Van Alkmaar tot Zwolle
2004-05-14
Ieder jaar verschijnt binnen onze kerken het Informatieboekje. De uitgave van dit ‘blauwe boekje’ is een particulier initiatief van uitgeverij Buijten & Schipperheijn in Amsterdam. Het vormt een onmisbaar naslagwerk voor gemeenteleden die verder willen kijken dan alleen de eigen kerkelijke gemeente. Een deel van ons kerkelijk samenleven speelt zich immers op regionaal en landelijk niveau af.- Jaargang 48
- nummer 10
Het Informatieboekje heeft een groot aantal eindredacteuren gekend. Die zijn onder andere verantwoordelijk voor de inhoud van het Jaaroverzicht, een kroniek die een beeld schetst van het kerkelijk leven in het afgelopen jaar. Ds. Ton Vos uit Almere heeft zich in voorgaande jaren met grote nauwgezetheid gewijd aan zijn taak. De pen is nu overgenomen door ds. Menko Biewenga uit Enschede. Hij werd daarbij ondersteund door broeder Wiebe Jellema uit Zwolle, die o.a. de gegevens rond het beroepingswerk bij hield.
De kerkelijke statistiek en de verwerking van de plaatselijke gegevens zijn in handen van de uitgever, die daarbij op zijn beurt weer afhankelijk is van de nauwgezetheid van de plaatselijke kerken.
Van groot naar klein
Een groot deel van de inhoud van het Informatieboekje bestaat uit de gegevens van de plaatselijke kerken. De lijst wordt in alfabetische volgorde weergegeven. De eerste gemeente is Alkmaar, de laatste is Zwolle (II).
Tussen deze beide plaatsen vinden we nog 90 andere Nederlands Gereformeerde kerken. Daar zijn grote gemeenten bij (Kampen met 2308 leden - zie de foto op de voorkant, Bunschoten-Spakenburg met 1641 leden, Wezep met 1298 leden, Ede met 1132 leden). Onze kerken kenmerken zich echter vooral door de vele kleine kerken. Als we voornoemde grote gemeenten niet meetellen ligt de gemiddelde grootte van de plaatselijke kerken beneden de 300 leden. De kerken van Almkerk-Werkendam, Bilthoven, Gorinchem, Haren, Hengelo, Lisse, Maastricht, Nijmegen, Wieringermeer, Zaandam, Zaanstreek-Centrum en Zwartsluis tellen 100 leden of minder. Het kleine getal maakt deze gemeenten vaak kwetsbaar. Het jeugdwerk komt moeilijk tot stand, catechesegroepen zijn klein, vacatures op allerlei terreinen (ambtsdragers, organist, scriba) kunnen moeilijk worden vervuld. Soms is er een intensieve samenwerking met een andere kerkelijke gemeente gegroeid. Je zou kunnen zeggen dat er van de kerkelijke nood ook een kerkelijke deugd gemaakt kan worden.
Aan de andere kant is het ook niet zo dat een kleine gemeente geen mogelijkheden meer heeft. Wat dat betreft zijn we in Nederland misschien ook wel een beetje ‘verwend’. In veel andere landen kunnen christenen zich alleen maar aansluiten bij kleine plaatselijke kerken. Ook in het samenleven binnen een kleine gemeente kunnen we de zegen van de Heer ervaren.
In het overzicht vinden we ook twee ‘buitenbeentjes’: de buiten het verband staande huisgemeente in Ten Post en de Vrije Gereformeerde kerk in Wolvega. De kerk van Amsterdam-Noord (de Hoeksteen) werd in mei 2003 opgeheven. Nieuw in het Informatieboekje 2004 is de kerk in Westbroek. Deze gemeente kwam over uit de Gereformeerde Kerken.
Kerkelijke statistiek
De Nederlands Gereformeerde kerken zijn in 2003 met 375 leden gegroeid.
De groei werd vooral veroorzaakt door de overkomst van de kerk van Westbroek (218 leden). Daarnaast is het al jaren zo dat er meer leden uit andere kerkgenootschappen over komen (2003: 864 leden) dan dat er leden naar andere kerkgenootschappen vertrekken (2003: 489 leden). In termen van bevolkingsstatistiek: er is sprake van een vestigingsoverschot.
De meeste leden kwamen over uithier gemakshalve genoemd - de Samen-op-Wegkerken (+ 571 leden, inclusief de kerk van Westbroek).
Opvallend is opnieuw het grote aantal vrijgemaakt-gereformeerden dat zich heeft aangesloten bij de Nederlands Gereformeerde kerken (+ 133 leden). Dit aantal wijkt aanzienlijk af van de opgave in het Handboek 2004 (GKV) dat ‘slechts’ melding maakt van een overgang van 44 leden. Hoewel deze overzichten qua tijdsverloop niet helemaal gelijk lopen is het verschil te groot om in statistisch opzicht ‘toevallig’ genoemd te kunnen worden. Naar de Samen-op-Wegkerken vertrokken vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken 187 leden. Verder valt het grote aantal leden op dat zich gevoegd heeft bij de Vrij Evangelische kerken (69 leden). Het grensverkeer met de pinkstergroeperingen is zeer beperkt.
Triest is opnieuw het aantal leden dat zich onttrokken heeft zonder zich aan te sluiten bij een andere kerk. 110 belijdende leden en 117 doopleden.
En dan hebben we het nog niet eens over de honderden leden aan de rand van de plaatselijke kerk. Je hoort ze niet en je ziet ze niet. Toch tellen ze nog wel mee in de cijfers van het Informatieboekje.
Heeft de kerk ook nog werfkracht naar buiten? Jawel, maar in getalsmatig opzicht is dat zeer betrekkelijk.
Slechts 42 leden hebben van buiten de kerk aansluiting gevonden bij een plaatselijke gemeente.
In zijn jaaroverzicht wijst ds. Biewenga er op dat het geringe aantal doopleden zorgen baart. De Nederlands Gereformeerde Kerken tellen twee keer zoveel belijdende leden als doopleden.
‘Op de langere termijn zijn dat geen gunstige cijfers, zeker als daarbij verdisconteerd wordt dat in de categorie van de doopleden ongetwijfeld ook vele randkerkelijken begrepen zullen zijn.’
Jaaroverzicht: vreemdeling en zending
Geschiedschrijving kun je een jaaroverzicht (nog) niet noemen.
Daarvoor liggen de gebeurtenissen van het afgelopen jaar nog te dicht achter ons. Toch dragen de jaaroverzichten van het Informatieboekje in belangrijke mate bij tot de geschiedschrijving van de kerken. Ds. Biewenga vermeldt niet alleen plaatselijke ontwikkelingen. Hij plaatst het jaar 2003 in mondiaal perspectief en vooral de ontwikkelingen binnen de islam.
‘Moeten we bang zijn voor de islam?
Nee. Of misschien ook wel. Maar vooral moeten we bang zijn voor een kerk die geen kerk meer is: die nog wat oude gewoonten uit lang vervlogen tijden in stand houdt, maar waar het leven allang uit is.’ Dat brengt hem ook op de vreemdeling in ons midden, de allochtoon die in politiek opzicht onder druk is komen te staan.
Christen-politici als Tineke Huizinga (CU) en Cees van der Staaij (SGP) maken zich zorgen over de verharding ten opzichte van de vreemdeling in ons midden.
Daarmee komt het jaaroverzicht uit op de zending. ‘Een punt van zorg voor de zendende kerken blijft de afnemende betrokkenheid van de kerken en met name van de gewone gemeenteleden.’ Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat andere vormen van zendingswerk - waar vaak eigen gemeenteleden bij betrokken zijn - vaak wél in de belangstelling staan. Uitgebreid schrijft ds. Biewenga over de wijze waarop de kerk van Hattem vorm probeert te geven aan het denken over en stimuleren van betrokkenheid bij de zending.
Elders komt in het Jaaroverzicht een andere ontwikkeling ter sprake: de kerk is bezig te verdwijnen uit plaatsen en wijken waar allochtonen in de meerderheid zijn. ‘De groei van de kerken is vooral te vinden in de redelijk welvarende provincie-en forensensteden.’ Ik teken hierbij aan dat er tegenwoordig wel eens gezegd dat de zending in eigen land begint, maar hoe werkt dit beeld door als er een nieuwe vorm van ‘apartheid’ groeit: kansrijke christenen buiten de stad en kansarme allochtonen (vaak moslims) in de oudere wijken van de grote steden?
Predikanten onder druk
Terecht besteedt ds. Biewenga uitgebreid aandacht aan de positie van predikanten. Niet alleen de ouderling (‘Marcus Dijkstra’), zeker ook de predikant ervaart de druk van het ambtelijk werk. In het jaaroverzicht wordt een aantal uitspraken van predikanten geciteerd. Wat vooral opvalt is het gevoel dat de predikant een schaap met vijf poten moet zijn. Hij moet op heel verschillende terreinen thuis zijn: prediking, catechese, pastoraat, leiden van allerlei vormen van kerkdiensten, organisatie, communicatie. ‘Hij is een generalist en kan per definitie niet aan deze verwachtingen voldoen. Hij wordt uit elkaar getrokken.’ Een werkvorm die mogelijk iets van deze zwaarte kan verlichten is het werken in teamverband (waarbij het voorgangerteam in Heemstede wordt genoemd).
Uiteindelijk komt ds. Biewenga uit op het oude woord ‘roeping’: ‘zonder roeping –het besef dat je geroepen bent- is het predikantschap enkel een baan, en dan ook inderdaad een behoorlijk zware baan.’ En hij vervolgt: ‘Er is niets tegen professionalisering van predikanten, maar wie dit ambt bekleedt zal ten diepste altijd “letterlijk” amateur moeten blijven. Een amateur is een liefhebber, en dat bedoel ik dan in die heel diepe zin van het grote gebod: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Met minder kun je niet toe.’
Andere kerken
Evenals ds. J.H. Kuiper in het vrijgemaakt-Gereformeerde Handboek 2004 (Opbouw 48/08) besteedt ook ds. Biewenga uitgebreid aandacht aan de ontwikkeling binnen en de verhouding tot andere kerken. Hij toont zich kritisch ten aanzien van de prediking binnen de Gereformeerde Gemeenten.
Het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland krijgt ruim de aandacht.
Wat betreft de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken ziet ds. Biewenga een paradoxale ontwikkeling: mét het afbreken van de landelijke gesprekken gericht op eenwording is er meer ruimte gekomen voor open ontmoetingen met elkaar. ‘In sommige plaatsen leidt dat tot verwonderlijke en verheugende resultaten.’ Toch kunnen we er niet omheen dat - vroeg of laat - weer de confrontatie met landelijke regels plaatsvindt.
Nederlands Gereformeerde kerken
Uiteraard is er in het Jaaroverzicht 2003 volop aandacht voor ontwikkelingen binnen de Nederlands Gereformeerde kerken. Zo wordt geschreven over de prediking in onze kerken, over plaatselijke gebeurtenissen en landelijke bijeenkomsten, over het rapport van de Commissie Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten, er zijn In Memoriams van de overleden predikanten J.C. Janse en O. Mooiweer, en En zo valt er nog veel meer te melden.
Tenslotte noem ik nog één thema uit het brede spectrum van gegevens: het zingen tijdens de kerkdienst.
In twee kerken wordt niet uit het Liedboek gezongen. De meeste kerken zingen naast het Liedboek ook uit Opwekking. Daarnaast zijn er nog tal van andere bundels in gebruik.
Het orgel is het meest gebruikte instrument om de gemeentezang te begeleiden, maar twee op de drie kerken schakelt ook andere instrumenten in.
Tenslotte
Voor wie ook buiten zijn eigen gemeente wil ‘kijken’ is het Informatieboekje ieder jaar weer een ‘must’. In het Jaaroverzicht staan veel meer behartenswaardige zaken dan hier zijn vermeld. Daarnaast kan de lezer ook een beeld krijgen van allerlei plaatselijke gegevens. Dat is bovendien ook handig als je met vakantie bent of als je gaat verhuizen. En tenslotte - maar niet in de laatste plaatsstaan er in het boekje allerlei adressen van organisaties en hulpverlenende instanties.
Naar aanleiding van: Informatieboekje 2004 voor de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Onder redactie van drs. M.H.T. Biewenga met medewerking van W. Jellema. Uitgave: Buijten & Schipperheijn, Amsterdam; 288 bladzijden, prijs € 8,90