedreven gestenigd moesten worden (Deuteronomium.
22:22–24). Hier kwamen de beschuldigers alleen met de vrouw naar voren.
Terwijl die toch op overspel betrapt was, wat niet anders kon betekenen dan dat de man daarbij aanwezig was geweest. Maar die lieten ze lopen, dat was niet interessant. Nee, een vrouw in het midden stellen en die dan met alle mannenogen op zich gericht het pikante verhaal laten doen, dat was pas opwindend. Jezus schreef in het zand. Een gebaar van verlegenheid omdat Hij zich schaamde als man. Boodschap: ook wanneer de rechtspraak corrumpeert of om andere redenen verstek laat gaan blijft het ethische gebod van kracht.
Wij moeten daarom afstand bewaren tot de moderne trend om bij alles en nog wat de rechter te willen inschakelen.
Behalve dat daardoor de balie overstelpt wordt is er ook geestelijk weinig goeds van te verwachten.

Onlangs ontving ik een uitnodiging van de redactie van het Kerkblad voor het Noorden van de CGK om (samen met enkele anderen) een korte studie te schrijven over Jezus’ verhouding tot de wet. Tegelijk kwam de overweging of de lezers van ons blad er misschien ook iets aan zouden hebben. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor. Ter meelezing aangeboden dus.
Hier en daar heb ik een verduidelijkend woordje of zinnetje ingevoegd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief