Het tijdpad van de Schrift
2004-05-28
Onlangs werden naar aanleiding van het geruchtmakende boek ‘De weg van de moslim’ in het tv-programma Nova een paar bijbelse citaten over homo’s en vrouwen aan de kijkers gepresenteerd. Ook passanten op straat werden ermee geconfronteerd.- Jaargang 48
- nummer 11
De vrij vertaalde teksten (waarvan geen vindplaats werd opgegeven) herkende ik in de gauwigheid als afkomstig uit Leviticus 18:22 en 1 Timoteüs 2:11-12.
De precieze teksten luiden: ‘En gij zult geen gemeenschap hebben met een die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het.’ En: ‘Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden.’ Onder ons bekend genoeg, die teksten!
We hebben er de laatste tientallen jaren veel mee te stellen gehad.
De strekking van de aanhaling in Nova was dat wat de bijbel leert niet zo veel verschilt van wat binnen de islam over deze twee onderwerpen gezegd wordt. Oppervlakkig gezien is dat ook zo. Het ND, dat er in het nummer van maandag 26 april j.l. ook aandacht aan schonk, zei dat het hier over uit hun verband gerukte teksten ging. Dat betwijfel ik. Soms doet het niet zoveel ter zake of een tekst binnen of buiten het verband ter sprake wordt gebracht (om het met een knipoog naar het ND te zeggen), de inhoud is daar onafhankelijk van.
Dat is hier ook het geval. Nee, er valt tegen de gelijkstelling van bijbel en koran op deze punten zeker wat in te brengen, maar niet door een beroep op het tekstverband. Daar schieten we in dit geval niets mee op. Tenzij niet zozeer het tekstverband als wel het veel wijdere Schriftverband bedoeld wordt, want dan komt de analyse van het ND dicht in de buurt van de zeer terechte opmerking van de heer Van der Vlies van de SGP - in weer een volgende Nova - die de Mozaïsche bepalingen betreffende de homoseksualiteit als wet voor het oude volk Israël afgrensde tegen de universele wet der Tien Geboden, waarin over dat onderwerp met geen woord gerept wordt.
De bijbel als weg
Op dat spoor wil ik in dit en een volgend artikel doorgaan. Ik zou willen wijzen op een kenmerkend verschil tussen de bijbel en de koran. Het gaat me daarin om een eigenschap van de Schrift waarmee ik mij eigenlijk altijd al heb bezig gehouden en dat, nu wij steeds meer met de islam te maken krijgen, opeens aan betekenis wint.
Het is dit, dat ik in de bijbel meen een weg te zien lopen en die weg is een tijdpad. Zoals destijds Schilder al zei: er staan datums op de teksten. Neem alleen al het feit dat de bijbel een indeling kent in Oud en Nieuw Testament.
Dat vind je in de koran niet.
En zinnen als: ‘Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is…, maar Ik zeg u’ zijn daarin eveneens onbekend. De bijbel leidt ons door het sterk wisselende landschap van de tijd heen. Dat geeft aan de bijbel een historisch karakter dat de koran mist. De koran bindt zijn lezers te veel aan de ene tijd waarin hij ontstaan is, terwijl de bijbel laat zien dat God zich in een grote verscheidenheid van historische situaties aan de mensen heeft geopenbaard: ‘God, eertijds vele malen en op velerlei wijze gesproken hebbende…’, zoals de brief aan de Hebreeën begint (1:1). Dat is terugkijkend gezegd maar ook de toekomst krijgt in het spectrum van de Schrift aandacht, grote aandacht zelfs: ‘Denk niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; zie, Ik maak iets nieuws…’ (Jesaja 43:18v). Je kunt op grond hiervan zelfs volhouden dat de bijbel een open eind heeft. Niet als afgesloten canon, dat bedoel ik niet, maar in deze zin dat we de Allerhoogste, die we in de Schrift als een handelende God tegenkomen, voorbij de Schrift met het werk waaraan Hij begonnen is nog zien doorgaan om het tot voltooiing te brengen. Het is waar, de koran verwijst ook terug naar de schepping en vooruit naar het eindehet laatste oordeel en het paradijsmaar de weg van dit begin tot het einde kent geen geestelijke voortgang.
We worden in de koran bijvoorbeeld niet gevoelig gemaakt voor consequenties uit het werk van God, die voor de aardse toekomst voorbij de bijbel nog uitstaan. Ik noem als bijvoorbeeld van dit laatste de afschaffing van de slavernij, die in het Nieuwe Testament wel wordt voorbereid, maar zelf daarin nog niet plaats vindt.
De geschiedenis als het ene werk en de ene weg van God (Habakuk 3:2vv), binnen de bijbel en voorbij de bijbel, waarin Hij bezig is langs de lijnen, die in de Schrift voorgetekend staan, stapsgewijs met zijn plan gereed te komen. Daar gaat het me nu om.
Het eerdere en het latere
Ik maak dus uit de opvallende indeling van de bijbel in Oude en Nieuwe Testament nu even niet meer op dan dat de Schrift niet alles op hetzelfde ogenblik gezegd heeft en niet met alles in de tijdspanne van één mensenleven gekomen is. Zoals dat in de koran het geval is. Daarin is het de ene openbaring aan Mohammed, waarin al het waardevolle dat voorafging ‘uitgefilterd’ wordt samengebracht en waar de toekomst in het ene punt van gericht en hiernamaals wordt samengenomen. De Schrift daarentegen loopt geduldig met ons door de onderscheiden tijden en gelegenheden heen en laat zien wat voor veranderingen daarmee gepaard gaan.
En dan blijkt dat wat in de ene tijd bindend wordt opgelegd in een volgende fase van de geschiedenis achterhaald is. Mozes ontzegt de gesnedenen de toegang tot de gemeente des Heren (Deuteronomium 23:1), maar Jesaja opent voor hen een perspectief (56:4). De omgang van de aartsvaders met de omringende volken van Kanaän was vredelievend, die van Jozua confronterend, - om zo een paar dingen te noemen.
En waar ik nu aandacht voor vraag is het feit dat het eerdere niet door het latere vervangen wordt, maar gewoon in de bijbel blijft staan. Is dat niet verwarrend?
Nee, want zowel in het achterhaalde als in het nieuwe zit wijsheid die niet verloren mag gaan.
Het is voor ons van belang dat wij zien hoe de Geest van de openbaring heeft gereageerd op tijden die van de onze grotelijks verschillen. Daaruit maken we de beweeglijkheid en tegelijk de gelijkblijvendheid van de Here God op. De beweeglijkheid, dat Hij op een verscheidenheid van historische situaties verschillend reageert (bijvoorbeeld 1 Samuël 2:30) en de gelijkblijvendheid, dat Hij wat zijn eigenlijke heilsplan betreft geen verandering of ook maar een zweem van omkeer vertoont (Jakobus 1:17). Vandaar dat zowel die beweeglijkheid als die gelijkblijvendheid soms zelfs in één adem beleden kunnen worden: 1 Samuël 15:11,29. Ik denk dat wij de scholing die daarvan uitgaat nodig hebben voor onze tijd, die zo sterk van alle voorgaande verschilt en waarin zo vaak de vraag opklinkt of wat de bijbel voorschrijft voor ons nog wel geldig is.
Mondigheid?
Maar hoe dit te hanteren? Wel, dit betekent dat aan het gebruik van de bijbel de eis van deskundigheid gesteld moet worden. Want met het zomaar lukraak citeren van de bijbel kan grote verwarring gesticht worden waar niemand mee gediend is. Goede catechese is nodig, een geduldige uitleg, om duidelijk te maken wat eerst was en later kwam, wat ooit geldig was en wat nu geboden is. Kunnen we dat als mondige leden van Christus’ kerk dan niet zelf uitmaken?
Misschien wel, maar ik kan het niet helpen dat ik tegenwoordig wat kritisch naar het begrip mondigheid kijk.
Toen Luther de bijbel in de handen van de gemeente legde was de vooronderstelling dat die gemeente een eigen omgang had en zou hebben met de bijbel en dat ze ’s zondags onder het Woord kwam en zou komen.
Deze vooronderstelling is bezig weg te vallen. De mensen komen niet meer naar de kerk en lezen niet meer in de bijbel. Wat blijft er zo van de mondigheid over? Als bijvoorbeeld de bijbel wordt overgeleverd aan de stupiditeit van zoiets als het straatinterview?
Voorbijgangers, die een paar losse teksten voorgeschoteld krijgen, en of ze maar even willen zeggen hoe idioot zij vinden wat daar in staat. Zonder schroom doen ze dat ook. Niet gehinderd door enige kennis van zaken branden ze de bijbel af.
Doorgeschoten protestantisme noem ik dat! De bijbel in handen van het volk. Maar wat voor volk is dat? Wij zijn met onze hooggeroemde mondigheid in het moeras der opinies terechtgekomen.
Ieder zoekt in de bijbel en haalt eruit wat van zijn gading is.